Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4056

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
13-706328-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen verstekvonnis, artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW toepasselijk. Opgeëiste persoon heeft zijn door artikel 6 van het EVRM gegarandeerde verdedigingsrechten kunnen doen effectueren. Het bepaalde in artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW vereist niet dat de opgeëiste persoon door zijn gemachtigd raadsman op de hoogte wordt gesteld van het verloop van de procedure en de opgelegde straf, alhoewel dit uiteraard wel vanzelfsprekend zou moeten zijn. Maar de opgeëiste persoon heeft hierin ook een eigen verantwoordelijkheid. Dat de machtiging in deze zaak niet is overgelegd, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank dient immers, ook zonder de daadwerkelijke machtiging, te vertrouwen op de juistheid van de informatie zoals weergegeven in het EAB en de aanvullende brieven van de Italiaanse autoriteiten. De verdediging heeft onvoldoende aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706328-12

RK nummer: 12/3242 (EAB I)

Datum uitspraak: 21 juni 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 april 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2012 (ontvangen per fax op 24 april 2012) door de Sostituto Procuratore Generale (Deputy State Prosecutor General) van het Procura Generale Della Repubblica di Milano (Office of the State Prosecutor General) in Milaan (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon], geboren te [plaats] (Albanië) op [1977],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in het Huis van Bewaring te [plaats];

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Albanese taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een “Enforcement Order” van 25 maart 2009 uitgevaardigd door de State Prosecutor General’s Office te Milaan (NO. 208/2009 SIEP) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het vonnis van The Court of Brescia van 21 juni 2007 (NO. 2386/07) (en tevens van het arrest van The Court of Appeal van Milaan van 13 juni 2008, zoals verzocht middels EAB II).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 10 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 24 jaar en 7 maanden.

Uit de aanvullende informatie van 2 mei 2012 blijkt dat deze resterende straf, na aftrek van 11 maanden, een door de Prosecutor’s Office vastgestelde optelsom is van de straffen, zoals opgelegd bij het vonnis van voornoemd Court of Brescia van 21 juni 2007 (10 jaar opgelegd) en het arrest van The Court of Appeal van Milaan van 13 juni 2008 (15 jaar en 6 maanden opgelegd). De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde uitspraken.

Het vonnis van The Court of Brescia betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van twee oproepingen met betrekking tot de overleveringsprocedure voor deze rechtbank, maar dat niet geheel duidelijk is op welke zaak en parketnummer de oproepingen betrekking hebben. De parketnummers zouden voorts niet overeenstemmen met het afgegeven Lurisnummer op grond waarvan de bewaring is gevorderd. Dit klemt temeer omdat er twee overleveringsverzoeken aan de orde zijn. Er kunnen dan al snel misverstanden ontstaan. De rechtbank wordt dan ook verzocht om duidelijk aan te geven welke EAB’s ten grondslag liggen aan de beslissingen.

De rechtbank overweegt dat er bij haar geen verwarring of misverstand bestaat over de twee uitgevaardigde EAB’s en de daaraan door het parket en de rechtbank aangehangen parket- en rekestennummers. De rechtbank gaat in ieder geval van het volgende uit:

- EAB I (met de onderliggende uitspraak van de rechtbank Brescia van 21 juni 2007) heeft parketnummer 13/706328-12 en rekestennummer 12/3242.

- EAB II (met de onderliggende uitspraak van het Hof van Milaan van 13 juni 2008) heeft als parketnummer 13/706395-12 en rekestennummer 12/3243.

Het is voorts niet aan de rechtbank om zich uit te laten over de omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten krachtens hun regelgeving twee EAB’s dienen uit te vaardigen zolang het voor de rechtbank maar duidelijk is waar de EAB’s op zijn gebaseerd en waarvoor de overlevering wordt gevraagd.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW.

De raadsman heeft zakelijk en samengevat weergegeven betoogd dat in EAB I sprake is van een verstekvonnis in de zin van artikel 12 van de OLW. Nu er geen garantie is gegeven, dient de overlevering te worden geweigerd. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van die onderliggende strafzaak en de opgelegde straf. Volgens de raadsman zien EAB I en II op twee strafzaken, uitgebracht op dezelfde dag bij de rechtbank Brescia. Het is vreemd waarom de zaken niet gevoegd zijn behandeld. Het lijkt de raadsman uitgesloten dat een verdachte, in twee strafzaken die op dezelfde dag bij dezelfde rechtbank aanhangig zijn, zich laat vertegenwoordigen door twee advocaten. Vooral nu de ene advocaat in EAB II wel tijdig appel instelt tegen het veroordelende vonnis en de andere advocaat van EAB I dat nalaat. