Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4929

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
486501 - HA ZA 11-965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad / tekortkoming onderwijsovereenkomst school jegens (vertegenwoordigers van) leerling. Toetsingskader. Niet voldaan aan stelplicht, vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 486501 / HA ZA 11-965

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

1. [eiser sub 1] pro se en in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [kind],

wonende te [plaats],

2. [eiseres sub 2] pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [kind],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. S.M.M. Teklenburg,

tegen

de stichting

STICHTING SCHOLEN VAN HET ROZENKRUIS,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. F. Jagersma.

Partijen zullen hierna de ouders en de school genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juli 2011, waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2011,

- de brief van 10 november 2011 van de school, met de schoolgids van 2003,

- de akte na comparitie van de ouders, met producties,

- de akte van antwoord na comparitie van de school,

- de brief van 7 juni 2012 van mr. Jagersma.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De minderjarige zoon van de ouders: [kind] (hierna: [kind]) heeft vanaf de schooljaar 2001-2002 tot en met schooljaar 2008-2009 onderwijs gevolgd aan de Jan van Rijckenborghschool. Deze school valt onder het bevoegd gezag van De Stichting Scholen van het Rozenkruis.

2.2. Op 7 april 2004 is door [A], van de Adviespraktijk voor kinderen met leer- en gedragsproblemen, een observatieverslag opgesteld. In dat rapport staat – voor zover hier van belang – het volgende:

Conclusie

[kind] (…) lijkt verhoogd afleidbaar, zowel door interne als door externe prikkels, maar tijdens de observatie is niet duidelijk of dit hem overkomt of dat het voornamelijk het gevolg is van gebrek aan sturing en motivatie is. Wanneer instructie hem aantrekt, doet hij enthousiast mee.

(…)

[kind] is gebaat bij een strakke, strenge hand en veel controle. De regels moeten duidelijk zijn voor hem en consequent toegepast worden. Hij heeft het nodig om zeer geregeld persoonlijk aangesproken te worden. Zelfstandig werken in een groepje is niet de goede manier voor hem:

hij zoekt voortdurend afleiding bij de andere kinderen aan het tafelgroepje en houdt ook de anderen van hun werk.

(…)

Belangrijk is om hem in een strakke, duidelijke, consequente structuur te brengen. Daarbij kan gewenst gedrag bevorderd worden door gebruik te maken van een beloningssysteem. Na verloop van tijd kan geëvalueerd worden in hoeverre dit een positieve uitwerking heeft gehad op zijn gedrag. Daarmee wordt dan tevens duidelijker of er al dan niet sprake is van een stoornis in de aandachtsregulatie (hoe hardnekkig is het probleem).

Advies

• Van [kind] kan niet dezelfde zelfstandigheid verwacht worden als van een gemiddeld kind. Hij heeft een strak keurslijf nodig om tot werken te komen. De leerkracht geeft aan dat het wat lezen en schrijven betreft belangrijk is dat [kind] veel oefent. Een werkblad op zijn tafeltje, waarop de taken van bijvoorbeeld de ochtend staan, geeft een directere impuls dan wanneer [kind] zelfstandig de taken van het bord over moet nemen. Op die werkkaart kan per taak een krul verdiend worden wanneer het af is. Drie krullen (bijvoorbeeld) betekent dat hij een stickertje of een voor hem leuke activiteit of iets dergelijks verdiend heeft. Deze aanpak betekent wel een tijdsinvestering van de leerkracht.

• Een heen-en-weer-schriftje tussen thuis en school houdt de vinger aan de pols, zonder dat er steeds een gesprek plaats hoeft te vinden. De werkkaarten kunnen in het heen-en-weerschrift mee naar huis. Het is belangrijk dat school en thuis op elkaar aansluiten en van elkaar weten hoe het gaat, opdat [kind] minder ontsnappingsmogelijkheden heeft.

• Een rustige, eigen werkplek wanneer hij zelfstandig moet werken helpt hem minder afgeleid te zijn door de andere kinderen in een tafelgroepje. Een plekje dichter bij de leerkracht wordt geadviseerd zodat [kind] wat meer onder het oog van de leerkracht is.

