Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4252

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
493682 - HA ZA 11-2029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Geboeid vervoer naar politiebureau levert onder de gegeven omstandigheden geen onrechtmatige daad van de politie jegens arrestant (eiser) op. Maatstaf cnf Hoge Raad 8/11/05, LJN: AT 7755.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 493682 / HA ZA 11-2029

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

[EISER],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. drs. E.M. Hoorenman te Hoorn,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE POLITIEREGIO AMSTERDAM-AMSTELLAND,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Politieregio genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2012 en de daarin genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 29 maart 2006 omstreeks 21.00 uur werd de Politieregio gebeld dat er een bewoonster van een perceel aan de [straat] in [plaats] door een raam was gegooid. Er werd onmiddellijke politieassistentie gevraagd.

2.2. De heer [politieambtenaar 1] (hierna: [politieambtenaar 1]), politieambtenaar/ buurtregisseur van de Politieregio, is ter plaatse gegaan waar hij sprak met mevrouw [A] (hierna: [A]), de toenmalige vriendin van [eiser], die aangaf dat [eiser] gepoogd had haar zwaar te mishandelen en daaraan toevoegde dat [eiser] had gedronken en dat er sprake was van agressie.

2.3. Hierop is diezelfde avond [eiser] aangehouden in zijn eigen woning aan de [straat] in [plaats] door [politieambtenaar 1] samen met de heren [politieambtenaar 2] (hierna: [politieambtenaar 2]) en [politieambtenaar 3] (hierna: [politieambtenaar 3]), beiden eveneens politieambtenaar van de Politieregio. Daarbij is [eiser] gehandboeid en aldus vanuit de woning naar de politieauto meegenomen. Vervolgens is hij geboeid met de politieauto door [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] naar het politiebureau aan de [straat] in [plaats] gebracht, op 4,7 kilometer afstand van de woning van [eiser]. Bij aankomst op het politiebureau zijn de handboeien bij [eiser] afgedaan. In totaal heeft [eiser] circa 15 minuten de handboeien omgehad.

2.4. [politieambtenaar 3] heeft bij het uitstappen uit de politieauto gezien dat de handboeien vrij strak om de polsen van [eiser] zaten en dat in zijn huid afdrukken van de handboeien zichtbaar waren. [politieambtenaar 3] heeft bevestigd dat hij striemingen of zwellingen aan de polsen heeft gezien. [politieambtenaar 1] heeft later die avond gezien dat [eiser] ‘een dikke pols’ had en ‘een heel dik ei op zijn pols’, ‘een bult’. Omdat [eiser] klaagde over pijnlijke polsen door het boeien, heeft de Politieregio bij aankomst op het politiebureau een arts geroepen, die om 22.37 uur die avond enkele schaafplekken en een zwelling constateerde, aan [eiser] paracetamol heeft gegeven, en aangaf dat er geen bijzondere verzorging noodzakelijk was.

2.5. [eiser] is op 30 maart 2006 heengezonden. Het feit waarvoor [eiser] werd gearresteerd is door de officier van justitie bij kennisgeving van 19 mei 2006 geseponeerd.

2.6. Op 17 mei 2006 heeft [eiser] aangifte gedaan van mishandeling gepleegd door de politieambtenaren die hem op 29 maart 2006 aanhielden.

2.7. Naar aanleiding van die aangifte heeft de officier van justitie nader onderzoek laten doen door het Bureau Integriteit van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (BIO). In dat verband zijn [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] gehoord en hebben zij verklaringen afgelegd, die zijn vastgelegd in processen-verbaal (hierna: de verklaring van achtereenvolgens [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3]).

2.8. Op basis van dit onderzoek heeft de officier van justitie bij brief van 8 februari 2007 besloten geen vervolging in te stellen tegen de bij de aanhouding van [eiser] op 29 maart 2006 betrokken politieambtenaren.

2.9. [eiser] heeft terzake van deze sepotbeslissing op 13 maart 2007 een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof Amsterdam. In deze klachtprocedure hebben de hoofdofficier van justitie en de advocaat-generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring. Het beklag is bij beschikking van het hof van 14 december 2007 afgewezen.

2.10. [eiser] heeft de Politieregio aansprakelijk gesteld bij brief van zijn toenmalige raadsman van 27 juni 2006. Bij brief van 15 maart 2007 heeft de Politieregio de aansprakelijkheid afgewezen.

2.11. In artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994, hierna: de Ambtsinstructie) staat vermeld:

“1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten en omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.”

