Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4829

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
13-710028-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen, ongeloofwaardige verklaring van verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710028-12 (Promis)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1984],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

1.1. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2012.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Voorhuis en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.F.J. Smeets, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode vanaf 22 december 2011 tot en met 07 maart 2012, te Amsterdam en/of Den Haag en/of Badhoevedorp en/of Wageningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) EUR 652.785,-- en/of EUR 4.000,-- en/of EUR 1.560,-- en/of EUR 10.000,-- en/of een (of meer) ander(e) gro(o)t(e) geldbedrag(en) en/of voorwerp(en), (heeft) verworven en/of voorhanden (heeft) gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (artikel 47, 420ter/bis van het Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair: hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode vanaf 22 december 2011 tot en met 07 maart 2012, te Amsterdam en/of Den Haag en/of Badhoevedorp en/of Wageningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) EUR 652.785,-- en/of EUR 4.000,-- en/of EUR 1.560,-- en/of EUR 10.000,-- of een (of meer) ander(e) gro(o)t(e) geldbedrag(en) en/of voorwerp(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (artikel 47, 420quater van het Wetboek van Strafrecht);

2. hij op of omstreeks 07 maart 2012 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II en/of III, te weten een revolver van het merk H&R Arms co. Worcester Mass en/of munitie van categorie II en/of III, te weten een of meer patronen van het kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad (artikel 26 lid 1 juncto 55 van de Wet wapens en munitie juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht).

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Inleiding

Op 26 oktober 2011 start de regiopolitie Amsterdam-Amstelland onder de naam [onderzoek A] een opsporingsonderzoek naar witwassen van criminele gelden door middel van ondergronds bankieren. Tijdens het onderzoek komen verscheidene verdachten in beeld die betrokken waren bij geldtransacties die verband hielden met ondergronds bankieren. Een van de verdachten die wordt aangehouden naar aanleiding van een aantal door hem uitgevoerde betalingen is [A]. Uit het onderzoek blijkt dat hij contact had met [B]. Uit hun gesprekken ontstaat het vermoeden dat [A] gebruikt wordt door [B] voor het doen van betalingen in het kader van ondergronds bankieren. Naar aanleiding van deze bevindingen wordt op 21 december 2011 een afzonderlijk onderzoek gestart naar [B] onder de naam [onderzoek B]. In dit onderzoek wordt de telefoon van [B] getapt. Van 31 december 2011 tot en met 2 januari 2012 voeren [B] en [A] een aantal telefoongesprekken. De inhoud van een aantal van die gesprekken staat hieronder kort weergegeven. Op laatstgenoemde datum wordt [A] geobserveerd. Tijdens die observatie komt ook verdachte in beeld.

4.2 Feiten en omstandighedeni

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

4.2.1. Op 31 december 2011 belt [B] naar [A] en zegt dat hij morgen na twee uur wil komen. Hij zegt ook dat alles in Dubai is ontvangen. De volgende dag om 14.15 uur belt [A] naar [B] en vraagt hem wanneer hij komt. [B] antwoordt dat hij onderweg is. Om 15.03 uur wordt [B] opnieuw gebeld door [A] die vraagt waar hij is. [B] antwoordt: "Ja, bij de groentewinkel links, ja, ik kom, oké?" [A] antwoordt: "Bij de groentewinkel, toch?" waarop [B] zegt: "Ja en dan links." 's Avonds om 19.42 uur belt [A] naar [B] en zegt dat er 140 tekort is. [B] zegt dat het geen probleem is en dat hij morgen omstreeks 11 uur komt.ii

