Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4065

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
515668 / KG ZA 12-553 HJ/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke ontruiming. Gevorderd verbod afgewezen. Eiseres heeft een pand gekraakt. De Staat heeft eisers de ontruiming van het pand aangezegd conform het daarvoor geldende beleid. Met ingang van 1 oktober 2010 is in werking getreden de Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand). Op grond van deze wet is - kort gezegd - het kraken van woningen of gebouwen strafbaar gesteld. In de door de voorziningenrechter in elk specifiek geval te maken belangenafweging tussen de bescherming van het huisrecht van eiseres enerzijds en de bescherming van de belangen van de eigenaar van het gekraakte pand anderzijds wordt in de door eiseres gestelde omstandigheden geen aanleiding gevonden af te wijken van de in abstracto door de wetgever in het voordeel van de eigenaar gemaakte belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 515668 / KG ZA 12-553 HJ/MRSB

Vonnis in kort geding van 18 juni 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres bij dagvaarding van 1 mei 2012,

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Staat worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 6 juni 2012 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Ter zitting waren - voor zover van belang - aanwezig [eiseres] met mr. Uppal en aan de zijde van de Staat mr. Dijkgraaf. Ter zitting was tevens aanwezig de eigenaresse van het door eiseres betrokken pand aan de [adres] te [plaats], alsmede haar gemachtigde, mr. [gemachtigde van eigenaresse]. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. De voorzieningenrechter heeft vonnis bepaald op 19 juni 2012, maar het vonnis bij vervroeging uitgesproken op 18 juni 2012.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft op of omstreeks 15 april 2009 de begane grond en eerste verdieping van het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] gekraakt. Zij vertegenwoordigt in deze procedure een bewonerscollectief dat deze verdiepingen bewoont.

2.2. De tweede en derde verdieping van het pand zijn verhuurd aan derden.

2.3. [eigenaresse] is sedert 28 februari 2012 enig eigenaresse van het pand. Daarvoor deelde zij de eigendom met de heer [voormalig mede-eigenaar].

2.4. [eigenaresse] heeft de krakers bij schrijven van 8 maart 2012 een voorstel gedaan teneinde hen te bewegen het pand te verlaten en heeft op 15 maart 2012 aangifte gedaan bij de politie wegens huisvredebreuk. In deze aangifte heeft [eigenaresse] verklaard dat zij de bank voor het pand nog ruim EUR 126.000,- verschuldigd is. [eigenaresse] heeft voorts verklaard dat zij het pand wil verbouwen, zodat zij op de eerste verdieping kan gaan wonen en op de begane grond een detailhandel kan gaan uitbaten.

2.5 Bij brief van 24 april 2012 heeft de Officier van Justitie de ontruiming van de begane grond en eerste verdieping van het pand aangezegd vóór 20 juni 2012, conform het beleid zoals dat door het College van procureurs-generaal op 30 november 2010 naar aanleiding van een arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 8 november 2010 in een beleidsbrief is vastgesteld en op 2 december 2010 in de Staatscourant is gepubliceerd. De brief van 24 april 2012 is - nadat uitreiking in persoon niet mogelijk was gebleken - op 25 april 2012 door een politieambtenaar in het pand achtergelaten. Hiervan is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.

2.6 De Staat heeft als productie 10 een offerte overgelegd d.d. 8 mei 2012 van [bouwbedrijf], een bouwbedrijf, betreffende ‘Verbouwing [adres]’. De kosten voor de verbouwing zijn berekend op EUR 133.591,88, inclusief BTW. De offerte is ondertekend door het bouwbedrijf en door [eigenaresse].

2.7. [eiseres] heeft een e-mail van het Stadsdeel Zuid overgelegd van 5 juni 2012, waarin staat - voor zover voor deze procedure van belang - dat, voor zover het Stadsdeel kan nagaan, er in de afgelopen 10 jaar geen vergunningen zijn aangevraagd voor het pand.

2.8. In een zijdens [eiseres] ingebrachte e-mail van [gebiedsontwikkelaar], gebiedsontwikkelaar, d.d. 5 juni 2012 heeft [gebiedsontwikkelaar] de kosten van verbouwing van het pand geschat op EUR 250.000,- tot EUR 300.000,-.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat De Staat, en via haar de Officier van Justitie, op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van de begane grond en de eerste verdieping van het pand over te gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandiging van het pand aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens [eiseres] gedurende haar afwezigheid.

3.2. [eiseres] heeft samengevat het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. De bewijslast van de stelling dat een inbreuk op het huisrecht gelet op het belang van de eigenaar gerechtvaardigd is, ligt bij De Staat nu deze daarop een beroep doet en slechts De Staat dit bewijs kan leveren. [eiseres] meent dat haar belang bij bescherming van haar huisrecht zwaarder moet wegen dan het belang van De Staat bij ontruiming van het pand.

Ten eerste wordt het pand al een aantal jaren gekraakt, en stond het daarvoor, zo is destijds ook door de politie geconstateerd, leeg. In de afgelopen 10 jaar is voor het pand geen enkele vergunning aangevraagd. [eiseres] acht de stelling van [eigenaresse], die al sedert 2007 eigenaresse is van het pand, dat zij voornemens is het pand te gaan verbouwen ongeloofwaardig. [eiseres] betwist de authenticiteit van de overgelegde offerte. Deze is immers niet gespecificeerd en uit eigen onderzoek is gebleken dat de verbouwing minimaal 2 maal duurder zal uitvallen. Bovendien is, gelet op de achterstand van [eigenaresse] in de betaling van haar hypothecaire verplichtingen van ruim EUR 126.000,-, niet aannemelijk dat [eigenaresse] de verbouwing zal kunnen bekostigen. Uit het voorgaande moet volgens [eiseres] volgen dat de Staat onvoldoende heeft aangetoond dat [eigenaresse] het pand in gebruik zal nemen. Ontruiming van het pand zal alleen maar leiden tot leegstand, hetgeen rechtvaardigt dat het belang van [eiseres] bij bescherming van haar huisrecht dient te prevaleren boven het belang van de Staat bij bescherming van het (eigendoms)recht van [eigenaresse]. Ten slotte heeft [eiseres] gesteld dat zij gelet op de hoge woningnood in [plaats] geen andere, betaalbare woning kan bemachtigen.