2.12. [eiser], geboortedatum [1956], was destijds aannemer. Na zijn aanhouding heeft hij medische hulp gezocht, diverse onderzoeken ondergaan en contra-expertise laten verrichten wegens door hem ervaren ernstige pijnklachten aan zijn polsen, handen en armen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- te verklaren voor recht dat de Politieregio volledig aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de door de Politieregio veroorzaakte zware lichamelijke schade;

- de Politieregio, althans de Staat der Nederlanden, te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade en gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, op te maken bij staat, vermeerderd met rente;

- de Politieregio, althans de Staat der Nederlanden, te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade ten bedrage van EUR 10.000,-- ter bestrijding van de kosten voor het vaststellen van de schade;

- de Politieregio te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

De Politieregio heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hiertoe stelt [eiser] primair dat de Politieregio geen reden had om hem te boeien. Subsidiair stelt [eiser] dat de boeien te strak zijn aangelegd en aangelegd gehouden zijn, althans dat de boeien niet gecontroleerd zijn en los(ser) zijn gemaakt nadat [eiser] hierover had geklaagd en had verzocht de boeien los(ser) te maken. Dit onrechtmatige en buitenproportionele politieoptreden moet worden aangemerkt als een onmenselijke en/of vernederende behandeling of bestraffing en derhalve een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Politieregio heeft aldus gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van haar mocht worden verlangd en derhalve met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, als bedoeld in artikel 6:162 lid 1 BW.

[eiser] stelt dat hij door het te strak boeien letsel heeft opgelopen aan zijn beide handen en armen. Dat er te strak is geboeid, kan worden afgeleid uit dit letsel, terwijl het causaal verband tussen het letsel en het te strak boeien volgt uit het medisch dossier. Ten gevolge van dit letsel kan [eiser] zijn werk niet meer uitoefenen, heeft hij zijn aannemersbedrijf moeten beëindigen en zal hij voor de rest van zijn leven arbeidsongeschikt zijn. De Politieregio is aansprakelijk voor zijn ten gevolge van dit letsel geleden en te lijden schade. Aldus steeds [eiser].

3.3. De Politieregio voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de maatstaf

4.1. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de gestelde onrechtmatigheid voorop dat de vraag of (de wijze van) toepassing van een dwangmiddel al dan niet disproportioneel is, neerkomt op een belangenafweging: nagegaan moet worden in hoeverre onevenredigheid bestaat tussen het met het dwangmiddel te dienen belang en het daardoor te schaden belang (vgl. HR 18/11/05, LJN: AT 7755).

primaire grondslag: geen reden om te boeien?

4.2. [eiser] stelt primair dat de Politieregio geen reden had om hem te boeien en dat derhalve niet is voldaan aan de criteria voor boeien ten behoeve van vervoer in artikel 22 van de Ambtsinstructie.

grond voor aanhouding?

4.3. Hiertoe voert [eiser] allereerst aan dat er geen grond was voor de aanhouding en reeds daarom geen grond om te boeien. Hij werd weliswaar verdacht van zware mishandeling, maar de officier van justitie heeft deze aanklacht geseponeerd. De politieambtenaren hebben hem ten onrechte behandeld als dader in plaats van verdachte. Aldus [eiser].

4.4. De Politieregio heeft deze stellingname betwist en gemotiveerd aangevoerd dat de aanhouding gerechtvaardigd werd door de verdenking van zware mishandeling.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [eiser] is aangehouden op grond van verdenking van een strafbaar feit, waarvan de juistheid achteraf niet is komen vast te staan, nog niet betekent dat er geen reden was voor de aanhouding.

Ten aanzien van de grond voor de verdenking van zware mishandeling van zijn vriendin overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat er een melding was binnengekomen bij de Politieregio dat een vrouw door een raam was gegooid, dat vriendin [A] daarop aangaf aan de Politieregio dat [eiser] gepoogd had haar zwaar te mishandelen, en dat [politieambtenaar 1] blijkens zijn verklaring vervolgens in de woning van [eiser] zag dat het glas van de scheidingswand tussen de keuken en de kamer gebroken was, terwijl hij van [A] had gehoord dat zij door dit glas was geduwd of geslagen. Ook [politieambtenaar 3] heeft verklaard dat hij bij binnenkomst al direct zag dat er een ruit stuk was.

Op grond van dit samenstel van omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond voor deze verdenking en was op grond daarvan de aanhouding gerechtvaardigd.

grond voor boeien ten behoeve van vervoer?

4.6. [eiser] stelt dat ook in het geval er wel sprake was van een gegronde aanhouding, er geen reden was voor het boeien.

4.7. De Politieregio heeft aangevoerd dat op grond van een combinatie van factoren de maatregel van het boeien en geboeid houden ten behoeve van het vervoer naar het politiebureau redelijkerwijs vereist was en dat aldus voldaan is aan de zorgvuldigheidscriteria in artikel 22 van de Ambtsinstructie. Naast de – hiervoor beoordeelde – aanhouding wegens verdenking van zware mishandeling, beroept de Politieregio zich op de tegendraadse houding van [eiser] en het niet willen meewerken aan het meegaan naar het politiebureau, waarbij in aanmerking is genomen dat [eiser] onder invloed was van alcohol met agressie (risico) als gevolg. Op grond hiervan bestond vluchtgevaar en daarbij gevaar voor verwonding van zowel [eiser] als de politieambtenaren, waarbij van belang is dat men twee trappen af moest om de woning te verlaten. Aldus de Politieregio.

4.8. De stelling van [eiser] dat hij niet dronken was, kan hem in het licht van hetgeen de Politieregio heeft aangevoerd, niet baten. Hiervoor is het volgende redengevend.

