Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4508

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
520316 / KG ZA 12-892 HB/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming contractuele verplichting; schuldeisersverzuim; conservatoir beslag; overdracht van informatie en domeinnamen.

Vordering over en weer tot nakoming van een contractuele verplichting; geen stilzwijgende verlenging van de managementovereenkoomst. Door uitlatingen van partijen kan worden afgeleid dat er instemming was met de zijdens gedaagde gewenste beëindiging van de overeenkomst en heeft gedaagde geen wanprestatie gepleegd door een overeenkomst te sluiten met een nieuwe manager.

Eiser vordert betaling van inkomsten uit optredens die reeds voor beëindiging van de managementovereenkomst waren geboekt en eveneens op de inkomsten voortvloeiend uit anderszins gedurende de looptijd van de overeenkomst gemaakte afspraken. De voorzieningenrechter acht voor volledige toewijzing hiervan nader onderzoek noodzakelijk (waarvoor kort geding procedure zich niet leent).

Geen opheffing van conservatoir beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 520316 / KG ZA 12-892 HB/JWR

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2012

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA DR. MEDIA VOF,

gevestigd te Amsterdam,

2. [A],

wonende te [plaats],

3. [B],

wonende te [plaats],

eisers in conventie bij dagvaarding van 2 juli 2012,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

tegen

[C],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.P.J. Ribbert te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Dr. Media en [C] genoemd worden.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 30 juli 2012 heeft Dr. Media gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [C] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen en in reconventie gevorderd overeenkomstig de eveneens aan dit vonnis gehechte akte. Dr. Media heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd en producties in het geding gebracht.

Ter zitting waren onder meer aanwezig:

- namens Dr. Media: [A] en [B], bijgestaan door

mr. Moszkowicz;

- [C], bijgestaan door mr. Ribbert.

Na verder debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Op 15 juli 2009 is tussen [C] en Dr. Media een overeenkomst tot stand gekomen (hierna ook: de managementovereenkomst). Deze overeenkomst hield, kort gezegd in, dat Dr. Media als manager zou optreden van [C], ten behoeve van diens carrière als zanger.

2.2. De managementovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

“2.2 Door ondertekening van de Overeenkomst wordt de Manager [=Dr. Media; vzr] volledig gemachtigd om namens de Artiest [=[C]; vzr](…)

? Het registreren van domeinnamen (…)

2.9 De Manager verzorgt een deugdelijke en nauwkeurige administratie ten behoeve van de Artiest. De Artiest kan de administratie te allen tijde zelf (doen) controleren en de Manager zal daarnaast jaarlijks volledige verantwoording afleggen aan de Artiest van het door de Manager gevoerde financiële beheer.

(…)

7. Vergoeding Management

Als vergoeding voor haar werkzaamheden ontvangt de Manager gedurende de looptijd van de Overeenkomst, 25% van de aan de Artiest toekomende wereldwijde bruto-inkomsten ontvangen door het Manager, door de Artiest of door derden namens de Artiest, derhalve onder meer:

? alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met artiestenovereenkomsten, eventuele aan Artiest verstrekte voorschotten daaronder begrepen;

? alle bruto inkomsten voortvloeiend uit door Artiest verrichte optredens;

? alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met merchandise- reclame en sponsorovereenkomsten;

? alle inkomsten uit licentieovereenkomsten gesloten met derden tijdens de looptijd van de Overeenkomst voor wat betreft enig intellectueel eigendomsrecht, zoals de exploitatie van de portretrechten en/of merkenrechten van de Artiest;

? alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdende met de websites van de Artiest;

? alle inkomsten welke de Artiest als auteur, uitvoerend kunstenaar of muziekuitgever ontvangt ter zake van de exploitatie van diens werken/uitvoeringen die tijdens de duur van de Overeenkomst zijn vervaardigd of onder de werking van de Overeenkomst vallen, al dan niet te ontvangen van een collectieve rechtenorganisatie (Buma/Sterma, Norma, Sena e.d.);

? Alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met welke overeenkomst dan ook met welke derde dan ook voorzover dit de activiteit van Artiest als artiest betreffen en door bemiddeling van de Manager zijn tot stand gebracht

(…)

9. Duur overeenkomst

9.1 De Overeenkomst treedt in werking bij ondertekening en is aangegaan voor een periode van 2 jaar.

9.2 Na de in 9.1. genoemde periode zal de overeenkomst stilzwijgend overgaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

10. Beëindiging

10.1 De Overeenkomst kan met uitzondering van het eerste en het tweede

jaar, ten allen tijde door beide partijen bij aangetekend schrijven worden opgezegd, met in achtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.