• Probeer de taken kort en uitdagend te houden voor [kind]. Directe en krachtige feedback is noodzakelijk om gewenst gedrag te versterken en ongewenst gedrag te laten verminderen. Geadviseerd wordt om zes weken nadat dit handelingsplan in werking is getreden een evaluatiegesprek te houden met school en ouders.

2.3. In een handelingsplan van 1 juni 2004 staat – voor zover hier van belang – het volgende:

Inhoud deeldoelen

- [kind] moet zich bewust worden van zijn taak

(…)

- [kind] moet leren zelf aan het werk te blijven. Ook als de leerkracht niet naast hem staat of hem controleert.

Inhoud activiteiten

- Met [kind] wordt afgesproken en bekeken welke sommen hij gaat maken. Hij bepaalt in eerste instantie zelf wat [en] hoeveel hij gaat doen

- De werkperiode is bij aanvang (…) 10 minuten. Dit moet worden verlengd tot de duur van een half uur in de toekomst (…)

- Om hem extra te stimuleren wordt er gewerkt met een beloningssysteem (…)

2.4. Op 12 mei 2005 is door [B] van Eduniek een onderzoeksverslag opgesteld. In dat verslag staat – zakelijk weergegeven – dat er sprake is van NLD-achtige problematiek. NLD staat voor non-verbale leerstoornis (non-verbal learning disorder).

2.5. Op 26 mei 2005 is door [C] – van den Bergh van Praktijk Kinder-neuropsychologie onderzocht of er bij [kind] sprake was van NLD.

Hierdoor zal hij in de klas snel afgeleid zijn en moeilijk kunnen werken zonder extra aansturing, terwijl hij 1-op-1 (RT, dit onderzoek) beter kan werken: op deze momenten is de omgeving optimaal voor hem ingericht. Rustig, geen prikkels, individuele aansturing, duidelijke regels en inkadering. Probeer de thuis- en klassensituatie ook zo in te richten. Rust, Reinheid en Regelmaat. Biedt maximale structuur; deel elke dag voorspelbaar (dus hetzelfde) in. [kind] is een jongen die meer regels en duidelijkheid nodig heeft dan andere

kinderen; dit helpt hem zijn gedrag in te kaderen. Biedt ook niet teveel keuzes, maar stel "zo is het en niet anders".

Verwoord de regels helder en duidelijk, verwacht niet dat hij ze zelf uit de omgeving oppikt. Maak ook duidelijk wat de consequenties zijn als hij ze breekt; wees hierin zeer consequent! Herhaal de regels geregeld, zeker voorafgaand aan een situatie waarin probleemgedrag te verwachten is. Doe dit op een rustig moment op een prikkelarme plek.

Plaats [kind] in de klas op een plek waar hij direct bereikbaar is voor de leerkracht, zet hem vooraan en naast de (kale) muur. Zijn huidige plek bij het raam levert teveel afleiding op. Creëer een prikkelarme omgeving waar hij werkt (in de klas en huiswerk thuis), zonder afleiders.

(…)

NLD heeft enkele consequenties voor de didactische aanpak en de aanpak thuis. Door informatie op onderstaande manier aan te bieden en te verwerken, maakt [kind] gebruik van zijn sterke punten (taal) om zijn zwakke punten (zien en doen) te compenseren.

1. [kind] dient bij voorkeur verbaal aangesproken en gestimuleerd te worden. Dit is zijn hoofdingang. Lesstof dient verbaal te zijn. Hij is het meest gebaat bij de ouderwetse, klassikale manier van leren: verhalend vertellen, tafels opnoemen of zingen, etc. Uitleg snapt hij beter als hij luistert dan wanneer hij in een boekje kijkt. [kind] leert beter uit zijn hoofd (rijtjes) dan inzichtelijk.