Op 2 januari 2012 om 09.26 uur belt [A] naar [B] en zegt dat hij de zes nul heeft. Hij vraagt of [B] hem straks ook deze twee kan brengen. [B] geeft als antwoord dat hij het regelt en [A] vraagt hem of hij straks komt, waarop [B] bevestigend antwoordt. [A] vraagt of [B] het hem een half uur ervoor wil laten weten. [B] zegt dan dat hij het hem zegt. Om 10.33 uur belt [B] naar [A] en zegt: "Half uur, ik kom niet, oké? Het is ... alleen mijn vriend, hij komt en geeft het aan je." [A] zegt dat het geen probleem is. [B] zegt tegen [A] dat hij het moet bevestigen als hij hem ziet. Even later zegt [A]: "Niet linkerkant zoals gisteren." waarop [B] zegt: "Ja, ja, ja, ik zal hem zeggen zelfde daar ... ja?" [A] zegt dan: "Oké, half uur, hè?" [B] zegt: "Ik zal je bellen als hij er is, hij zal het mij zeggen dan zal ik ... dan ga jij, ja?" [A] antwoordt ten slotte dat het goed is. Om 11.01 uur belt [B] naar [A] en zegt dat de vriend er al is. [B] vraagt of hij het alsjeblieft vandaag ook kan zeggen tegen [C]'s kant. Een paar minuten later belt [B] opnieuw naar [A] en zegt dat het hem spijt. Hij zegt: "Hij is op de andere locatie om te ontvangen, ik heb het verkeerd begrepen. Ik zeg het je als hij daar bij je is ..." Een kwartier later belt [B] weer naar [A] en zegt: "Ja, hij is er..." [A] zegt dan dat hij er over tien minuten is. Om 11.28 uur belt [B] opnieuw naar [A] en zegt: "Heb je hem gezien?" [A] antwoordt ontkennend en zegt dat hij er over vijf minuten is.iii

Op 2 januari 2012 om 11.37 uur stapt [A] op de [C straat] te Amsterdam ter hoogte van de [D straat] uit een Volkswagen Golf. Hij loopt over de [C straat] in de richting van de [E straat]. Om 11.38 uur heeft hij op de [C straat] ter hoogte van de [F straat] een ontmoeting met twee mannen.iv Een van die twee mannen is verdachte.v [A] wordt door verdachte en de andere man aangesproken en schudt hun de hand. Hierop lopen zij al pratend naar een Landrover en stappen in. Verdachte gaat op de passagiersstoel zitten, [A] op de achterbank en de andere man neemt plaats achter het stuur. De Landrover rijdt weg in de richting van de [A straat] en slaat vervolgens rechtsaf de [A straat] in, rijdt door de [A straat] heen en parkeert ter hoogte van de [B straat]. Verdachte en [A] stappen uit en verdachte opent de achterklep van de Landrover en pakt een donkerblauwe papieren tas, zoals die veelvuldig bij modewinkels wordt gebruikt, en geeft die aan [A]. Laatstgenoemde pakt zonder in de tas te kijken de tas aan en loopt over de [A straat] terug in de richting van de [C straat]. Verdachte en de andere man rijden in de Landrover over de [A straat] richting de [C straat]. [A] loopt linksaf de [G straat] in en slaat daar rechtsaf de [H straat] in, waar zich een portiek bevindt dat toegang geeft tot perceel [A straat] [nr.]. Ondertussen parkeert de Landrover in de [C straat] en stapt verdachte uit om vervolgens in de Mercedes met het kenteken [kenteken] te stappen waarop de Mercedes en de Landrover wegrijden.vi

Op 2 januari 2012 rond 12.05 uur belt de politie bij perceel [A straat] [nr.] te Amsterdam aan, maar daarop wordt niet gereageerd.vii Rond die tijd belt [A] naar ene [D] en zegt dat 'mama' is gekomen. [D] vraagt of 'mama' is gekomen waarop [A] zegt dat zij aan de deur zijn. [D] zegt dan: "O Allah, Allah, Allah, bij jou voor de deur?" [D] zegt: "Je weet er niets van. O Allah, waar moet het geld naartoe? Ik ben ver. Kun je ook niet in ... gooien? Shit. Je moet zo blijven zitten. Je kunt zo doen, kan je in keuken ...openen?" [A] antwoordt hierop dat het niet kan en dat ze de deur afbreken.viii

Kort daarna houdt de politie in de woning [A straat] [nr.] [A] aan. Hij verklaart desgevraagd dat er geld in de woning aanwezig is, onder meer in een tas achter de bank. Hierop wordt de situatie bevroren en vindt uiteindelijk een doorzoeking plaats waarbij achter de bank een donkerblauwe tas wordt aangetroffen met daarin in totaal 199.980 euro.ix Het betreft een Ralph Lauren-tas.x

Na 2 januari 2012 komt verdachte nog een aantal maal in beeld als hij tijdens de observatie van [B] samen met hem wordt gezien.