4.9. Vast staat dat [A] vlak voor de arrestatie van [eiser] op 29 maart 2006 heeft verklaard dat [eiser] had gedronken. [eiser] wijst erop dat [A] nadien in een schriftelijke verklaring van 2 september 2007 heeft verklaard dat [politieambtenaar 1] een paar minuten na de arrestatie nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat in tegenstelling tot haar eigen idee, [eiser] absoluut niet dronken was. Deze laatste verklaring van [A] staat evenwel haaks op de navolgende verklaringen van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 3] daaromtrent.

4.10. [politieambtenaar 1] verklaart:

“Ook handig om te vertellen is dat [eiser] op dat moment (ten tijde van de aanhouding, rechtbank) onder invloed van alcohol verkeerde. Ik zag een mij bekende blik in zijn ogen. (…) Ik heb hem meerdere malen meegemaakt dat ik bij hem op huisbezoek was en dat hij achter een glas wijn zat en dan was het een hele opstandige, halsstarrige man, eigenlijk tegen het onredelijke aan. Zo stond hij er nu ook bij. Je kon zien en ruiken dat hij gedronken had. Het was echt zo’n houding van “ik bepaal wat er gebeurt”. Ook van [A] ([A], rechtbank) heb ik meerdere keren gehoord dat hij een kwade dronk over zich heeft”.

4.11. [politieambtenaar 3] verklaart:

“Ik moet zeggen dat toen ik in de woning van [eiser] kwam ik al direct zag dat er een ruit stuk was (…). Verder zag ik dat de ogen van [eiser] bloeddoorlopen waren en ik riekte dat de adem van de man rook naar het gebruik van alcohol. Verder zag ik dat hij ietwat onvast ter been was. Ik kan niet zeggen dat hij bezopen was maar het was wel duidelijk dat hij wat gedronken had.”

4.12. Deze verklaringen van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 3] stroken daarentegen wel met het idee van [A] tijdens haar eerste verklaring. Voor zover [eiser] beoogt te stellen dat hij ten tijde van de aanhouding niet onder invloed was van alcohol, vindt deze stelling derhalve onvoldoende steun in de latere verklaring van [A].

4.13. [eiser] beroept zich verder op een verklaring van 15 april 2008 van [B], een bekende van [eiser] sinds 20 jaar, met wie [eiser] een telefoongesprek voerde ten tijde van de arrestatie. Dit gesprek werd volgens [B] afgebroken nadat [B] [eiser] tegen de politie had horen zeggen dat de computer nog aanstond. [B] verklaart, voor zover hier van belang:

“Het is dan ook, op z’n zachtst gezegd, nogal onthutsend dat men hem zo te pakken heeft genomen. Zijn houding en gedrag gaven daartoe in ieder geval geen aanleiding. Dat heb ik tot aan het afbreken van de telefoonverbinding duidelijk kunnen volgen.”

[eiser] stelt dat uit deze verklaring niet blijkt van dronkenschap of agressie. Deze verklaring, op zichzelf en in samenhang met de eigen verklaring van [eiser], is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de verklaringen van de politieambtenaren, onvoldoende om hieruit te concluderen dat geen sprake was van dronkenschap en tegendraadsheid. Dit geldt temeer nu [B] niet in persoon aanwezig was tijdens de arrestatie en hij de houding en het gedrag van [eiser] dus niet fysiek heeft kunnen waarnemen.

4.14. Daarbij is nog van belang dat de omstandigheden waarop de Politieregio zich beroept, worden ondersteund door de volgende verklaringen van de betrokken politieambtenaren.

4.15. [politieambtenaar 1] verklaart:

“In ieder geval was hij in gesprek met deze vriend. (…) [eiser] hoorde ik immers zeggen “ze hebben geen recht” en verder bleef hij zijn woorden herhalen.”

“Het telefoongesprek was dus gestopt (…) Hierop zei ik wederom tegen hem “[eiser] doe nu even rustig en ga mee naar het bureau”. Hierna kwam [eiser] ineens met het verhaal dat hij zijn computer nog moest uitzetten. (…) Ik hield hem tegen en zei tegen hem “[eiser], het is nu mooi geweest. We gaan nu naar het bureau straks wil je ook nog de plantjes water geven en stofzuigen. Het is genoeg zo. (…) Eigenlijk werd hij steeds opstandiger. (…) op enig moment zeiden [politieambtenaar 3] ([politieambtenaar 3], rechtbank) en ik tegen elkaar “Nu is het genoeg geweest. De handboeien moeten even om. Nu is het mooi geweest.”

“Er was geen enkele verbetering in zijn gedrag om normaal mee naar het bureau te gaan. Eerder een verslechtering. En vanuit de woning moet je een aantal trappen af en ik had ook geen zin om op zo’n trap te gaan rollenbollen. In ieder geval was er bij mij geen enkele twijfel om het te handboeien. Nogmaals, ik ken [eiser] al langer en ik weet dat als hij wat gedronken heeft onberekenbaar en recalcitrant kan zijn. Als ik hem zou handboeien zou dat dan zowel voor hem als voor ons veiliger zijn.”