(…)

3. (…) introduceer de stof verbaal, biedt dan het materiaal aan (…) en laat hem actief verwoorden wat hij ziet. Verder (…) vermijd en versimpel visueel materiaal zoveel mogelijk. (…)

4. Voor het handelen geldt: verbale introductie van de deelhandelingen, al pratend voordoen, samen doen, nadoen. (…) Instructies kan hij begrijpen en nazeggen, zonder dat hij de taak kan uitvoeren. (…)

5. Voor het rekenonderwijs geldt dat de nadruk moet liggen op regels leren en rijtjes oefenen, met concreet en visueel rustig en overzichtelijk materiaal. [kind] heeft geen baat bij visuele en realistische methodes, voor het leren rekenen moet gebruik gemaakt worden van zijn sterke kant (uit het hoofd leren). Regels stampen, rijtjes oefenen (…)

6. Voor de werkhouding geldt naast bovenstaande over prikkelarme omgeving, duidelijke regels en inkadering het volgende: help [kind] een taak op te starten door hem begin en einde aan te wijzen, door te controleren of hij niet alleen weet wat te doen maar ook hoe en door de deelhandelingen met hem door te spreken. Leer [kind] een verbaal stappenplan aan waarmee hij zich door taken heen kan praten (Berenmethode zonder de picto's). Laat hem geen twee dingen tegelijk doen, richt zijn aandacht op één stap tegelijk.

(…)

2.6. In februari 2009 is onderzocht door IBOS of er bij [kind] sprake was van een leerachterstand. In de conclusie staat – voor zover hier van belang – het volgende:

Conclusie

De onderzoeksresultaten laten een enigszins wisselend beeld zien. (…) Tijdens de onderzoeksituatie laat [kind] een adequate werkhouding zien. Hij werkt

geconcentreerd en taakgericht. Zijn motivatie maakt wel een voldoende indruk. Zijn werktempo is voldoende. (…) De achterstanden verwijzen gedeeltelijk naar kenmerken van NLD (o.a. moeite met begrijpend lezen en rekenen). [kind] laat echter bijvoorbeeld bij rekenen ook opvallende vaardigheden zien, zoals inzicht in visuele opdrachten, terwijl hij het automatiseren van eenvoudige sommen onvoldoende beheerst. Verder valt op dat hij tijdens de onderzoeksituatie zich goed kan richten op de verschillende taken.

Voor een adequate interpretatie van deze onderzoeksresultaten is een brede band onderzoek vereist.

2.7. In een tabel is weergegeven of er sprake is van een leervoorsprong of leerachterstand, uitgedrukt in maanden. Met de doublure van [kind] is geen rekening gehouden.

(…)

DLE Voorsprong LRQ Achterstand

Lezen Zinnen 53 7 maanden 115% -

Lezen Woorden 60 14 maanden 130% -

Begr. Lezen 35 - 76% 11 maanden

Woordenschat 47 1 maand 102% -

Spelling 37 - 80% 9 maanden

Rekenen (inhoud./ cijf) 40 - 87% 6 maanden

Rekenen (AUT) 29 - 63% 17 maanden

Leerontwikkeling gemiddeld 40 - 87% 6 maanden

In de toelichting op die tabel staat:

Didactische Leeftijd (DL) is het aantal maanden genoten onderwijs. Een onderwijsjaar wordt gesteld op 10 maanden, dus DL 10. Didactische Leeftijds Equivalent (DLE) is een maat om de leervorderingen te kunnen meten. Bij een gunstig verlopen leerproces is de aanname, dat na 10 maanden onderwijs (dus DL 10) het aantal DLE's eveneens 10 zal bedragen. De leervorderingen kunnen worden uitgedrukt in percentages. Dit percentage noemen we Onderwijs Leerrendement Quotiënt (LRQ). In dit voorbeeld bedraagt het LRQ 100% (10: 10 = 1 = 100%. Van een leerling met een (boven) gemiddelde intelligentie wordt een LRQ verondersteld van 100% binnen een school (range van 1 standaarddeviatie), onder de voorwaarde van afwezigheid van stoornissen en een gemiddelde kwaliteit van het aangeboden onderwijs.