4.2.2. Op 7 maart 2012 wordt verdachte in de woning [I straat] [nr.] te [plaats] aangehoudenxi en vindt in die woning een doorzoeking plaats waarbij een tas wordt aangetroffen met daarin drie persoonsdocumenten op naam van verdachte, 28 biljetten van 20 euro en 2 biljetten van 500 euro (totaal 1.560 euro).xii Het geld in deze tas is van verdachte.xiii

4.2.3. Enige tijd voor zijn aanhouding heeft verdachte de Mercedes met kenteken [kenteken] geparkeerd op het parkeerterrein van het perceel [I straat] [nr.] te [plaats].xiv Na zijn aanhouding wordt deze Mercedes doorzocht.xv Op de achterbank wordt een rode plastic tas met daarin 500 biljetten van 20 euro (in totaal 10.000 euro) gevonden. De biljetten zijn per 100 gebundeld met elastiek en vormen samen één grote bundel.xvi De Mercedes wordt door verdachte gebruikt en het geld dat daarin is aangetroffen, is van verdachte.xvii

4.3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezen verklaring van medeplegen van gewoontewitwassen van 199.980 euro (als gedeelte van de 652.785 euro die op 2 januari 2012 is aangetroffen in de woning [E straat] [nr.] te [plaats]), 1.560 euro en 10.000 euro (die op 7 maart 2012 in [plaats] is aangetroffen) zoals onder 1 primair is ten laste gelegd en gevorderd dat verdachte van het (gewoonte)witwassen van 4.000 euro zoals onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd en het voorhanden hebben van een revolver zoals onder 2 aan hem is ten laste gelegd, zal worden vrijgesproken.

4.4. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en kort gezegd het volgende aangevoerd.

4.4.1. Verdachte heeft zich niet ingelaten met witwassen. Er is welgeteld één observatie (2 januari 2012) waarbij verdachte geobserveerd zou zijn met een tas, waarin later geld is aangetroffen. De overige observaties zijn niet in verband te brengen met witwassen, er zijn geen taps waar verdachte aan deelneemt, die gaan over witwassen en uit niets kan blijken dat verdachte zich met witwassen heeft ingelaten. Uit niets in het dossier kan volgen dat verdachte op 2 januari 2012 wist dat hij geld moest afgeven, laat staan dat hij verder bij enige vorm van 'onderwereldbankieren' of 'Hawala-bankieren' betrokken was. Van wetenschap bij verdachte daaromtrent kan uit het dossier niet blijken. Er is bijvoorbeeld niet geobserveerd dat verdachte in de tas heeft gekeken of dat het geld in de tas duidelijk zichtbaar was toen verdachte de tas vervoerde. De tas is pas later, in de woning van [A] aangetroffen. Onduidelijk is wat in de tijd tussen het afleveren door verdachte en het aantreffen van de tas door de politie met de tas is gebeurd. Als verdachte niet in de tas heeft gekeken, of zich in de tas bijvoorbeeld (ook) andere zaken zoals kleding bevonden, is niet zonder meer begrijpelijk waarom verdachte zou moeten hebben geweten dat hij bij het witwassen van een geldbedrag betrokken was. In ieder geval levert dit een niet op voorhand onaannemelijke verklaring op die niet in strijd is met de bewijsmiddelen, maar wel onverenigbaar zou zijn met een veroordeling voor witwassen (vergelijk: HR 1 februari 1972, NJ 1974, 450).

Het Openbaar Ministerie heeft geprobeerd duidelijk te maken dat deze gesprekken bevestigen dat het geld dat bij verdachte is aangetroffen, dan wel dat hij afgeleverd zou hebben, van misdrijf afkomstig is. De vraag is echter hoe? Immers kan van daadwerkelijke drugstransacties uit het dossier niets blijken. Wanneer de politie bij [A] aan de deur staat, begint deze meteen te bellen. Dat zou volgens het Openbaar Ministerie indicatief zijn voor een nauwe samenwerking en meer dan slechts 'schuldwitwassen'. Belangrijk is echter op te merken dat [A] met [D] belt. Dat [D] en [A] onderwereldbankiers zijn, wil de verdediging nog best aannemen, maar waarom dit belastend voor verdachte zou zijn, ontgaat haar. Ieder verband tussen verdachte en [D] ontbreekt. Met andere woorden: verdachte komt in dit verband opnieuw in het geheel niet in beeld. De andere observaties en afgeluisterde gesprekken waaraan verdachte deelneemt gaan, zoals gezegd, evident niet over witwassen. Blijkens het proces-verbaal plaatst ook de politie deze gesprekken in het kader van de mogelijke handel in verdovende middelen en niet in het kader van witwassen.

