Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4748

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
13/708012-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, omdat hij heeft geprobeerd een persoon er toe aan te zetten een concurrent in de escortbranche te vermoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/708012-12 (Promis)

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [1960],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,

ter terechtzitting opgegeven adres [adres], [postcode plaats], thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Louman en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

dat hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 20 januari 2012 tot en met 8 februari 2012 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, door geweld en/of bedreiging en/of door misbruik van gezag en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen en/of giften en/of beloften [A] heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam, in ieder geval in Nederland) tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer], van het leven beroven;

immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, toen en daar:

- aan die [A] een foto getoond van die [slachtoffer] en/of

- aan die [A] het adres gegeven waarop die [slachtoffer]kantoor houdt en/of

- tegen die [A] verteld op welke wijze(n) hij ([A]) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [A] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en/of dat hij rustig naar binnen moest gaan en/of rustig spullen moest pakken en/of binnen 5 minuten moest wachten en/of rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en/of

- tegen die [A] gezegd dat hij een geluidsdemper moest hebben en/of gebruiken en/of

- een of meer (grote) geldbedragen (ongeveer 25.000 of 30.000 euro) en/of een of meer goederen in het vooruitzicht gesteld en/of laten stellen voor het plegen en/of laten plegen van de moord op die [slachtoffer] en/of - tegen die [A] gezegd dat het op een overval en/of een beroving moest lijken en/of

- tegen die [A] gezegd dat hij moest vluchten via de snelweg en/of de Coentunnel en/of Zaandam als het gebeurd is en/of dat die [A] aldaar in een hotel moet schuilhouden en/of

- tegen die [A] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft en/of

- tegenover die [A] heeft bevestigd dat hij, verdachte, die [slachtoffer] echt dood wilde hebben en/of

- tegen die [A] gezegd dat hij, verdachte, over een paar maanden nog een job voor die [A] heeft.

Kennelijke misslag

De rechtbank leest in de vijfde regel van het ten laste gelegde na de woorden "tezamen en in vereniging" de woorden "met een ander en/of anderen", nu sprake is van een kennelijke misslag. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is, zoals weergegeven in het door hem ter terechtzitting overgelegde requisitoir, van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Uit de videobeelden, het geluidsfragment en de verklaringen van de getuigen [A] (hierna: [A]), [B], [C], [D] (hierna: [D]) en [E] (hierna: [E]) blijkt dat verdachte op zoek was naar iemand om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) te vermoorden en dat hij ook daadwerkelijk aan [A] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer] te vermoorden. Verder blijkt uit het bewijs dat verdachte duidelijke aanwijzingen heeft gegeven met betrekking tot het slachtoffer en hoe de moord gepleegd zou moeten worden

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De raadsman van verdachte heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Verdachte en [A] hebben voorafgaand aan het gesprek dat op video is opgenomen, een (eerste) gesprek gehad. Over dit eerste gesprek heeft [A] niet willen verklaren en zonder de inhoud van dit eerste gesprek te weten, kan het tweede gesprek niet worden gewogen. Verder kan worden uitgesloten dat [A], gezien zijn zeer jonge leeftijd (18 jaar) en zijn persoonlijkheid, een persoon is die een huurmoord zou kunnen plegen. Gelet hierop is ten aanzien van de videobeelden het alternatieve scenario, inhoudende dat verdachte van meet af aan wist dat [A] niet serieus was en dat het [A] alleen om geld ging, aannemelijk. Verdachte wist ook dat als hij geen geld zou geven, er nooit iets zou gebeuren. De verklaring van [D] kan niet als steunbewijs worden gebruikt, aangezien haar betrouwbaarheid moeilijk te toetsen is en uit haar verklaring eveneens blijkt dat het verhaal niet serieus kan worden genomen. Ook het briefje dat verdachte aan [D] heeft meegegeven, ondersteunt het bewijs niet. Verdachte wilde immers niet dat [A] anders zou verklaren, maar slechts dat hij over het eerste gesprek zou vertellen nu [A] daar niet over heeft willen verklaren. Verdachte heeft dan ook altijd de greep op het gebeuren gehouden, omdat hij zeker wist dat als hij niets betaalde er niets zou plaatsvinden. Derhalve is de ten laste gelegde stadium nooit bereikt en dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.1

Op 23 januari 2012 heeft verdachte een eerste ontmoeting met [A]. Tijdens deze ontmoeting geeft verdachte aan [A] het adres van de website van [slachtoffer]. Op die website staat het adres van het kantoor van [slachtoffer], te weten [adres 1] te Amsterdam, vermeld. De volgende dag, op 24 januari 2012, gaat [A] naar het kantoor van verdachte aan de [adres 2] te Amsterdam en zegt tegen hem dat hij het gebouw heeft bekeken. Het gesprek dat verdachte op die dag met [A] heeft, is op video opgenomen en gaat over [slachtoffer].2 In dit gesprek legt verdachte [A] uit hoe hij het kantoor van [slachtoffer] binnen moet gaan. [A] dient achter het gebouw om te gaan en bij de kleine deuren aan te bellen. Vervolgens moet [A] met een meisje rustig naar binnen lopen en rustig spullen pakken. Verdachte vertelt [A] dat hij alle spullen mee moet nemen, omdat dan niet wordt gedacht dat het een hit betreft, maar een beroving. Voorts zegt verdachte dat [A], als hij binnen is, vijf minuten dient te wachten voordat hij weer rustig met het meisje naar buiten loopt. Op die manier heeft de portier er namelijk geen erg in. Ook zegt verdachte dat als het gebeurd is, [A] direct via de snelweg en door de Coentunnel naar Zaandam moet gaan. Daar kan [A] in een hotel uithangen. Verder deelt verdachte [A] mee dat hij een geluidsdemper moet hebben. Ook zegt verdachte: "kijk als er andere mensen bij zijn dan moeten die ook maar.". Daarop antwoordt [A]: "Is dubbel moord". [A] geeft verdachte te kennen dat vrienden van hem uit Polen zijn gekomen en dat het daarom beter is als verdachte het geld klaar heeft liggen. Zijn Poolse vrienden kunnen er dan namelijk direct weer vandoor gaan. Verdachte zegt echter dat hij pas morgen het geld heeft. Als vervolgens [A] verdachte laat weten dat het bedrag voor zijn vrienden te weinig is, zegt verdachte dat ze voor een klus als deze 25.000 à 30.000 - de rechtbank begrijpt: euro's - kunnen krijgen. Verdachte zegt in het laatste gedeelte van dit gesprek: "Dan bel je me vanuit een belhuis dat het is gebeurd" en "kan je vanavond niet even het bewijs geven (...) dan hoef je niets over de telefoon te doen (...) als het goed gaat heb ik volgende maand weer een klus voor je.".3 In het dossier bevindt zich vervolgens een uitgeschreven geluidsfragment dat begint met de door [A] gebezigde woorden: "Het is nog niet gebeurd.".4 Op 7 februari 2012 wordt verdachte aangehouden.5

Nadere overwegingen

Verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard. Verdachte was op zoek naar een chauffeur en is in contact gekomen met [A]. In het eerste gesprek dat ze met elkaar hebben gehad, heeft [A] te kennen gegeven dat hij een klusje wilde doen. Verdachte heeft [A] vervolgens meegedeeld dat hij een conflict had met [slachtoffer] en dat [A] naar [slachtoffer] toe zou kunnen gaan om te praten. Als [slachtoffer] dan niet zou willen ophouden, dan zou [A] hem bang mogen maken. [A] heeft toen voorgesteld om [slachtoffer] koud te maken, maar verdachte heeft [A] gezegd dat hij dat niet wilde. In het tweede gesprek, dat op video is opgenomen, heeft verdachte slechts meegespeeld met [A]. Hij was namelijk bang voor [A] en dacht dat als hij [A] geen geld zou betalen, [A] [slachtoffer] niets aan zou doen.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de videobeelden van het tweede gesprek dat tussen verdachte en [A] heeft plaatsgevonden, bekeken. In tegenstelling tot hetgeen verdachte heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat uit de wijze waarop het gesprek wordt gevoerd, de inhoud van het besprokene en de gedragingen (de lichaamstaal) van verdachte tijdens dit gesprek niet valt op te maken dat verdachte bang was voor [A] en daarom met hem meespeelde. Integendeel: op de beelden valt te zien dat verdachte achteroverleunend geheel op zijn gemak een boterham zat te eten terwijl verdachte in het gesprek het initiatief nam en in detail [A] op een gebiedende en zakelijke wijze heeft geïnstrueerd hoe hij de moord op [slachtoffer] moest uitvoeren. Het was dan ook een serieus gesprek tussen verdachte en [A].

[D] heeft verklaard dat verdachte eind 2011, begin 2012 erg kwaad was op [slachtoffer] en dat verdachte haar heeft gevraagd of zij een "hitman" kende. Diverse keren heeft verdachte haar gevraagd of zij niet iemand in het milieu kende die een klusje voor hem wilde opknappen tegen betaling.6 Nu zowel [E]7 als [F]8 hebben verklaard dat [D] door verdachte was benaderd om een moordenaar te zoeken en dus haar verklaring ondersteunen, acht de rechtbank de verklaring van [D] geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank dan ook af dat verdachte wel degelijk op zoek was naar een huurmoordenaar voor [slachtoffer]. Daarbij weegt in belangrijke mate mee dat verdachte met [slachtoffer] een oplopende ruzie had en in e-mailberichten forse dreigementen jegens [slachtoffer] heeft geuit.9 Voorts heeft verdachte bij de rechter-commissaris naar aanleiding van de ruzie met [slachtoffer] verklaard dat hij bij eerdere problemen het altijd heeft kunnen uitpraten met [slachtoffer], maar dat het hem nu een keer hoog zat en daarom met een jongen had gesproken zoals dat op de videobeelden te zien is.

Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte een zeer jonge en onervaren man, die hij kort te voren voor het eerst had ontmoet en als chauffeur in dienst wilde nemen, terstond de opdracht heeft gegeven om te bemiddelen in een flinke ruzie tussen hem en zijn grootste concurrent en deze, indien hij niet zou willen luisteren, bang mocht maken. Daarbij zou, indien dit de inhoud van het eerste gesprek zou zijn geweest, dit ook in het tweede gesprek ter sprake moeten zijn gekomen. Dat is echter niet het geval. Evenmin komt in het tweede gesprek aan de orde dat verdachte [A] als chauffeur in dienst wilde nemen. Verder weegt bij het toetsen van de geloofwaardigheid van het door verdachte geschetste alternatieve scenario in voor hem ongunstige zin mee, dat verdachte eerst ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij [A] zou hebben gevraagd te gaan praten met [slachtoffer] om voor verdachte te bemiddelen. Dit geldt ook voor de door verdachte eerst ter zitting afgelegde verklaring dat [A] zelf heeft voorgesteld om [slachtoffer] "koud te maken".

Bovendien heeft verdachte via [D] en haar zoon vanuit het Huis van Bewaring geprobeerd te bewerkstelligen dat [A] tegen betaling een aangepaste verklaring zou afleggen. Deze verklaring moest inhouden dat niet twee maar drie gesprekken hadden plaatsgevonden, dat verdachte wist dat hij werd opgenomen en dat het toneelspel was met als doel [G] misleiden.10 Dit komt niet overeen met het door verdachte ter terechtzitting geschetste alternatieve scenario. Gelet op het voorgaande in samenhang met het feit dat verdachte niet consistent heeft verklaard, acht de rechtbank het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk noch geloofwaardig.

Het vorenoverwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte in het tweede gesprek [A] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer] te vermoorden. Nu verdachte de bedoeling had en er kennelijk vanuit ging dat [A] deze opdracht na dit gesprek zou uitvoeren, was het ten laste gelegde feit op dat moment voltooid. Bepalend is dat verdachte in het tweede gesprek aan [A] vraagt of [A] hem die avond bewijs kan geven.11 Het derde gesprek, waarvan de rechtbank de geluidsopname ter terechtzitting heeft beluisterd, begint met de mededeling van [A] dat het nog niet is gebeurd.12 Het was dus de bedoeling dat de moord na het tweede gesprek zou worden gepleegd.

Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 20 januari 2012 tot en met 8 februari 2012 te Amsterdam door het verschaffen van inlichtingen en beloften heeft gepoogd [A] te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer], van het leven beroven;

immers heeft verdachte toen en daar:

- aan die [A] het adres gegeven waarop die [slachtoffer] kantoor houdt en

- aan die [A] verteld op welke wijze hij ([A]) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [A] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en dat hij rustig naar binnen moest gaan en rustig spullen moest pakken en binnen 5 minuten moest wachten en rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en

- tegen die [A] gezegd dat hij een geluidsdemper moest hebben en

- een geldbedrag (ongeveer 25.000 of 30.000 euro) in het vooruitzicht gesteld voor het plegen en/of laten plegen van de moord op die [slachtoffer] en