2.8. De Landelijke klachtencommissie voor het algemeen bijzonder onderwijs (hierna: de klachtencommissie) heeft klachten van onder meer mevrouw [eiseres sub 2](eiseres sub 2) gegrond bevonden met betrekking tot de communicatie van de school naar de ouders toe. Over de klacht met betrekking tot de begeleiding van [kind] overwoog de klachtencommissie:

De school is tekortgeschoten in het vastleggen van de ontwikkelingen van de leerling in rapportages, verslagen van gesprekken met ouders en het opstellen van handelingsplannen. De commissie is derhalve niet in staat om te oordelen in hoeverre de begeleiding aan [kind] tekort is geschoten.

2.9. In de schoolgids (versie 2003) staat – voor zover hier van belang – het volgende:

Jan van Rijckenborghscholen baseren zich op het ideële doel van het Lectorium Rosicrucianum. Zielengroei en bescherming van de openheid van het kind staan centraal. (…) In dit onderwijs wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsperioden van het stoflichaam, het ether- of levenslichaam, het astraal- of begeertelichaam. (…) Voor de harmonische ontwikkeling van het kind is een ononderbroken leerproces een voorwaarde. De kinderen krijgen leerstof aangeboden, aangepast aan ieders kunnen.

(…)

Samen met de ouders vormt de school een sfeer waarin een spontaan reageren van de kinderziel mogelijk is. Vanuit die gedachten staan de volgende vragen in ons onderwijs centraal:

“Wie ben ik?”

“Waar kom ik vandaan?”

“Waar ga ik naartoe?”

2. Het pedagogische klimaat

2.1 Algemeen

Rust en regelmaat zijn van het allergrootste belang bij de natuurlijke, ervaringsgerichte ontwikkeling van het kind. Er wordt veel aandacht besteed aan ieder kind en hulp geboden wanneer dit nodig is. (…) Binnen de Jan van Rijckenborghscholen heerst een kindvriendelijk werk- en leefklimaat. Het kind moet zich primair veilig voelen.

3. Het geschil

3.1. De ouders vorderen – samengevat en zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat de school tekort is geschoten in de nakoming van de onderwijsovereenkomst en/of onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de school jegens de ouders schadeplichtig is geworden alsmede – zo leest de rechtbank – veroordeling van de school tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, onder veroordeling van de de school in de proceskosten.

3.2. De school voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat het geschil ziet op de bijna 8 jaar onderwijs die [kind] heeft genoten op de Jan van Rijckenborghschool. Tussen partijen is in geschil of de school in die periode tekort is geschoten in haar verplichtingen tegenover [kind] en de ouders.

4.2. Het handelen van de school levert een tekortschieten of onrechtmatige daad op jegens de ouders, als de school in ernstige mate is tekortgeschoten in het leveren van de inspanningen die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht gelet op de concrete omstandigheden van het geval en de wettelijke verplichtingen zoals die in het schoolplan nader zijn geconcretiseerd. Daarbij gaat het erom of de school zich gehouden heeft aan de normen zoals gesteld in de Wet op het Primair Onderwijs (hierna: WPO) en meer in het bijzonder of de school [kind] heeft begeleid en opgeleid zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende school (leiding en onderwijspersoneel) mocht worden verwacht (Gerechtshof Arnhem, 13-06-2006, LJN: AY9107). Waar die beoordeling raakt aan de vrijheid van onderwijs, dient de rechtbank terughoudend te toetsen.

leerachterstand?

4.3. Met betrekking tot het bestaan en de omvang van de leerachterstand van [kind] (ten tijde van het verlaten van de school) overweegt de rechtbank als volgt. De ouders beroepen zich op het onderzoek door het IBOS (zie onder 2.6 en verder). De school voert aan dat iemand met NLD-achtige problematiek bij een dergelijke eenmalige test, afgenomen in een nieuwe, onbekende setting onder zijn of haar niveau zal presteren. De rechtbank overweegt dat als er al sprake is van een leerachterstand bij [kind] – wat niet vaststaat, omdat de school het onderzoek gemotiveerd betwist – dat daarmee niet gegeven is dat er dus ook sprake is van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad van de school jegens de ouders of [kind]. Het bestaan van een leerachterstand zegt immers op zichzelf niets over de oorzaak daarvan. Op dit punt hoeft de rechtbank derhalve slechts te beslissen als komt vast te staan dat de school jegens de ouders is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld.

verslaglegging

4.4. De ouders beroepen zich erop dat de school is tekortgeschoten in de – wettelijke – verplichtingen omtrent de vastlegging van de ontwikkeling van [kind] en de communicatie met de ouders. De ouders verzoeken de rechtbank daaraan (bewijsrechtelijke) gevolgen te verbinden.

