Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
515837 / KG ZA 12-578 HJ/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke ontruiming. Gevorderd verbod afgewezen. Eiseres heeft een pand gekraakt. De Staat heeft eisers de ontruiming van het pand aangezegd conform het daarvoor geldende beleid. Met ingang van 1 oktober 2010 is in werking getreden de Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand). Op grond van deze wet is - kort gezegd - het kraken van woningen of gebouwen strafbaar gesteld. In de door de voorziningenrechter in elk specifiek geval te maken belangenafweging tussen de bescherming van het huisrecht van eiseres enerzijds en de bescherming van de belangen van de eigenaar van het gekraakte pand anderzijds wordt in de door eiseres gestelde omstandigheden geen aanleiding gevonden af te wijken van de in abstracto door de wetgever in het voordeel van de eigenaar gemaakte belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 515837 / KG ZA 12-578 HJ/MRSB

Vonnis in kort geding van 18 juni 2012

in de zaak van

[EISERES],

wonende te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 1 mei 2012,

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 6 juni 2012 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Ter zitting waren - voor zover van belang - aanwezig mr. Uppal en mr. Dijkgraaf. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. De voorzieningenrechter heeft vonnis bepaald op 19 juni 2012, maar het vonnis wordt bij vervroeging uitgesproken op 18 juni 2012.

2. De feiten

2.1. Woonstichting De Key (hierna: De Key) is eigenaresse van het pand gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: het pand).

2.2. Op 25 augustus 2010 heeft een gevolmachtigde van De Key bij de politie aangifte gedaan van huisvredebreuk. In het proces-verbaal van aangifte staat – voor zover voor deze proced++ure van belang – het volgende:

“Afgelopen maandag 23 augustus 2010 (…) ben ik gebeld door een bewoner van [adres] 2 hoog dat het bedrijfspand op [adres] en de woning op [adres] 1 hoog waren gekraakt. Het betreft hier een bedrijfspand inclusief woning. (…)

Het pand [adres] en (…) [nr] 1 was verhuurd tot en met 2 maart 2010 en staat dus nog maar zeer kort leeg.

Vanaf 3 maart 2010 stond het pand echter niet te huur maar zijn er sinds die datum bouwvergunningen in aanvraag om het pand te renoveren. De bedoeling is om het bedrijfspand van de erboven gelegen woning te scheiden en er twee losse units van te maken. Ik overhandig u hierbij een kopie van het huurcontract welke u bij dit proces-verbaal mag voegen. (…)”

2.3. [eiseres] bewoont de gekraakte verdiepingen van het pand aan de [adres]. Zij vertegenwoordigt een bewonerscollectief dat deze verdiepingen bewoont.

2.4. In een e-mail van 2 april 2012 heeft De Key aan - onder meer - de officier van Justitie te Amsterdam geschreven - voor zover voor deze procedure van belang - dat De Key na ontruiming van het pand van plan is de woning met bedrijfsruimte te renoveren, waarbij de woonruimte van de bedrijfsruimte zal worden gescheiden, waarna de woning en de bedrijfsruimte zullen worden verhuurd. De Key heeft voorts meegedeeld dat eenzelfde renovatie heeft plaatsgevonden op een ander in eigendom van De Key toebehorend pand, gelegen aan de [adres].

2.5. Bij brief van 24 april 2012 heeft de Officier van Justitie de ontruiming van de begane grond en eerste verdieping van het pand aangezegd vóór 20 juni 2012, conform het beleid zoals dat door het College van procureurs-generaal op 30 november 2010 naar aanleiding van een arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 8 november 2010 in een beleidsbrief is vastgesteld en op 2 december 2010 in de Staatscourant is gepubliceerd. De brief van 24 april 2012 is - nadat uitreiking in persoon niet mogelijk was gebleken - op dezelfde datum door een politieambtenaar in het pand achtergelaten. Hiervan is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat de Staat, en via haar de Officier van Justitie, op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van de begane grond en de eerste verdieping van het pand over te gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandiging van het pand aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens [eiseres] gedurende haar afwezigheid.

3.2. [eiseres] heeft samengevat het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. De bewijslast van de stelling dat een inbreuk op het huisrecht gelet op het belang van de eigenaar gerechtvaardigd is, ligt bij de Staat nu deze daarop een beroep doet en slechts de Staat dit bewijs kan leveren. [eiseres] meent dat haar belang bij bescherming van haar huisrecht zwaarder moet wegen dan het belang van de Staat bij ontruiming van het pand.

Hiertoe is voor [eiseres] van belang dat de Staat haar belang bij de ontruiming slechts heeft gesteld, maar verder niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. De Staat heeft geen eigen belang bij ontruiming van het pand, maar slechts indien de bescherming van het belang van de eigenaar dit vergt. Het belang van de eigenaar bestaat slechts indien de eigenaar kan aantonen dat hij het pand in gebruik wenst te nemen. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Van de bouwaanvragen is geen bewijs overgelegd, en de enkele e-mail van 2 april 2012 is onvoldoende onderbouwing voor de plannen die De Key met het pand stelt te hebben. De Key heeft ten slotte tegen de krakers geen ontruimingsprocedure gestart. Nu de Staat niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat De Key concrete plannen heeft om het pand in gebruik te nemen, moet ervan worden uitgegaan dat de Key geen belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot leegstand. Onder deze omstandigheden dient het belang van [eiseres] bij bescherming van haar huisrecht te prevaleren en is de vordering toewijsbaar.