10.2 Bij opzegging van de Overeenkomst door de Artiest, dient de Artiest

een bedrag ten behoeve van de door de Manager opgebouwde goodwill te worden betaald door de Artiest, welk bedrag in onderling overleg, dan wel door de rechter zal worden vastgesteld.

10.3 Als een door bemiddeling van de Manager tijdens de looptijd van de

Overeenkomst totstandgekomen optreden na beëindiging van de Overeenkomst plaatsvindt, verplicht de Artiest zicht hiervoor de onder bepaling 7 genoemde vergoeding aan de Manager te betalen.

10.4 Als ondertekening danwel uitvoering van een overeenkomst, waarvan

de Manager de onderhandelingen geïnitieerd heeft dan wel (deels) gevoerd heeft, plaatsvindt na de beëindiging van de Overeenkomst verplicht Artiest zich hiervoor de onder bepaling 7 genoemde vergoeding aan de Manager te betalen.

10.5 Na beëindiging van de Overeenkomst zal de Manager alle goederen en

documenten die zij namens Artiest onder zich heeft direct aan Artiest afstaan.

10.6 Na beëindiging van de Overeenkomst zal de Manager ieder gebruik

van naam artiestennaam, portret etc. van Artiest e.e.a. als bedoeld in artikel 5.5 van de Overeenkomst met onmiddellijke ingang staken tenzij Partijen terzake t.z.t. andersluidende afspraken met elkaar maken.

(…)”

2.3. In een aangetekende brief van 24 december 2010 heeft [C] aan

Dr. Media bericht dat hij de samenwerking wil beëindigen. Vervolgens is er een correspondentie tussen partijen op gang gekomen, waarbij [C] op 18 februari 2011 heeft geschreven dat hij “het contract niet stilzwijgend wil verlengen zodra het afloopt”.

2.4. Op 17 maart 2011 heeft [C] een e-mail aan Dr. Media gezonden met onder meer de volgende inhoud:

“(…) Zoals je weet komt mijn eerste single begin april uit en loopt ons contract rond half 2011 af. (…) Nu wil ik met andere boekers gaan zitten om een planning te maken (…)”

Hierop is namens Dr. Media op 29 maart 2011 geantwoord

“(…) Het is geen probleem en zelfs goed dat je opzoek bent – ik denk dat vanaf je album de tijd sowieso rijp is om de overstap naar bijvoorbeeld een TopBillin’ te maken (…) ik gun je een zo goed mogelijke toekomst – weet ook dat je succesvol zal gaan worden en gun TopBillin als zakelijke partner ook een goede artiest.”

2.5. Op 4 juli 2011 heeft Dr. Media een persbericht uit doen gaan met onder meer de volgende inhoud:

“Sinds 1 juli j.l hebben wij als DR.MEDIA artist management in goed overleg de samenwerking met artiest [C] beëindigd.

(…)

Wij danken [C] voor de afgelopen periode en wensen hem superveel succes, geluk en hits toe in het vervolg van zijn carriere, iets dat ongetwijfeld goed gaat komen!”

2.6. Op 18 juni 2012 heeft Dr. Media ten laste van [C] conservatoir derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO.

3. Het geschil in conventie

3.1. Dr. Media vordert – samengevat –

1 [C] te bevelen om de financiële bescheiden met betrekking tot de in artikel 7 van de overeenkomst genoemde inkomsten over de boekjaren 2010, 2011 en 2012 over te leggen;

2 Primair

[C] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ex artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW) van € 65.000,-;

Subsidiair

[C] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de nakoming van de verplichtingen uit de managementovereenkomst van € 65.000,-;

3 [C] te veroordelen in de kosten van het conservatoir beslag;

4 [C] te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten.