4.16. [politieambtenaar 2] verklaart:

“Ik weet wel dat hij zeker vijf minuten aan het bellen was (met [B], rechtbank). (…) Op een gegeven moment, volgens mij had het toen al tien minuten geduurd, besloten wij de man te gaan aanhouden. (..) Voor mijn gevoel duurde het allemaal erg lang. Ik vond dat de man ons een beetje in de maling nam. (…) Ik weet wel dat de man telkens een nieuwe smoes bleef bedenken om alles maar uit te stellen. Zijn laatste smoes was dat hij zijn computer nog uit wilde zetten.”

(Op de vraag “Wat was de reden om hem te handboeien?”:)

“(…) Verder had de man ook laten blijken dat hij niet zondermeer mee wilde gaan. Hij bleef maar discussiëren en telefoneren wat zeker tien minuten heeft geduurd. Ook al was ik de jongste en laagste in rang, ik vond het gerechtvaardigd dat de man werd gehandboeid.”

4.17. [politieambtenaar 3] verklaart:

“Al met al duurde dit getreuzel wel een minuut of tien. Na tien minuten was ik het zat (…) Een van ons (..) zei tegen hem “kappen met dat telefoongesprek, je gaat nu mee.” Hierna hoorde ik [eiser] zeggen “Nee, mijn computer moet nog uit”. Hierna hoorde ik hem zeuren over zijn hond. (..) Ik hoorde hem verder zeggen “Deze aanhouding is onrechtmatig. Ik heb niets gedaan. Ik ga niet geboeid mee” (…)”

“Ik moet zeggen dat [eiser] op de tweede of de derde verdieping woonde. Wij moesten hem dus een paar trappen naar beneden brengen. Ik heb [eiser] bij het de trap aflopen begeleid. Ik hield hem bij zijn handboeien vast ter voorkoming dat hij naar beneden zou vallen. Ik wist dat hij dronken was en daarom nam ik hem in bescherming door hem bij zijn handboeien en zijn schouder vast te pakken. (…)”

(Op de vraag “Wat was de reden om hem te handboeien?”:)

“(…) Hij was dronken en wij moesten hem vervoeren naar het bureau. Hij was aangehouden en verbaal agressief. (…)”

4.18. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door de Politieregio aangevoerde omstandigheden, als onvoldoende betwist, vaststaan.

In die gegeven omstandigheden was sprake van mogelijk gevaar voor de politieambtenaren en voor [eiser] zelf, overeenkomstig de criteria als vermeld in artikel 22 van de Ambtsinstructie. Dit gevaar was allereerst gelegen in de persoon van [eiser], te weten: alcoholgebruik, tegendraadsheid, agressie-, vlucht- en verwondingsgevaar, temeer gegeven het niet weersproken feit dat vanaf de woning tot aan de politieauto een aantal trappen naar beneden moest worden gelopen, waardoor wegens de opstelling van [eiser] gevreesd moest worden voor verzet en een mogelijke valpartij. Bovendien was dit gevaar gelegen in de aard van het misdrijf waarvan hij werd verdacht, te weten zware mishandeling. Gelet op een afweging van de belangen van de Politieregio, daaronder begrepen de noodzaak van transport van [eiser] naar het politiebureau, enerzijds en het belang van [eiser] verschoond te blijven van handboeien anderzijds, kan gelet op deze omstandigheden geen onevenredigheid worden aangenomen bij het besluit van de Politieregio om [eiser] te boeien. Derhalve heeft de Politieregio niet disproportioneel gehandeld door hiertoe over te gaan.

4.19. Hieruit volgt dat de primaire grondslag van de gestelde onrechtmatige daad, te weten het boeien zonder reden, faalt.

de subsidiaire grondslag: boeien te strak aangelegd en aangelegd gehouden?

4.20. Subsidiair stelt [eiser] dat de handboeien te strak zijn aangelegd en aangelegd gehouden zijn, te weten niet proportioneel conform de juiste methode, althans buitenproportioneel pijn bij [eiser] veroorzakend. [eiser] heeft hierover bij de betrokken politieambtenaren geklaagd en verzocht de boeien losser te doen op drie momenten, te weten (1) bij het aanleggen van de handboeien, (2) bij het instappen in de politieauto en (3) tijdens de autorit naar het politiebureau. De Politieregio heeft daarop ten onrechte geweigerd de boeien te controleren en los(ser) te maken. Aldus [eiser].

De Politieregio heeft deze stellingname gemotiveerd betwist.

te strak aangelegd?

4.21. Allereerst stelt [eiser] dat hij bij het aanbrengen van de boeien het direct heeft uitgeschreeuwd van de pijn en dat daaruit blijkt dat de boeien te strak waren aangelegd. Ter zitting heeft [eiser] verklaard:

“Toen werd ik tegen de muur gesmeten en werd mijn rechterhand geboeid, zelfs een tandje strakker. Omdat het zo’n pijn deed, gilde ik het uit. Vervolgens is mijn linkerhand geboeid.”