3.3. De Staat voert verweer. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] het pand bewoont zonder toestemming van De Key. Evenmin is in geschil dat [eiseres] een huisrecht uitoefent, welk recht in beginsel wordt beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.3. Met ingang van 1 oktober 2010 is in werking getreden de Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand). Op grond van deze wet is - kort gezegd - het kraken van woningen of gebouwen strafbaar gesteld. Bij deze wetswijziging heeft de wetgever in abstracto het belang van de openbare orde en de bescherming van de (eigendoms)rechten van derden afgewogen tegen het belang van de krakers bij bescherming van hun huisrecht en daarbij het belang van krakers ondergeschikt geacht. Evenwel betekent dit niet dat aan de omstandigheid dat het verblijf wederrechtelijk is, de gevolgtrekking kan worden verbonden dat een kraker geen verdedigbare klacht kan hebben over een (dreigende) schending van zijn huisrecht. Het in artikel 8 lid 2 van het EVRM besloten liggende proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de geadieerde voorzieningenrechter, naast de wederrechtelijkheid, tevens heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang van het belang van de openbare orde en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de krakers, in de concrete omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Niet kan worden uitgesloten dat het belang van de krakers - gelet op de zeer ernstige inbreuk die op het huisrecht wordt gemaakt, en de onomkeerbare gevolgen van ontruiming - in het concrete geval, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, toch zwaarder weegt, dan het belang van de eigenaar. Indien de eigenaar bijvoorbeeld geen enkel belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie, kan de belangenafweging mogelijk in het voordeel van de kraker uitvallen.

4.4. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, ligt de bewijslast van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden die in het concrete geval tot een andere (dan door de wetgever gemaakte) afweging zouden moeten leiden, niet bij de Staat, maar bij [eiseres]. Het is immers [eiseres] die zich beroept op de aanwezigheid van omstandigheden die een uitzondering op de in abstracto in het voordeel van - in dit geval - De Key gemaakte belangenafweging rechtvaardigen.

4.5. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat De Key geen belang heeft bij de ontruiming, omdat zij geen concrete plannen met het pand heeft, gesteld dat uit de eigen aangifte van De Key blijkt dat het pand al sinds begin 2010 leeg staat, zonder enige activiteit van de zijde van de eigenaar. dat van de bouwaanvragen geen bewijs is overgelegd, en dat De Key tegen de krakers geen ontruimingsprocedures is gestart, terwijl zij dit met betrekking tot andere panden wel heeft gedaan.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt dat de Staat erkent dat de begane grond en eerste verdieping van het pand sedert begin 2010 leeg hebben gestaan. Daarmee heeft [eiseres] onvoldoende weersproken dat, zoals de Staat heeft aangevoerd, deze verdiepingen tot 2 maart 2010 verhuurd zijn geweest. Nu de gekraakte verdiepingen een aantal maanden voor de kraak door De Key nog in gebruik waren ten behoeve van de verhuur, is - bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting daarvan door [eiseres] - aannemelijk dat De Key, ware het pand niet gekraakt geweest, de verdiepingen opnieuw zou hebben verhuurd. Dat De Key na de beëindiging van de huurovereenkomst met de vorige huurder, niet onmiddellijk een nieuwe huurder paraat had, doet daar niet aan af. De Key heeft spoedig na de kraak aangifte gedaan van huisvredebreuk, waarbij zij heeft verklaard voornemens te zijn de begane grond en eerste verdieping van het pand te renoveren en opnieuw te verhuren. Dit voornemen heeft zij herhaald in haar e-mail van 2 april 2012. Gelet op de relatief korte periode die tussen de beëindiging van de huur in maart 2010 en de kraak in augustus 2010 heeft gelegen, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding het door De Key geuite voornemen om de verdiepingen te renoveren en opnieuw te verhuren in twijfel te trekken.

4.7. Nu aangenomen kan worden dat de Key de verdiepingen na ontruiming opnieuw in gebruik zal nemen, heeft zij, en met haar de Staat, anders dan [eiseres] heeft gesteld, een belang bij ontruiming van de krakers uit het pand. Hieraan doet het enkele gegeven dat De Key sedert de kraak niet uit eigener beweging - en op eigen kosten - een ontruimingsprocedure tegen de krakers is gestart geen afbreuk. Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] haar stelling dat ontruiming van de [adres]hs en [adres]-1 alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.8. Nu [eiseres] niets meer heeft gesteld dat in de door de voorzieningenrechter te maken belangenafweging betrokken kan worden, zijn met betrekking tot het huisrecht van [eiseres] geen andere omstandigheden aannemelijk geworden dan die welke de wetgever reeds bij de belangenafweging in abstracto in aanmerking heeft genomen, zodat afwijking van de uitkomst van die belangenafweging in het onderhavige geval niet te rechtvaardigen valt. De door [eiseres] gevraagde voorziening zal derhalve worden geweigerd.

4.9. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht EUR 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2012.?