3.2. Dr. Media stelt dat de managementovereenkomst (nog) niet rechtsgeldig is beëindigd, en dat [C], door een andere manager aan te trekken, in gebreke is met de nakoming ervan, reden waarom hij volgens Dr. Media schadeplichtig is. Verder geeft [C] geen inzicht in zijn inkomsten en kan Dr. Media daarom niet bepalen op welk bedrag zij recht heeft uit hoofde van de in artikel 7 van de managementovereenkomst genoemde vergoeding. Ingeval van beëindiging van de overeenkomst maakt Dr. Media aanspraak op vergoeding van de goodwill, als bedoeld in artikel 10.2.

3.3. [C] voert verweer. Volgens hem is de overeenkomst wel rechtsgeldig beëindigd. Van wanprestatie is daarom geen sprake, aldus [C]. Hij erkent dat Dr. Media recht heeft op een vergoeding ter grootte van een deel van zijn inkomsten, maar betwist dat het daarbij gaat om een bedrag van € 65.000,-. De vordering tot overlegging van financiële bescheiden acht hij ongerijmd nu volgens de managementovereenkomst Dr. Media verplicht is tot het verzorgen van zijn administratie.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [C] vordert – samengevat –

1. de opheffing van het op 18 juni 2012 gelegde beslag;

2. overlegging van een door een registeraccountant goedgekeurde verantwoording van het door Dr. Media gevoerde financiële beheer;

3. veroordeling van Dr. Media tot overdracht van de domeinnamen [domeinnaam 1] en [domeinnaam 2];

4. veroordeling van Dr. Media tot overdracht van de originele bescheiden ter zake de namens hem gesloten overeenkomsten;

5. aan de nakoming van de vorderingen 1-4 een dwangsom te verbinden;

6. Dr. Media te veroordelen in de proceskosten in reconventie.

4.2. [C] stelt dat hij bereid is Dr. Media hetgeen waarop zij volgens de overeenkomst recht heeft te betalen. Alle daarvoor benodigde gegevens zijn nog niet beschikbaar, maar in ieder geval zal het bedrag lager zijn dan € 65.000,-. Verder stelt hij dat Dr. Media niet bereid is tot de contractueel verplichte verantwoording van de voor hem verrichte administratie. Daarnaast vordert hij overdracht van de domeinnamen, welke naar zijn mening in strijd met de overeenkomst op naam van Dr. Media zijn geregistreerd. Aangezien de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd, is van wanprestatie geen sprake en is Dr. Media op grond van het bepaalde in artikel 10.5 van de overeenkomst gehouden tot afgifte van de bescheiden die zij namens hem onder zich heeft, aldus [C].

4.3. Dr. Media voert verweer. Volgens haar zijn niet alle stukken op grond waarvan zij de haar toekomende vergoeding vast kan stellen ter beschikking gesteld. Zij handhaaft haar geldvordering en is daarom van mening dat er geen reden is om het beslag op te heffen. Verder heeft zij naar haar mening reeds voldaan aan haar verplichting tot aflegging van rekening en verantwoording. De vordering tot overdracht van domeinnamen en originele bescheiden moeten volgens Dr. Media stranden op het feit dat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [C].

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze gezamenlijk behandelen.

5.2. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.3. Voor de beoordeling van de vorderingen is noodzakelijk dat de voorzieningenrechter zich een oordeel vormt over de vraag of de overeenkomst al dan niet op 15 juli 2011 is geëindigd.

5.4. Volgens Dr. Media volgt uit het feit dat in artikel 10.1 is bepaald dat de overeenkomst gedurende de eerste twee jaar niet opzegbaar is dat iedere voor 15 juli 2011 door [C] gepleegde opzeggingshandeling nietig is. De overeenkomst loopt derhalve naar de mening van Dr. Media nog steeds door.

5.5. [C] voert aan dat de overeenkomst is aangegaan voor een periode van twee jaar en dat hij tijdig tevoren heeft aangegeven dat hij deze niet wil verlengen. De overeenkomst is derhalve op 15 juli 2011 geëindigd, aldus [C].

5.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het beroep van Dr. Media op het bepaalde in artikel 10.1 van de Overeenkomst ongegrond. In artikel 9 is bepaald dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van twee jaar en dat deze na die periode “stilzwijgend” zal overgaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat ingeval [C] aangeeft dat hij de overeenkomst niet wenst te verlengen (zoals hij op 18 februari 2011 gedaan heeft, zie 2.3) deze alsdan niet “stilzwijgend” wordt voortgezet. Daar komt bij dat uit de uitlatingen van Dr. Media jegens [C] en naar derden toe, zoals weergegeven onder 2.4 en 2.5, kan worden afgeleid dat Dr. Media heeft ingestemd met de door [C] gewenste beëindiging. Deze beëindiging laat uiteraard onverlet dat partijen gehouden zijn tot nakoming van de gedurende de looptijd van de overeenkomst ontstane verplichtingen.