De 1.560 euro die bij fouillering van verdachte is aangetroffen, betreft in feite een relatief klein bedrag dat op zichzelf geen indicatie voor witwassen meebrengt. Andere aanwijzingen dat het om uit misdrijf afkomstig geld gaat, zijn er niet. Daarnaast heeft verdachte een logische verklaring voor dit bedrag. Hij zou op reis gaan naar Marokko en het is gebruikelijk voorafgaand aan zo'n reis wat cash op zak te hebben. In Marokko bevindt zich niet op iedere straathoek een pinautomaat.

Ten aanzien van de 10.000 euro die in de Mercedes is aangetroffen, verwijst de verdediging opnieuw naar de reis naar Marokko die verdachte zou maken. Het is niet ongebruikelijk dat euro's Marokko ingevoerd worden. Iedereen die de Europese Unie in- of uitreist mag maximaal 10.000 euro aan contanten meevoeren, exact het bedrag dat verdachte, die op het punt stond naar Marokko te reizen, bij zich had. Het valt moeilijk te begrijpen waarom verdachte precies dit bedrag mag uitvoeren, maar vervolgens wel wegens witwassen van dat bedrag veroordeeld zou worden.

Het OM heeft er een punt van gemaakt dat verdachte niet over zulke bedragen zou moeten kunnen beschikken nu hij geen werk had. Verdachte had echter lange tijd wel werk en heeft daarmee aardig kunnen sparen. Omdat hij bij zijn ouders woonde, had hij slechts zeer beperkte kosten voor zijn dagelijkse levensonderhoud zodat veel van zijn salaris gespaard kon worden. Ook is het een goed gebruik dat familieleden geld meegeven om in Marokko zaken te regelen zoals het betalen van de doktersrekening van een ziek familielid en financieren van bouwprojecten voor de oude dag.

4.4.2. Ten aanzien van het vuurwapenbezit geldt dat uit het dossier volgt dat het vuurwapen toebehoort aan een onbekend gebleven persoon en niet aan verdachte. Er zijn geen vingerafdrukken van verdachte aangetroffen en evenmin DNA-sporen. Het is kortom duidelijk dat het vuurwapen niet van verdachte was en er zijn geen aanwijzingen dat hij van de aanwezigheid van het vuurwapen op de hoogte was of moest zijn.

4.5. Het oordeel van de rechtbank

4.5.1. Ten aanzien van het witwassen van 199.980 euro.

4.5.1.1. Uit de inhoud van de afgeluisterde gesprekken tussen [B] en [A] op 1 en 2 januari 2012, in combinatie met de inhoud van het proces-verbaal betreffende de observatie van [A], verdachte en een derde onbekend gebleven persoon op 2 januari 2012 in Amsterdam, waarbij is gezien dat verdachte een donkerblauwe tas aan [A] heeft gegeven en de kort daarop volgende doorzoeking van de woning van [A], waarbij een tas met geld is aangetroffen met daarin 199.980 euro die sterke gelijkenis vertoont met de tas die bij de observatie is gezien, volgt dat boven redelijke twijfel is verheven dat verdachte op 2 januari 2012 te Amsterdam namens [B] 199.980 euro heeft afgeleverd aan [A] en aldus dit bedrag die dag daar samen met anderen voorhanden heeft gehad.

4.5.1.2. Gelet op de inhoud van de gesprekken die [A] en [B], die in het verleden is veroordeeld voor de handel in cocaïne,xviii voorafgaand aan de levering van de 199.980 euro hebben gevoerd waarin beiden versluierde taal bezigen, de omstandigheid dat de overdracht van het geld op straat heeft plaatsgevonden en [A] het geld heeft aangenomen zonder in de tas te kijken en zonder het geld te tellen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het vervoeren van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico's. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat het om crimineel geld gaat door de inhoud van het telefoongesprek dat [A] heeft gevoerd toen hij kort na de levering van de tas met geld weer thuis was en merkte dat de politie voor zijn deur stond. De rechtbank ziet niet in waarom op zo'n panische manier moet worden gereageerd als kan worden aangetoond dat sprake is van legaal verkregen geld. Aan de overtuiging draagt ook bij dat niet is gebleken dat na de aanhouding van [A] en het aantreffen van het geld in zijn woning iemand het geld is komen opeisen.