4.22. De Politieregio betwist dat de Politieregio bij het aanleggen van de boeien heeft aangegeven dat ze te strak waren. De politieambtenaren hebben bij het aanbrengen van de boeien niets ongewoons opgemerkt, aldus de Politieregio.

4.23. Dit verweer van de Politieregio vindt ondersteuning in de volgende verklaringen van de politieambtenaren.

4.24. [politieambtenaar 1] verklaart:

“Uiteraard wilde [eiser] geen handboeien om. [eiser] wilde helemaal niets. Ik hoorde hem zeggen “ik wil geen handboeien om. Je hebt geen recht.” Hierop hebben wij hem tegen een muur gezet (…) Op enig moment hadden we zijn polsen bij elkaar en ging het vrij soepel allemaal. Eigenlijk was het omleggen van de boeien snel gebeurd. Ik moet nog zeggen dat [politieambtenaar 3] en ik elkaar zeiden “[politieambtenaar 3] we zijn weer geslaagd voor de IBT, we lockten hem en we waren weer geslaagd.”(…)

(Op de vraag “Heeft [eiser] tijdens het boeien nog iets gezegd”:)

“Zoveel zei hij niet maar alleen dat we geen recht hadden. Misschien heeft hij nog geroepen dat ze af moesten maar dat was meer gelegen in het feit dat we geen recht hadden (…).”

(Op de vraag “[eiser] heeft verklaard dat hij heeft aangegeven dat zijn handboeien heel strak zaten. Wat heb jij hierover te verklaren?”:)

“Nee, dat kan ik me niet herinneren. Hij heeft wel iets gezegd dat ze af moesten maar dat begon hij al te gillen, te roepen voordat ze omzaten. Dat ze afmoesten was meer gelegen in het feit dat hij vond dat wij onrechtmatig bezig waren.”

(Op de vraag “Kun je je voorstellen dat ze strak hebben gezeten?”:)

“Dat kan ik me best voorstellen maar omdat het zo relaxed ging allemaal heb ik de handboeien op een gewone manier omgelegd. Het zou misschien kunnen dat ze te strak hebben gezeten maar dat ontdekte ik pas een paar uur later toen ik [eiser] in het dagverblijf zag en ik zijn polsen zag, Hij had een heel dik ei op zijn pols. Maar om op het moment van boeien terug te komen. Toen wij ze omdeden zaten ze op een gewone manier en ik had geen enkele moment het idee dat ze te strak zaten. Je moet weten het is ook wel eens bij een aanhouding voorgekomen dat ik zag dat ze te strak zaten en dat ik ze dan weer een tandje losser maakte. Maar daartoe was nu geen enkele aanleiding.”

(Op de vraag “Heeft [eiser] gezegd dat ze te strak zaten?”:)

“Nee op geen enkele manier maar hij heeft wel een paar keer gezegd dat ze af moesten maar dat paste meer bij zijn recalcitrante gedrag dan dat ze te strak zaten. Er is bij mij op geen enkele manier gebleken dat zijn handboeien te strak zaten. Als mij dat was gebleken dan had ik ze losser gemaakt, maar nogmaals daar was op dat moment geen sprake van.”

4.25. [politieambtenaar 3] verklaart:

“Nadat wij hem hadden geboeid hebben we zijn boeien gelockt. Samen zeiden we, ieder om de beurt, “Lock. Lock”en verder zeiden we tegen elkaar dat we weer geslaagd waren voor de IBT. Op dat moment had ik niet de indruk dat zijn handboeien zo idioot strak zaten. Wat dat betreft kan ik dus zeggen dat de boeien niet te strak zaten en dat ze, conform wat we hebben geleerd, vergrendeld waren.”

(Op de vraag “[eiser] heeft verklaard dat hij heeft aangegeven dat zijn handboeien heel strak zaten. Wat heb jij daarover te verklaren?”:)

“Ja, maar dat was pas in de auto. (..) Daarvoor heb ik hem alleen maar horen schelden maar ik heb hem over pijn tengevolge van de handboeien niet gehoord.”

(Op de vraag “Kun je je voorstellen dat ze strak hebben gezeten?”:)

“Later pas. Laat ik het zo stellen. Als hij in aanvang, toen wij de boeien bij hem omdeden, gewoon had meegewerkt dan hadden de boeien ongetwijfeld losser gezeten.”

4.26. [politieambtenaar 2] verklaart:

(Op de vraag “Heeft [eiser] tijdens het boeien nog iets gezegd?”:)

“Of hij tijdens het boeien nog iets gezegd heeft weet ik niet meer.”

(Op de vraag “[eiser] heeft verklaard dat hij heeft aangegeven dat zijn handboeien heel strak zaten. Wat heb jij hierover te verklaren?”:)

“Ik kan mij niet herinneren dat de man in de woning al heeft gezegd dat zijn boeien te strak zaten. (…) Het gebeurt wel eens bij mensen dat de boeien te strak zitten dus dat zou in dit geval ook zo kunnen zijn. Maar ik wil zeggen dat de man zijn boeien beheerst zijn omgelegd. (…) Nogmaals, in de woning en onderweg naar buiten heeft de man zich niet beklaagd.”