5.7. Deze verplichtingen liggen met name op het financiële vlak. Partijen hebben voor de vaststelling ervan over en weer behoefte aan nadere informatie. Dr. Media vordert afgifte van financiële bescheiden en [C] wenst dat Dr. Media verantwoording aflegt van het door haar gevoerde financiële beheer.

5.8. Na betekening van de dagvaarding heeft [C] een aantal stukken overgelegd. Dr. Media stelt dat deze overzichten deels onvolledig zijn en dat er daarnaast nog andere stukken zouden moeten zijn, welke zij evenwel niet nader heeft gespecificeerd. [C] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bezig is met het verzamelen van stukken maar dat deze nog niet allemaal beschikbaar zijn, aangezien door organisaties als BUMA/STEMRA veelal afrekening achteraf plaatsvindt.

5.9. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De vordering in conventie betreft nakoming van een in de overeenkomst vastgelegde verplichting. [C] betwist het bestaan van deze verplichting niet, maar zich beroept op de onmogelijkheid om thans alle benodigde stukken over te leggen.

5.10. De reconventionele vordering van [C] tot het doen afleggen door Dr. Media van verantwoording over het gevoerde financiële beheer betreft eveneens de nakoming van een in de overeenkomst vastgelegde verplichting, met dien verstande dat op grond van de overeenkomst geen goedkeuring van een registeraccountant is vereist. Nu een dergelijke verplichting niet in de overeenkomst is opgenomen en [C] heeft niet gemotiveerd waarom dit toch noodzakelijk moet worden geoordeeld is dat deel van de vordering niet toewijsbaar. Het ongemotiveerde verweer van Dr. Media dat zij al aan haar verplichting tot het afleggen van verantwoording heeft voldaan en geen stukken meer bezit, wordt, mede gezien het feit dat Dr. Media blijkbaar nog steeds inzage heeft in de zakelijke rekening van [C], verworpen.

5.11. Nu het over en weer gaat om de nakoming van een contractuele verplichting zijn de vorderingen, met inachtneming van het voorgaande, toewijsbaar. De voorzieningenrechter merkt hierbij het volgende op.

5.12. Ter terechtzitting is de indruk ontstaan dat geen van partijen een volledig inzicht heeft in het zakelijke deel van de financiële administratie van [C]. Ook is niet weersproken dat [C] voor het verstrekken van informatie afhankelijk is van derden, zoals BUMA/Stemra, en dat deze organisaties de benodigde informatie eerst enige tijd na afloop van een bepaald tijdvak beschikbaar stellen. Het komt de voorzieningenrechter raadzaam voor dat ieder van partijen aan de ander duidelijk maakt over welke stukken zij beschikt en welke stukken haars inziens nog ontbreken. Alsdan wordt duidelijk op welke wijze [C] kan voldoen aan de jegens hem uit te spreken veroordeling in conventie en kan Dr. Media een volledige verantwoording afleggen van het gevoerde beheer. Aangezien dit thans nog onvoldoende duidelijk is zal, mede ter voorkoming van onnodige executiegeschillen, vooralsnog aan de voorafgaande veroordelingen geen dwangsom worden verbonden. Mocht op enig moment blijken dat [C] niet aan de jegens hem uitgesproken veroordeling voldoet dan kan Dr. Media alsnog overlegging van alsdan concreet te benoemen stukken vorderen, waaraan dan desgewenst een dwangsom kan worden verbonden. In het omgekeerde geval kan [C] zo nodig in rechte aangeven waarin Dr. Media ten aanzien van de jegens haar uitgesproken veroordeling in gebreke is gebleven en nakoming (op straffe van een dwangsom) daarvan vorderen.

5.13. Dr. Media vordert in de tweede plaats betaling van € 65.000,-. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.14. Dr. Media grondt haar vordering primair op wanprestatie van [C], welke er in bestaat dat hij met een nieuwe manager in zee is gegaan. Hiervoor onder 5.6 is reeds weergegeven dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de overeenkomst op 15 juni 2011 is geëindigd. [C] heeft derhalve geen wanprestatie gepleegd door nadien een overeenkomst met een andere manager te sluiten. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.

