Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX5381

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
HA RK 12-284
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking. Verzoeker stelt dat de rechters vooringenomen zijn, omdat de tijd die verzoeker voor zijn pleidooi heeft gekregen niet voldoende is om zijn verdediging te kunnen voeren. Verzoek tot wraking is afgewezen. Rechters hebben geen onredelijke ordebeslissing genomen door verzoeker een half uur voor zijn pleidooi toe te kennen. Gevoel van verzoeker dat de rechters jegens hem vooringenomen zijn is niet objectief gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 17 juli 2012 gedane en onder rekestnummer

HA RK 12-284 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mrs. [A], [B] en [C], leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van strafzaken te Amsterdam, hierna: de rechters.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- een proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 17 juli 2012 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;

- een schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op het wrakingsverzoek.

De rechters hebben bij monde van de voorzitter meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2012, alwaar verzoeker en de voorzitter van de meervoudige kamer, mr. [A], zijn gehoord. Verzoeker heeft nog een pleitnota en producties in het geding gebracht die bij de processtukken zijn gevoegd. Van deze behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder parketnummers 13/664242-11 en 13/676454-11. Verzoeker wordt onder meer verdacht van belediging.

b) Op 17 juli 2012 heeft de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker door de meervoudige kamer plaatsgevonden. Verzoeker heeft tijdens de behandeling van de strafzaak onder meer verzocht om zeven getuigen te horen en heeft in dat kader een pleitnota overgelegd. Het verzoek tot het horen van de getuigen is na beraad door de rechtbank afgewezen. Vervolgens heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden, waarvan ongeveer 3,5 uur gemoeid was met de bespreking van de verzoeker ten laste gelegde feiten. Verzoeker heeft, na het ongeveer een half uur durende requisitoir van het Openbaar Ministerie, verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting voor zijn pleidooi. Hij heeft daaromtrent onder meer het volgende verklaard:

“ Ik maak bezwaar tegen het hoge tempo. (…)Ik heb een begin met mijn schriftelijke pleidooi gemaakt (…) Ik verwacht wel anderhalf uur nodig te hebben. Het kan ook drie uur duren. De tijd is nodig. Ik vraag drie uur. Eigenlijk heb ik twee of drie dagen nodig. (…)”

c) Na beraadslaging in de raadkamer heeft de rechtbank beslist dat verzoeker net als de officier van justitie een half uur krijgt om zijn pleidooi te houden.

d) Verzoeker heeft daarop de rechters gewraakt, omdat hij meer tijd nodig heeft om zijn verhaal te vertellen. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft daarop het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende ter zitting, samengevat en zakelijk weergegeven, mondeling toegelichte gronden. De officier van justitie heeft verzoeker op korte termijn gedagvaard en daarna moest verzoeker wachten op zijn procesdossier. Verzoeker is drie uur verhoord door de rechtbank en zes uur door rechercheurs. Pas na ontvangst van zijn procesdossier kon verzoeker de producties van totaal 700 pagina’s opstellen ten behoeve van zijn verdediging. Die producties zijn van belang omdat de feiten moeten worden besproken. Het Openbaar Ministerie onderkent de complexiteit van zijn strafzaak niet. De zogenaamd algemeen bekende feiten met betrekking tot Joden, Auschwitz en Zionisten kloppen namelijk niet. Als dat niet wordt besproken, gaan de rechters van de verkeerde feiten uit. De feiten kunnen worden besproken door pleidooi te houden aan de hand van een wetenschappelijk stuk met noten. De stukken die verzoeker in de strafzaak heeft ingebracht ondersteunen zijn gelijk. Daarom moeten de rechters door de stukken heengeleid worden. Daarmee is veel tijd gemoeid. Als daar geen tijd voor is, had de zaak naar de rechter-commissaris moeten worden teruggestuurd voor onderzoek. Dan was verzoeker waarschijnlijk niet tot een wrakingsverzoek overgegaan.

3. De reactie van de rechters

De rechters hebben bij monde van de voorzitter toegelicht dat zij teleurgesteld zijn over het wrakingsverzoek. Verzoeker heeft ruim 3,5 uur de gelegenheid gehad om aan de hand van de hem ten laste gelegde feiten toe te lichten wat zijn ideeën zijn en deze waren voor de rechters duidelijk. De rechters hebben geoordeeld dat een half uur voldoende moet zijn om te reageren op wat de officier van justitie, in eveneens een half uur, in het requisitoir heeft gezegd. Verzoeker kan ter zitting verwijzen naar de stukken die hij heeft ingebracht en kan mededelen welke stukken de rechters moeten lezen. De rechters hebben verder niet laten blijken hoe zij over de strafzaak van verzoeker dachten.

4. De reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk aangevoerd dat de rechters een procesbeslissing hebben genomen door verzoeker een half uur voor zijn pleidooi toe te kennen en dat de rechters deze beslissing hebben onderbouwd met de motivering dat de officier van justitie ook een half uur voor het requisitoir nodig heeft gehad en dat verzoeker gedurende het 3,5 uur durende onderzoek al zeer uitgebreid zijn standpunt heeft kunnen toelichten. Deze motivering maakt volgens het Openbaar Ministerie geen onredelijke indruk en onderbouwt de beslissing op adequate wijze. Er volgt niet uit dat de rechters vooringenomen zijn jegens. Het Openbaar Ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is niet de visie van verzoeker beslissend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

5.3. Ter beoordeling van de wrakingskamer ligt niet de strafzaak tegen verzoeker voor. De wrakingskamer oordeelt alleen over de vraag of hetgeen door verzoeker is aangevoerd al dan niet tot wraking van de rechters moet leiden.

5.4. Het betoog van verzoeker komt er in de kern op neer dat hij naar zijn oordeel van de rechters niet voldoende tijd kreeg om zijn verdediging in zijn strafzaak te voeren en dat hij er daardoor geen vertrouwen meer in heeft dat de rechters onbevooroordeeld zijn.

5.5. De wrakingskamer stelt voorop dat ingevolge artikel 272, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) de voorzitter de leiding van het onderzoek op de terechtzit-ting heeft en daartoe de nodige bevelen geeft. De voorzitter kan bepalen hoeveel tijd verdachte en de officier van justitie krijgen voor het toelichten van hun standpunten. In de onderhavige zaak is – na overleg door de rechters – beslist dat verzoeker een half uur kreeg voor zijn pleidooi. Aan die beslissing ging een uitgebreid en langdurig onderzoek vooraf, waarin verzoeker in het kader van vraagstelling tijd is gegund zijn visie op de ten laste gelegde feiten te geven. In het licht daarvan en in aanmerking genomen dat ook de officier van justitie haar requisitoir in een half uur heeft weten af te ronden, hebben de rechters niet een evident onredelijke ordebeslissing genomen. Het gevoel van verzoeker – dat de rechters jegens hem vooringenomen zijn – is daarom niet objectief gerechtvaardigd.

5.6. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin de procedure zich

bevond ten tijde van indiening van het verzoek.

Aldus gegeven door mr. J.A.J. Peeters, voorzitter, mrs. C. von Meyenfeldt en M.M. van der Nat, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Nieuwenhuijs, griffier, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2012.

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.