4.5.1.3. De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte wist dat er (van misdrijf afkomstig) geld in de tas zat die hij heeft afgegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat hij slechts een tas heeft afgegeven en dat hij alleen maar in een flits had gezien dat er kleding in de tas zat, maar dat hij niet wist dat er (ook) geld in zat. Verdachte heeft naar aanleiding van vragen hieromtrent het volgende daarover verklaard. Hij had de tas enkele dagen voor de aflevering gekregen toen hij toevallig in Den Haag was en daar [B] was tegengekomen. [B] had hem gevraagd of hij de tas wilde afgeven aan [A] die op [locatie] nabij een groentewinkel woont. Op 2 januari 2012 had hij [B] gepingd dat hij naar Amsterdam zou gaan en dan wel de tas kon afleveren, aldus verdachte.

4.5.1.4. Uit de observatie blijkt dat verdachte niet alleen maar even een tas heeft afgegeven, maar dat hij en [A] bij de overdracht van de tas buitengewoon omslachtig en geheimzinnig te werk zijn gegaan. Uit de telefoongesprekken die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de levering van de tas komt naar voren dat de levering van de bijna 200.000 euro pas op de dag van de levering zelf is afgesproken en de aflevering niet, zoals verdachte eerst ter zitting heeft verklaard, al enkele dagen eerder aan de orde is gekomen, zodat verdachte toen al aan [B] had kunnen zeggen dat hij naar Amsterdam zou gaan en dan de tas wel zou kunnen afleveren. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte, die heeft verklaard een niet afsluitbare papieren tas al enkele dagen in zijn bezit te hebben, niet wist dat er geld in de tas zat, zodat de rechtbank aan de verklaring van verdachte geen waarde hecht en daar dan ook aan voorbij gaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, onder meer gelet op de manier waarop hij het geld aan [A] heeft overhandigd, moet hebben geweten dat in de tas die hij heeft afgeleverd geld zat en ook dat dit geld van misdrijf afkomstig was.

4.5.2. Ten aanzien van het witwassen van 1.560 euro

4.5.2.1. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder zijn eigen verklaring, volgt dat verdachte op 7 maart 2012 te Den Haag 1.560 euro voorhanden heeft gehad.

4.5.2.2. Verdachte heeft verklaard, overigens pas nadat het opsporingsonderzoek was afgerond, dat de aangetroffen 1.560 euro uit zijn spaarpot kwam. Hij heeft verder verklaard dat dit geld reisgeld was dat hij nodig had om in Marokko, waar hij op 8 maart 2012 heen zou vliegen, samen met zijn tante te kunnen reizen.

4.5.2.3. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte ook op dit punt als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Verdachte beschikte al geruime tijd, zoals blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst, niet over inkomen en heeft ook geen spaargeld of bedragen op bankrekeningen opgegeven bij zijn belastingaangifte, in de tijd dat hij nog legaal inkomen had.xix De herkomst van het geld is mitsdien onduidelijk. Hoewel het niet ongebruikelijk of onverstandig is om op reis enig contant geld mee te nemen naar een land als Marokko, geldt dat wel voor een deel van de coupures (twee 500 eurobiljetten) die verdachte bij zich had. De rechtbank sluit niet uit dat van alle in omloop zijnde biljetten van 500 euro er ook biljetten tussen zitten die niet van misdrijf afkomstig zijn, maar gelet op de omstandigheden in deze zaak, in onderling verband en samenhang gezien, en de ongeloofwaardige verklaring van verdachte ten aanzien van de reden om naar Marokko te reizen zoals hierna uiteengezet wordt, kan het niet anders dan dat de biljetten van 500 euro die verdachte voorhanden had dat wel zijn.

4.5.3. Ten aanzien van het witwassen van 10.000 euro

4.5.3.1. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder zijn eigen verklaring, volgt dat verdachte op 7 maart 2012 te Den Haag 10.000 euro voorhanden heeft gehad.