4.27. De stelling van [eiser] staat haaks op deze verklaringen van de betrokken politieambtenaren.

4.28. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de stelling van [eiser] dat hij bij het aanbrengen van de boeien het direct heeft uitgeschreeuwd van de pijn en dat daaruit blijkt dat de boeien te strak waren aangelegd, in het licht van het daartegen gevoerde verweer, onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden is onderbouwd om te kunnen slagen.

Weliswaar staat vast dat [eiser] heeft geprotesteerd voor en tijdens het aanbrengen van de boeien, maar de rechtbank acht aannemelijk, gelet op de verklaringen van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 3], dat de betrokken politieambtenaren dit niet hebben ervaren als een reactie op een pijnbeleving door het boeien maar als een bezwaar tegen de beslissing van het boeien op zich.

Dat [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 3] hebben verklaard dat zij achteraf, toen zij op het politiebureau de zwellingen op de polsen van [eiser] zagen, zich kunnen voorstellen dat de boeien (te) strak hebben gezeten, doen er evenmin aan af dat zij blijkens hun beider verklaring bij het aanbrengen van de boeien in de gegeven situatie van – zoals hierboven is vastgesteld – een onwillige en potentieel (vlucht)gevaarlijke verdachte op de normale wijze en daarmee volgens de interne zorgvuldigheidsinstructies te werk zijn gegaan.

De stelling van [eiser] dat bij het aanbrengen van de boeien sprake zou zijn geweest van disproportioneel handelen, dat wil zeggen niet conform de terzake voorgeschreven methode en zorgvuldigheidsinstructie, is in dit licht onvoldoende gestaafd en faalt derhalve.

Zijn stelling dat ook indien is gehandeld conform de interne instructies sprake is van onzorgvuldig handelen jegens [eiser] op de grond dat het voor de politieambtenaren duidelijk moet zijn geweest dat de de strakheid waarmee de boeien zijn aangebracht buitenproportioneel pijn bij [eiser] veroorzaakten, is in het licht van de daartegen gevoerde verweren evenmin onvoldoende onderbouwd. Deze stelling kan daarom evenmin slagen.

De stelling van [eiser] dat er - extra strak - is geboeid omdat men bij de aanhouding reeds uitging van daderschap, kan gelet op het hiervoor overwogene evenmin slagen.

te strak aangelegd gehouden ten tijde van het instappen in de auto?

4.29. [eiser] stelt bovendien dat hij, nadat hij geboeid zijn woning had verlaten, voordat hij de politieauto instapte heeft geklaagd dat de boeien pijn deden. [eiser] onderbouwt zijn stelling onder verwijzing naar de volgende verklaring van [politieambtenaar 2]:

“Ik weet nog wel dat hij beneden op straat, volgens mij voordat hij moest instappen, zich beklaagde over het feit dat zijn boeien pijn deden. Ik hoorde dat hij zei dat zijn boeien pijn deden. Wat hij precies zei weet ik niet meer maar. Ik weet wel dat hij zich beklaagde over de pijn op het moment dat hij zich moest bukken om in te stappen.”

4.30. De Politieregio erkent dat toen [eiser] in de auto werd geleid, hij aangaf last te hebben van de boeien. Zij voert evenwel aan dat de betrokken politieambtenaar gerechtvaardigd aannam dat dit specifiek verband hield met de positie van de boeien tijdens het bukken om in te stappen in de auto en dus niet met de mogelijkheid dat de boeien te strak zaten. De Politieregio verwijst hiertoe naar de verklaring van [politieambtenaar 2] die aansluitend op zijn voormelde verklaring verklaart:

“Mijn interpretatie hiervan was dat de pijn werd veroorzaakt doordat hij zich moest bukken en niet omdat de boeien te strak zaten.”

4.31. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake was van de bijzondere omstandigheid waarbij de verdachte moet bukken om de politieauto in te gaan waardoor er even meer druk op de boeien komt te staan, hetgeen noodzakelijk is ten behoeve van het transport, maar van zeer korte duur kan worden geacht omdat deze extra druk stopt wanneer de zithouding in de auto is bereikt. In deze specifieke situatie behoefde deze pijnmelding voor de Politieregio geen aanleiding te zijn om op dat moment het effect van de boeien op de polsen van [eiser] te controleren en de boeien los(ser) te maken. De beslissing van de Politieregio hiervan af te zien kan onder deze omstandigheden niet als buitenproportioneel worden aangemerkt.

te strak aangelegd gehouden tijdens het vervoer?

4.32. [eiser] stelt verder dat hij in de auto nogmaals heeft geklaagd dat de boeien te strak zaten en pijn deden en dat hij heeft gevraagd of ze los(ser) mochten. Hij wijst erop dat [politieambtenaar 2] heeft verklaard:

“Later, in de auto, heeft hij zich nog een keer of drie beklaagd dat zijn boeien pijn deden.”