4.5. Artikel 8 lid 6 WPO bepaalt dat scholen voorzien in een voortgangsregistratie omtrent de ontwikkeling van leerlingen die extra zorg behoeven en artikel 11 WPO bepaalt dat de school over de vorderingen van de leerlingen rapporteert aan hun ouders. De rechtbank stelt vast dat de ouders de school niet verwijten dat – bijvoorbeeld – bij correcte verslaglegging en rapportage de gestelde leerachterstand eerder zou zijn ontdekt. Uit het in deze procedure in het geding gebrachte leerlingendossier blijkt dat er contact is geweest tussen de school en de ouders en dat er regelmatig oudergesprekken zijn geweest, waarin onder andere de leerresultaten van [kind] werden besproken.

4.6. In de onderhavige procedure is – na de comparitie van partijen – door de school het volledige leerlingendossier van [kind] aan de ouders ter beschikking gesteld, zodat de ouders in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen aan te passen en te onderbouwen op basis van het leerlingendossier. Zij hebben dat gedaan, zonder nader toe te lichten op welke punten de verslaglegging tekort zou zijn geschoten. In dat licht bezien is de rechtbank ook van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat de school tekortgeschoten is op het punt van de verslaglegging en dat er geen reden is om af te wijken van de wettelijke bewijslastverdeling. Daarbij overweegt de rechtbank dat onduidelijk is of de klachtencommissie ook over het volledige leerlingendossier van [kind] beschikte.

kwaliteit onderwijs

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, rusten op de ouders de stelplicht en – indien daaraan is voldaan en de stellingen voldoende gemotiveerd worden betwist – de bewijslast van de toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad van de school jegens hen.

4.8. De school en de ouders samen hebben naar aanleiding van – met name – gedragsproblemen van [kind], thuis en op school, gereageerd door het laten verrichten van onderzoek. Op dat punt is de school niet tekort geschoten.

4.9. Het verwijt dat de ouders de school maken, is dat de concrete adviezen die de school kreeg, niet, althans niet voldoende, zijn uitgevoerd. Volgens de ouders komen de maatregelen uit het handelingsplan van juni 2004 volstrekt niet overeen met de adviezen van

[A]. Met het advies van de Praktijk Kinderneuropsychologie uit 2005 is niets gedaan. Het eerste behandelplan na dat advies dateert immers uit 2007, aldus de ouders.

4.10. De school voert daartegen aan dat naar aanleiding van het onderzoek door de remedial teacher en de leerkracht van [kind] met de ouders besproken is welke adviezen er uitgevoerd zouden gaan worden:

­ een aparte en overzichtelijke werkplek voor [kind]

­ verbale ondersteuning van lessen en instructie, individuele verbale instructie voor [kind] na de groepsinstructie

­ aangepaste werk- en invulbladen, met weinig prikkels

­ visueel aangeboden lesstof wordt ondersteund met verbale informatie

­ nieuwe informatie wordt aangeboden in kleine stappen

­ zoveel mogelijk directe feedback op gedrag

en zijn die adviezen uitgevoerd.

4.11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit een gespreksverslag van 16 februari 2004 blijkt inderdaad dat er dergelijke afspraken zijn gemaakt. Deze bespreking heeft – kennelijk – kort voorafgaand aan het opstellen van het verslag van [A] plaatsgevonden, maar niet is gebleken dat in het licht van dat verslag de school had moeten terugkomen op deze afspraken.