3.3. De Staat voert verweer. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] het pand bewoont zonder toestemming van [eigenaresse]. Evenmin is in geschil dat [eiseres] een huisrecht uitoefent, welk recht in beginsel wordt beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.3. Met ingang van 1 oktober 2010 is in werking getreden de Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand). Op grond van deze wet is - kort gezegd - het kraken van woningen of gebouwen strafbaar gesteld. Bij deze wetswijziging heeft de wetgever in abstracto het belang van de openbare orde en de bescherming van de (eigendoms)rechten van derden afgewogen tegen het belang van de krakers bij bescherming van hun huisrecht en daarbij het belang van krakers ondergeschikt geacht. Evenwel betekent dit niet dat aan de omstandigheid dat het verblijf wederrechtelijk is, de gevolgtrekking kan worden verbonden dat een kraker geen verdedigbare klacht kan hebben over een (dreigende) schending van zijn huisrecht. Het in artikel 8 lid 2 van het EVRM besloten liggende proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de geadieerde voorzieningenrechter, naast de wederrechtelijkheid, tevens heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang van het belang van de openbare orde en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de krakers, in de concrete omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Niet kan worden uitgesloten dat het belang van de krakers - gelet op de zeer ernstige inbreuk die op het huisrecht wordt gemaakt, en de onomkeerbare gevolgen van ontruiming - in het concrete geval, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, toch zwaarder weegt, dan het belang van de eigenaar. Indien de eigenaar bijvoorbeeld geen enkel belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie, kan de belangenafweging mogelijk in het voordeel van de kraker uitvallen.

4.4. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, ligt de bewijslast van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden die in het concrete geval tot een andere (dan door de wetgever gemaakte) afweging zouden moeten leiden, niet bij de Staat, maar bij [eiseres]. Het is immers [eiseres] die zich beroept op de aanwezigheid van omstandigheden die een uitzondering op de in abstracto in het voordeel van - in dit geval - [eigenaresse] gemaakte belangenafweging rechtvaardigen.

4.5. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [eigenaresse] geen belang heeft bij ontruiming, omdat zij geen concrete plannen met het pand heeft, gesteld dat de begane grond en eerste verdieping van het pand al in 2009 zijn gekraakt, dat dit gedeelte van het pand daarvoor al geruime tijd leeg stond en dat in de afgelopen 10 jaar geen vergunningen voor het pand zijn aangevraagd. Daarnaast heeft [eigenaresse] een achterstand in de aflossing van een hypothecaire schuld van EUR 136.000,- op grond waarvan financiering voor een eventuele renovatie van het pand haar zal worden geweigerd.

4.6. In het licht van de gedetailleerde stellingen van [eiseres], mag van de Staat worden verlangd dat zij niet enkel volstaat met een ontkenning van de stelling dat het pand in gebruik zal worden genomen, maar deze ontkenning van een nadere onderbouwing voorziet. In dit verband heeft de Staat een door [eigenaresse] ondertekende offerte overgelegd voor de verbouwing. Ter zitting heeft [eigenaresse] toegelicht dat de offerte alleen betrekking heeft op de verbouwing van de begane grond en de eerste verdieping van het pand. Dat de verbouwingskosten voor het gehele pand twee maal zo hoog zijn, zoals door [eiseres] gesteld, heeft [eigenaresse] dan ook niet betwist. [eigenaresse] heeft ter zitting voorts een nader specificatie gegeven van de verbouwingswerkzaamheden die zullen plaatsvinden. Met betrekking tot de financiering van de verbouwing wordt overwogen dat [eigenaresse] het pand, nadat de openbare verkoop was aangezegd, zelfstandig in eigendom heeft verworven. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de hypotheekverstrekker, wiens toestemming voor een dergelijke onderhandse verkoop vereist is, haar toestemming hiervoor heeft verleend. Onaannemelijk is dat de hypotheekverstrekker haar toestemming hiervoor zou hebben gegeven indien zij zich er niet van zou hebben vergewist dat [eigenaresse] in de toekomst in staat zou zijn de achterstand in te lopen en aan haar overige financiële verplichtingen te voldoen. Daarmee is aannemelijk dat [eigenaresse] financieel in staat zal zijn de verbouwing- binnen afzienbare termijn - te bekostigen.

4.7. Uit het hiervoorgaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiseres] haar stelling dat ontruiming van het pand alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.8. [eiseres] heeft voorts gesteld dat zij financieel niet in staat is andere betaalbare woonruimte in [plaats] te verkrijgen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uitzonderlijk. Het kraken om goedkoop onderdak te hebben heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wet kraken en leegstand juist willen terugdringen, zodat deze omstandigheid door de wetgever in haar belangenafweging reeds is meegenomen.

4.9. Het vorengaande heeft tot gevolg dat met betrekking tot het huisrecht van [eiseres] geen andere omstandigheden aannemelijk zijn geworden dan die welke de wetgever reeds bij de belangenafweging in abstracto in aanmerking heeft genomen, zodat afwijking van de uitkomst van die belangenafweging in het onderhavige geval niet te rechtvaardigen valt. De door [eiseres] gevraagde voorziening zal derhalve worden geweigerd.

4.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht EUR 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2012.?