4.33. De Politieregio erkent dat [eiser] tijdens de autorit naar het politiebureau heeft aangegeven dat hij pijn had, maar voert het volgende aan. Deze pijnklachten werden pas geuit op korte afstand – te weten nog twee minuten rijden voor aankomst bij het bureau, terwijl de totale rit slechts 4,7 kilometer bedroeg. De verbalisanten hebben uit veiligheidsoverwegingen en omdat de resterende autorit nog maar twee minuten zou duren, besloten de rit af te maken. Zij hebben daarbij tegen [eiser] gezegd dat hij wat schuin moest gaan zitten, zodat hij minder last van de boeien zou hebben. Bij aankomst op het bureau zijn de boeien direct verwijderd. Aldus steeds de Politieregio, die ter onderbouwing van dit verweer verwijst naar de verklaring van [politieambtenaar 3] terzake.

4.34. [politieambtenaar 3] verklaart:

“Ik zag dat hij ([eiser], rb) rechts achterin instapte. (…) Hierna is [politieambtenaar 2] achter het stuur gaan zitten en ik ben rechts naast [politieambtenaar 2] gaan zitten. Niemand is achterin bij [eiser] gaan zitten. (…) Onderweg naar het politiebureau [straat] begon [eiser] ineens te schreeuwen dat zijn handboeien te strak zaten en dat ze pijn deden. (…) Op dat moment waren wij op een minuut of twee van het bureau [straat] vandaan.

Omdat [eiser] lastig en dronken was op dat moment en omdat hij iemand had mishandeld en omdat we zo dicht bij het bureau waren namen we ([politieambtenaar 2] en ik) het besluit gewoon door te rijden zonder eerst zijn handboeien losser te maken. Ik zei tegen [eiser] “We zijn zo op het bureau en daar gaan de handboeien af”. Nadat ik dat gezegd had werd hij weer wat rustiger. Ik zei tegen hem “Blijf rustig zitten, dan doet het minder pijn”. Op dat moment had ik het idee dat hij naar mij luisterde. Hij bleef vanaf dat moment stil en bleef rustig zitten.”

4.35. [eiser] heeft ter zitting betoogd dat het zeer gemakkelijk was geweest om de boeien losser te doen als één van de politiemannen achterin was gaan zitten, zodat verdere pijn en zwaarder letsel bij [eiser] voorkomen had kunnen worden. [eiser] heeft ook in dit verband opgeworpen dat van vluchtgevaar geen sprake was.

4.36. De Politieregio heeft zich tegen deze stelling verweerd door aan te voeren dat de politieagenten ervoor hadden gekozen samen voorin de auto plaats te nemen en dat noch in een ambtsinstructie, noch elders is vastgelegd dat een verbalisant naast de verdachte achterin de auto moet gaan zitten. Dit is door [eiser] niet betwist.

4.37. De rechtbank is van oordeel dat er in de gegeven situatie geen concrete aanleiding is gesteld of gebleken voor de agenten om voor de mogelijkheid te kiezen dat één van de agenten plaats zou nemen naast [eiser] op de achterbank. Uit de omstandigheid dat gekozen is door de agenten om allebei voorin te gaan zitten, valt dan ook op zich geen onrechtmatigheid af te leiden.

4.38. Wel staat, zoals aangevoerd door de Politieregio en voorts onvoldoende betwist door [eiser], vast dat de agenten teneinde de boeien te controleren en eventueel los(ser) te maken conform de wens van [eiser], met hem uit de auto hadden moeten komen, terwijl dan het gevaar bestaat dat de geboeide zich losrukt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het vluchtgevaar aannemelijk geworden terwijl – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt in te zien dat dit gevaar zou zijn verminderd tijdens het vervoer. De enkele omstandigheid dat het rustig en vriendelijk was in de politieauto is daarvoor niet voldoende. Daarbij komt dat - als voorts niet weersproken - vast staat dat [eiser] zijn pijnklachten pas uitte op nog twee minuten resterende reisafstand tot het politiebureau, alwaar de boeien direct zouden worden afgedaan, terwijl de gehele rit slechts 4,7 km bedroeg en [eiser] ongeveer een kwartier de handboeien om heeft gehad.

Voorts is van belang dat, als vooroverwogen, de blijkens de door de rechtbank aannemelijk geachte verklaringen van de politieambtenaren de boeien overeenkomstig de instructies en dus op normale wijze aangebracht. Onder deze omstandigheden behoefden de politieambtenaren naar het oordeel van de rechtbank niet bedacht te zijn op de aanwezigheid van dan wel het verergeren van het (gestelde) letsel aan de armen en handen van [eiser] door het ongewijzigd laten van de boeien gedurende de laatste twee minuten.

4.39. Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de agenten op basis van een redelijke afweging het veiligheidsbelang mochten laten prevaleren boven het stoppen en uitstappen uit de auto - dan wel tijdens het rijden in de auto - controleren van de boeien en eventueel los(ser) maken daarvan in het belang van [eiser] gegeven zijn pijnklachten. Die beslissing is in de gegeven omstandigheden derhalve niet disproportioneel te achten.