4.5.3.2. Ten aanzien van de 10.000 euro die in de door hem gebruikte Mercedes lag, heeft verdachte ter terechtzitting, kort gezegd, verklaard dat dit bedrag was verzameld door 'de leden van zijn stam' voor zijn tante in Marokko. Het geld was bestemd om een rekening van een particuliere kliniek aldaar te voldoen voor een behandeling van de tante van verdachte in Marokko. Hij zou dat geld op 8 maart 2012 naar Marokko brengen. Ter staving van zijn verklaring heeft verdachte ter terechtzitting een brief overgelegd van de president van de Association Neckor (Centre Provincial d'Hemodialyse) in Al Hoceima (Marokko). In deze brief d.d. 9 maart 2012 met als onderwerp "Demande d'aide" staat het volgende: "Monsieur [[verdachte]], Permettez nous, avant, vous remercier de l'intérêt que vous portiez à notre Association responsable de la gestion d'un centre hémodialyse à Al-Hoceima depuis quinze ans et dont bénéficient plus de 120 patients actuels. Dans le cadre de l'amélioration des services de dite centre, notre besoin immédiat est l'acquisition des machines de dialyse. Dans l'attente d'une suite favorable à notre demande, veuillez accepeter monsieur [verdachte] nos sincères salutations. Ci-joint: une copie du devis du machine de dialyse (Générateur)" Als bijlage bij de fax zit een offerte van Médical 2000 sarl van 9 maart 2012 ter attentie van mr [verdachte] voor een "generateur d'hemodialyse nipro surdial 55 plus" voor 115.000 dirhams.

Kort gezegd behelst de brief van de Association Neckor niet meer dan dat verdachte wordt bedankt voor de interesse die hij in de vereniging heeft, dat het voor haar nodig is een dialysemachine aan te schaffen en ten slotte het verzoek of verdachte in afwachting van een positief vervolg op haar vraag de oprechte groeten wil accepteren, met als bijlage een offerte voor een dialysemachine.

4.5.3.3. Bij eerste lezing van de brief wordt onmiddellijk duidelijk dat het niet gaat om een rekening voor een opname (van verdachtes tante) in een ziekenhuis of kliniek, maar dat het een hulpvraag betreft van het dialysecentrum in Al Hoceima. De brief is geschreven na de aanhouding van verdachte op 7 maart 2012. De familieleden van verdachte zouden dus geld hebben ingezameld terwijl er nog geen hulpvraag bekend was. Bovendien vermeldt de brief het bankrekeningnummer van de kliniek. Het is ongeloofwaardig dat verdachte de 10.000 euro (met alle veiligheidsrisico's en bijkomende kosten, zoals die van het vliegticket van meer dan 1.000 euro, van dien) persoonlijk en in contanten naar Marokko moest brengen, terwijl hij daar naar eigen zeggen een paar dagen daarvoor nog was geweest, en het geld gewoon zonder enig risico en aanzienlijk goedkoper kon worden overgemaakt naar de rekening van het dialysecentrum.

4.5.3.4. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verklaring van verdachte ook op dit punt terzijde moet worden geschoven en dat gelet op de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, verdachte een ongeloofwaardige verklaring over de herkomst van het geld heeft afgelegd. Verdachte heeft geen concrete min of meer verifieerbare verklaring kunnen of willen geven ten aanzien van de herkomst van het geld die op voorhand niet als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt, zodat, mede gelet op de wijze waarop verdachte het geld bewaarde (in een plastic tas op de achterbank van zijn auto) en nu hij al geruime tijd geen regulier inkomen heeft zoals blijkt uit eerdergenoemde gegevens van de Belastingdienst, het niet anders kan dan dat ook dit geld van misdrijf afkomstig was.

Samenvattend acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 2 januari 2012 te Amsterdam 199.980 euro en op 7 maart 2012 10.000 euro en 1.560 euro heeft witgewassen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte binnen een tijdsbestek van iets meer dan twee maanden op twee verschillende data en plaatsen crimineel geld voorhanden heeft gehad en zich aldus meermalen heeft schuldig gemaakt aan witwassen, maar dat niet kan worden bewezen dat hij in de ten laste gelegde periode een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. De rechtbank zal verdachte daarom van deze gekwalificeerde vorm van witwassen vrijspreken, hetgeen voor de maximaal op te leggen straf overigens geen verschil maakt.