4.12. De ouders klagen ook dat het handelingsplan van 1 juni 2004 (zie 2.3) niet strookt met het advies van [A], omdat [kind] juist geen zelfstandigheid maar structuur nodig had, volgens de ouders. De rechtbank overweegt dat het iedere keer maken van afspraken met [kind] hem ook structuur biedt, in die zin dat duidelijk voor hem wordt wat er van hem verwacht wordt, terwijl hij zelf daarvoor (mede-)verantwoordelijk wordt.

Ook het handelingsplan rekenen van november 2004, waarin ondermeer bijles (RT, dat wil zeggen Remedial Teaching) is opgenomen, is in lijn met het verslag van [A]. Door de school is in januari 2009 begonnen met invoering van het Taakspel, voor alle leerlingen, maar ook gericht op het ondervangen van de verhoogde afleidbaarheid van [kind].

4.13. De adviezen van [A] en de Praktijkgroep Kinderpsychologie overlappen elkaar voor een groot deel, zodat de rechtbank de ouders niet volgt voor zover zij stellen dat de school niets heeft gedaan met het rapport van Praktijkgroep Kinderpsychologie en reeds daarom tekortgeschoten is. De adviezen zijn gedeeltelijk in relatief algemene termen opgesteld (“strakke strenge hand”, “duidelijke regels en inkadering”) of lenen zich niet zonder meer voor toepassing in groepsonderwijs (“maximale structuur”, “1-op-1 … individuele aansturing”). Waar de adviezen wel concreet zijn (“een rustige, eigen werkplek”, “verbale uitleg”), kan van de ouders ook gevergd worden dat zij concreet stellen en onderbouwen welke van die adviezen niet zijn uitgevoerd. Zij kunnen er niet mee volstaan te stellen dat niet gebleken is dat de school op voldoende manier uitvoering heeft gegeven aan de handreikingen die bij de rapporten zijn gegeven. Voor toewijzing van de vordering van de ouders is immers vereist dat blijkt, in die zin dat voldoende aannemelijk wordt, dat de school de concrete adviezen niet (of niet juist) heeft geïmplementeerd. Daartegenover stelt de school dat [kind] een eigen overzichtelijke werkplek heeft gekregen: “zijn kantoor” en dat hij veel individuele, verbale instructies heeft gekregen. In het licht van deze gemotiveerde betwisting, is door de ouders onvoldoende gesteld om te oordelen dat de school op dit punt een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.14. Duidelijk is dat de ouders en de school van mening verschillen over de mate waarin [kind] structuur geboden moest worden. Uit de schoolgids blijkt dat de school het belang van rust en regelmaat onderschrijft, maar ook dat die rust en regelmaat in een kader van spontaniteit en kindvriendelijkheid wordt geplaatst. De ouders voeren, onder verwijzing naar de verschillende onderzoeken, aan dat voor [kind] een schoolklimaat met meer nadruk op structuur en orde beter zou zijn geweest. De opvatting van de school raakt echter aan de vrijheid van onderwijs, zodat de rechtbank zich hier terughoudend dient op te stellen. De rechtbank overweegt dat tussen de ouders en de school in dat verband is gesproken over de vraag of de school het juiste onderwijsklimaat voor een kind als [kind] kon bieden. Als het juist is (hetgeen de school overigens betwist) dat de school zonder enig voorbehoud heeft meegedeeld dat deze school juist was voor [kind], dan kan – achteraf – worden getwijfeld of een dergelijke mededeling juist is geweest. De rechtbank is echter van oordeel dat zelfs als een dergelijke (en veronderstellenderwijs: onjuiste) mededeling is gedaan, dat daarmee de school nog niet in ernstige mate tekortgeschoten is in het leveren van de inspanningen die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht gelet op de concrete omstandigheden van het geval.

4.15. Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat door de ouders onvoldoende concreet is gemaakt dat de school in ernstige mate is tekortgeschoten in het onderwijs van [kind] of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee ligt de vordering om voor recht te verklaren dat de school gehouden is tot schadevergoeding voor afwijzing gereed.

4.16. De ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de school worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat € 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.924,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de ouders in de proceskosten, aan de zijde van de school tot op heden begroot op € 1.924,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.?