De toets “Aanhoudings- en zelfverdedingsvaardigheden

4.40. [eiser] beroept zich ook op “De toets Aanhoudings- en zelfverdedingsvaardigheden, Onderdeel van de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Politie-2005 (RTGP-2005)”. Daarin staat in hoofdstuk 11 (“Verticale of horizontale methode handboeien”), punt 10:

“De kandidaat voert de handelingen met de handboei uit zonder pijn bij de opponent te veroorzaken. De kandidaat laat in zijn optreden zien dat hij het proportionaliteitsbeginsel hanteert.”

En in hoofdstuk 12 (“Handboeien en non-coöperatieve opponent”) punt 8:

de kandidaat voert de handelingen met de handboeien uit zonder buitenproportioneel pijn bij de opponent te veroorzaken.”

Naar aanleiding hiervan heeft de Politieregio ter zitting betoogd dat bij [eiser] de standaardboei is aangelegd. Het aangelegd krijgen en hebben van boeien is niet prettig. Indien men krijst van de pijn, wordt er naar de boeien gekeken. Het is echter ook bekend dat velen klagen over enige pijn en ongemak vanwege de handboeien. Evident is dat boeien strak om de polsen moeten zitten, want anders wrikt de verdachte zich eruit en heeft het geen zin. Aldus de Politieregio.

4.41. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemd examenmateriaal weliswaar een normatieve inspanningsverbintenis kan worden afgeleid voor politieagenten, maar dat dit niet kan worden opgevat als een formele instructie, laat staan een document waaraan een geboeide verdachte een recht kan ontlenen dat boeien altijd pijnloos moet zijn. Dit valt evenmin af te leiden uit de Ambtsinstructie. Bovendien volgt uit het vooroverwogene dat niet geconcludeerd kan worden dan de Politieregio voormelde inspanningsverbintenis heeft geschonden. De waarnemingen van [politieambtenaar 3], [politieambtenaar 2] en de geraadpleegde arts, als weergegeven in r.o. 2.4., zijn derhalve op zichzelf onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Uit voormelde - niet nader betwiste - toelichting van de Politieregio maakt de rechtbank op dat, ook al is er geboeid overeenkomstig de instructies, afdrukken van de boeien in de huid, zwellingen, striemen en pijn in de polsen door de noodzakelijke strakheid van de boeien niet altijd te voorkomen zijn, mede afhankelijk van de eigen bewegingsdynamiek van de verdachte. Deze omstandigheden zijn op zich derhalve onvoldoende om reeds daaruit de gestelde onrechtmatigheid af te leiden.

het gestelde structurele letsel

4.42. Voorzover [eiser] voorts nog heeft gesteld dat hij ten gevolge van het boeien structureel letsel heeft opgelopen en dat daaruit moet worden afgeleid dat sprake is geweest van disproportioneel strak boeien, overweegt de rechtbank als volgt.

4.43. De stelling van [eiser] dat hij ten gevolge van het boeien blijvend ernstig letsel aan zijn handen en armen heeft opgelopen en dat hij daardoor voor de rest van zijn leven arbeidsongeschikt zal zijn en schade lijdt, is door de Politieregio gemotiveerd betwist. Daarbij zijn met name de medische rapportages waarop [eiser] zich beroept, weersproken ten aanzien van de aard en omvang van de gestelde klachten/beperkingen. Bovendien is het door [eiser] gestelde causaal verband met het ongeval bestreden. [eiser] heeft terzake bewijs aangeboden van haar stelling, met name door het aanvoeren van nadere medische verklaringen.

4.44. De rechtbank overweegt dat ook in het geval het gestelde letsel ten gevolge van het boeien zou komen vast te staan, hetgeen thans gelet op de betwisting daarvan niet het geval is, het enkele feit dat (een bepaalde wijze van) toepassing van een dwangmiddel schade tot gevolg kan hebben, niet reeds meebrengt dat sprake is van disproportionaliteit en daarmee onrechtmatigheid als deze schade intreedt. Dit vloeit voort uit de in r.o. 4.1. weergegeven maatstaf, op grond waarvan het oordeel dat hantering van een bepaald middel disproportioneel is, uit zijn aard berust op een belangenafweging. De enkele omstandigheid dat hantering van een bepaald dwangmiddel van overheidswege, als gesteld, schade veroorzaakt doet – hoe spijtig die situatie voor betrokkene ook moge zijn – nog geen disproportionaliteit en daarmee onrechtmatigheid ontstaan. Daarvoor is meer nodig, terwijl uit het vorenstaande volgt dat [eiser] in dat verband in het licht van het verweer van de Politieregio onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld.

4.45. Gegeven dit oordeel, wordt aan een nadere beoordeling van het in r.o. 4.43. samengevatte partijdebat niet toegekomen. Voormeld bewijsaanbod van de stelling van [eiser] als weergegeven in r.o. 4.43. wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

4.46. Uit het voorgaande volgt dat ook de subsidiaire grondslag van de vordering niet kan slagen.

conclusie

4.47. De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat de Politieregio onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Hieruit volgt dat zijn vorderingen zullen worden afgewezen.

4.48. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Politieregio worden begroot op:

- griffierecht 568,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.472,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Politieregio tot op heden begroot op EUR 1.472,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.?