5.15. Subsidiair grondt Dr. Media haar vordering op nakoming van artikel 7 van de overeenkomst. Op basis van dat artikel kan zij aanspraak maken op 25% van de inkomsten van de door [C] gegenereerde inkomsten. Voor zover het gaat om na 15 juni 2011 verkregen inkomsten doet Dr. Media een beroep op artikel 10.3 en 10.4 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat Dr. Media ook aanspraak kan maken op 25% van de inkomsten uit optredens die reeds voor beëindiging van de managementovereenkomst waren geboekt en eveneens op de inkomsten voortvloeiend uit anderszins gedurende de looptijd van de overeenkomst gemaakte afspraken, ingeval deze, kort gezegd, mede door toedoen van Dr. Media tot stand zijn gekomen. Op basis van ontvangsten op de zakelijke rekening van [C], waar Dr. Media inzicht in heeft, stelt zij dat [C] van Top Billin (een bureau dat zijn optredens boekt) en TopNotch (platenmaatschappij) respectievelijk € 161.185,40 en € 29.852,- heeft ontvangen. Daarnaast maakt Dr. Media aanspraak op de in artikel 10.2 genoemde goodwill. Bij wijze van voorschot op een en ander vordert zij

€ 65.000,-.

5.16. [C] betwist het bestaan van de verplichtingen als zodanig niet. Naar zijn menig bedragen die echter veel minder dan € 65.000,- . [C] heeft stukken in het geding gebracht van Sena, Top Notch Music, Stichting Stemra en Reclame opdrachten. Zijn totale inkomsten hieruit bedragen € 55.121,88. Dr. Media heeft recht op 25% daarvan, zijnde een bedrag van € 13.780,47, aldus [C]. Hij voert verder aan dat er ten aanzien van de goodwill thans te weinig handvatten bekend zijn om hierop een voorschot toe te kennen. Het contract met Top Billin is volgens [C] zonder bemoeienis van Dr. Media tot stand gekomen, zodat daarop wat betreft de na 15 juni 2011 gedane optredens geen recht op een deel van de vergoeding bestaat. Voor zover het gaat om optredens voor die datum is reeds aan de betalingsverplichtingen voldaan, aldus [C].

5.17. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Nu [C] erkent een bedrag van € 13.780,47 schuldig te zijn is de vordering tot dat bedrag toewijsbaar. Wat betreft het meerdere geldt dat zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet kan worden vastgesteld of Dr. Media hierop terecht aanspraak maakt, zodat dat deel van de vordering niet toewijsbaar is.

5.18. In reconventie vordert [C] opheffing van het ten behoeve van de vordering van Dr. Media gelegde beslag. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

5.19. Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van het beslag voorgeschreven vormen zijn verzuimd. Door [C] is geen vervangende zekerheid aangeboden. Zoals hiervoor onder 5.17 is overwogen dient ten aanzien van de gegrondheid van de vordering van Dr. Media nader onderzoek naar de feiten plaats te vinden. Mede gelet op het feit dat uit de overgelegde stukken blijkt dat door Top Billin aanzienlijke bedragen aan [C] zijn overgemaakt is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Dr. Media. De vordering van [C] tot opheffing van het ter zekerheid van die vordering gelegde beslag zal daarom worden afgewezen.

5.20. Wat betreft de vordering tot overdracht van de domeinnamen geldt dat het verweer van Dr. Media dat er sprake is van schuldeisersverzuim omdat [C] met een andere manager heeft gecontracteerd, op basis hetgeen hiervoor onder 5.6 en 5.14 is overwogen moet worden verworpen. Deze vordering is derhalve toewijsbaar. Nu aan de nakoming ervan een dwangsom, gematigd en gemaximeerd als na te melden, zal worden verbonden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor toepassing van artikel 3:300 BW.

5.21. De vordering tot afgifte van bepaalde bescheiden is om dezelfde reden toewijsbaar. Ook de aan de nakoming van deze verplichting te verbinden dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd, en voor zover [C] zijn vordering ter zake de af te geven bescheiden niet heeft gespecificeerd zal ter voorkoming van onnodige executiegeschillen aan dat deel in het geheel geen dwangsom worden verbonden.

5.22. [C] zal als de in conventie grotendeels in ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, waaronder de beslagkosten. De kosten aan de zijde van Dr. Media worden begroot op:

- griffierecht € 1.789,00

reeds voldaan i.v.m. beslag € 575,00 -/-

nog te voldoen € 1.214,00

- dagvaarding € 76,17

- beslagkosten € 770,92

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 2.877,09

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

5.23. Dr. Media zal als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in proceskosten in reconventie. De kosten aan de zijde van [C] worden begroot op € 408,00 aan kosten advocaat.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. veroordeelt [C] om uiterlijk vier weken na betekening van dit vonnis aan Dr. Media de financiële bescheiden met betrekking tot

- alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met artiestenovereenkomsten, eventuele aan [C] verstrekte voorschotten daaronder begrepen;

- alle bruto inkomsten voortvloeiend uit door [C] verrichte optredens;

- alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met merchandise- reclame en sponsorovereenkomsten;

- alle inkomsten uit licentieovereenkomsten gesloten met derden tijdens de looptijd van de overeenkomst voor wat betreft enig intellectueel eigendomsrecht, zoals de exploitatie van de portretrechten en/of merkenrechten van [C];

- alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdende met de websites van [C];

- alle inkomsten welke [C] als auteur, uitvoerend kunstenaar of muziekuitgever ontvangt ter zake van de exploitatie van diens werken/uitvoeringen die tijdens de duur van de overeenkomst zijn vervaardigd of onder de werking van de overeenkomst vallen, al dan niet te ontvangen van een collectieve rechtenorganisatie (Buma/Stemra, Norma, Sena e.d.);

- alle inkomsten voortvloeiend uit en/of verband houdend met welke overeenkomst dan ook met welke derde dan ook voor zover dit de activiteit van [C] als artiest betreffen en door bemiddeling van de Dr. Media zijn tot stand gebracht

over de boekjaren 2010, 2011 en 2012 te doen toekomen, alsmede alle overige documenten die ten grondslag liggen aan het vaststellen van de gegenereerde inkomsten over de boekjaren 2010, 2011 en 2012;

6.2. veroordeelt [C] om uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis aan Dr. Media te betalen een bedrag van € 13.780,47 (zegge dertienduizend zevenhonderd tachtig euro en zevenenveertig cent);

6.3. veroordeelt [C] in de proceskosten aan de zijde van Dr. Media tot op heden begroot op in totaal € 2.877,09;

6.4. veroordeelt [C] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

6.7. bepaalt dat Dr. Media binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [C] een verantwoording over het door haar gevoerde financiële beheer met betrekking tot [C], over de periode van 15 juli 2009 tot en met 15 juli 2011, dient te doen toekomen;

6.8. bepaalt dat Dr. Media binnen tien dagen na betekening van dit vonnis al datgene te doen wat nodig is om te bewerkstelligen dat de domeinnamen [domeinnaam 1] en [domeinnaam 2] zonder enige restrictie, waaronder begrepen het verlangen van enige vergoeding, worden overgedragen aan [C] door een verzoek daartoe te richten aan de Stichting Internet Domeinregistraties Nederland (SIDN) en deze overdracht binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis daadwerkelijk te realiseren;

6.9. bepaalt dat Dr. Media uiterlijk tien werkdagen na betekening van dit vonnis de originele exemplaren van de namens [C] met de Vereniging Buma, de Stichting Stemra, Top Notch Music V.O.F. en Universal Music Publishing B.V. gesloten overeenkomsten aan de raadsman van [C] over dient te dragen;

6.10. bepaalt dat Dr. Media uiterlijk tien werkdagen na betekening van dit vonnis alle andere originele bescheiden die zij ter zake de managementovereenkomst met [C] onder zich heeft aan de raadsman van [C] over dient te dragen;

6.11. bepaalt dat Dr. Media een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in strijd handelt met de onder 6.8 en/of 6.9 gegeven veroordeling, met een maximum van in totaal € 10.000,-;

6.12. veroordeelt Dr. Media in de proceskosten in reconventie, waaronder begrepen de beslagkosten, aan de zijde van [C] tot op heden begroot op in totaal

€ 408,00;

6.13. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.14. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2012.?