- tegen die [A] gezegd dat het op een beroving moest lijken en

- tegen die [A] gezegd dat hij moest vluchten via de snelweg en de Coentunnel en Zaandam als het gebeurd was en dat die [A] zich aldaar in een hotel moest schuilhouden en

- tegen die [A] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft en

- tegen die [A] gezegd dat hij, verdachte, nog een job voor die [A] heeft.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte [A] de opdracht heeft gegeven om tegen betaling zijn grootste concurrent [slachtoffer] te vermoorden. Daarmee heeft verdachte geprobeerd te bewerkstelligen dat [slachtoffer] zijn grootste goed, te weten zijn leven, zou worden ontnomen. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. Daarbij moet het voor [slachtoffer] zeer beangstigend zijn te weten dat zijn concurrent heeft geprobeerd hem te laten vermoorden.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het gesprek dat op video is opgenomen, met grote achteloosheid en buitengewoon kil en zakelijk spreekt over de wijze waarop de moord zou moeten worden gepleegd. Daarbij moet volgens verdachte niet worden geschroomd om eventuele getuigen die op dat moment aanwezig zijn, eveneens te vermoorden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte een zeer ernstig misdrijf heeft gepleegd en acht derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur geboden.

Nadat verdachte de opdracht tot de moord op [slachtoffer] heeft gegeven, komt [A] die avond onverwacht met de mededeling dat het nog niet gebeurd is. [A] deelt mee dat hij voor de aanschaf van een geluidsdemper een voorschot op de betaling wil, maar verdachte zegt dat hij dat niet zal doen. Uit het verdere verloop van het gesprek valt, naar het oordeel van de rechtbank, vervolgens af te leiden dat verdachte aan het einde van het gesprek er in sterke mate rekening mee hield dat [A] de moord niet meer zou plegen. Verdachte doet er immers niet alles aan om ervoor te zorgen dat [A] alsnog de opdracht zou uitvoeren. Hij betaalt [A] het voorschot niet en het gesprek eindigt zonder dat over het alsnog uitvoeren van de moord nadere afspraken worden gemaakt. Hoewel het bewezen verklaarde feit - de uitlokking - al was voltooid, houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met deze omstandigheid. Gezien het voorgaande en met inachtneming van het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen en beloften te bewegen om het misdrijf medeplegen van moord te begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [VERDACHTE], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A.M. van Oosten, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. H.D. Coumou en C.C.J. Tuip, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 augustus 2012.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in de dossiers.

2 Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 augustus 2012. Zaaksdossier 2, pagina 14 (proces-verbaal van bevindingen n.a.v. een mail van [mediabedrijf]). Zaaksdossier 2, pagina's 57 en 58 (proces-verbaal van bevindingen 2012-01-2400-26-42).

3 Zaaksdossier 2, pagina's 57 tot en met 60 (proces-verbaal van bevindingen 2012-01-2400-26-42).

4 Zaaksdossier 2, pagina 61 (proces-verbaal van bevindingen 2012034111).

5 Zaaksdossier 2, pagina 75 (proces-verbaal van aanhouding).

6 Zaaksdossier 2, pagina's 289 en 290 (verklaring van [D] d.d. 10 april 2012).

7 Zaaksdossier 1, pagina's 262 en 263 (verklaring van [E] d.d. 19 maart 2012).

8 Zaaksdossier 2, pagina's 297 en 298 (verklaring van [F] d.d. 11 april 2012)

9 Een geschrift, te weten een overzicht van e-mailberichten tussen de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] van 13 en 14 januari 2012, zaaksdossier 1 pagina's 74 tot en met 78. Een geschrift, te weten een overzicht van e-mailberichten tussen de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] van 18 en 19 januari 2012.

10 Zaaksdossier 2, pagina 300 (proces-verbaal van bevindingen document aanpassing verklaring). Zaaksdossier 2, pagina 291 (verklaring van [D] d.d.10 april 2012). Zaaksdossier 2, pagina's 293 en 294 (verklaring van [F] d.d. 11 april 2012).

11 Zaaksdossier 2, pagina 60 (proces-verbaal van bevindingen 2012-01-2400-26-42).

12 Zaaksdossier 2, pagina61 (proces-verbaal van bevindingen uitwerking tweede geluidsfragment audio CD [G]).

Parketnummer:13/708012-12

Inzake [verdachte]