4.5.4. Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - niet bewezen wat onder 2 is ten laste gelegd. Uit het dossier blijkt dat het in de tenlastelegging genoemde wapen niet in een jas van verdachte is aangetroffen. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat voldaan is aan het vereiste van een - op het voorhanden hebben van dat wapen gerichte - bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en degene aan wie het wapen wordt toegeschreven noch dat verdachte er zich bewust van was dat het wapen in die jas zat. Verdachte zal van het hem onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode vanaf 22 december 2011 tot en met 7 maart 2012, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van 199.980 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf en dat verdachte op 7 maart 2012 te Den Haag geldbedragen van 1.560 euro en 10.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet een strafbaar feit op. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 primair bewezen geachte feit (gewoontewitwassen) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en dat het in beslag genomen geld wordt verbeurd verklaard.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair aangevoerd dat wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen de straf beperkt moet blijven en daarbij verwezen naar de uitspraken van de rechtbank Amsterdam, alsmede naar enkele andere, reeds eerder aangehaalde vonnissen en ten slotte opgemerkt dat verdachte een zogeheten first offender is.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.3. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door in totaal meer dan 200.000 euro dat van misdrijf afkomstig is, voorhanden te hebben. Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van dergelijk grote witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

8.3.4. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van negen maanden in beginsel passend en geboden is. Zij zal echter in plaats van drie maanden van deze straf verdachte veroordelen tot het verrichten van 180 uur onbetaalde arbeid aangezien het de eerste keer is dat verdachte strafrechtelijk wordt veroordeeld, en verdachte bovendien geen zinvolle dagbesteding heeft.

8.3.5. Onder verdachte zijn de volgende geldbedragen in beslag genomen: 10.000 euro, 4.000 euro en 1.560 euro. Met uitzondering van de 4.000 euro, ten aanzien waarvan de rechtbank zal beslissen dat deze moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, behoren deze geldbedragen aan verdachte toe. Nu met betrekking tot deze bedragen het onder 1 primair bewezen geachte is begaan, worden deze bedragen - als bijkomende straf - verbeurd verklaard.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen en witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Verklaart verbeurd: 11.560 euro (10.000 euro en 1.560 euro).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 4.000 euro.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. T.H. van Voorst Vader en R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia en H. Haulo, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juni 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Proces-verbaal gesprekken 20 december 2011 tot 2 januari 2012 + stemherkenning, pagina 2.0001 tot en met 2.00094, in het bijzonder pagina 2.0088 tot en met 2.0092.

iii Proces-verbaal van bevindingen gesprekken levering 1 en 2 januari 2012, pagina 2.0095 tot en met 2.0106.

iv Proces-verbaal van observeren van 2 januari 2012, pagina 4.0203 tot en met 4.0204.

v Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juni 2012.

vi Proces-verbaal van observeren van 2 januari 2012, pagina 4.0203 tot en met 4.0204.

vii Proces-verbaal aanleiding onderzoek [onderzoek B], pagina 1.0073 tot en met 1.00105, in het bijzonder pagina 1.0098.

viii Proces-verbaal van bevindingen gesprekken levering 1 en 2 januari 2012, pagina 2.0095 tot en met 2.0106.

ix Proces-verbaal van doorzoeking [E straat] [nr.] [plaats], pagina 2.0723 tot en met 2.0728.

x Proces-verbaal vindplaatsen geld, pagina 2.0731 tot en met 2.0749, in het bijzonder pagina 2.0744.

xi Proces-verbaal van aanhouding van verdachte, pagina 3.0002 tot en met 3.0003.

xii Proces-verbaal doorzoeking woning [I straat] [nr.], pagina 2.0296 tot en met 2.0299.

xiii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juni 2012.

xiv Proces-verbaal van observeren van 7 maart 2012, pagina 4.0191 tot en met 4.0198.

xv Proces-verbaal doorzoeking woning [I straat] [nr.], pagina 2.0296 tot en met 2.0299.

xvi Proces-verbaal van telling geld uit Mercedes [kenteken], pagina 2.0363 tot en met 2.0364.

xvii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juni 2012.

xviii Proces-verbaal detentie [B] Brazilië, pagina 7.0088 tot en met 7.0090.

xix Proces-verbaal van bevindingen Belastingdienst [verdachte], pagina 2.0543 tot en met 2.0544.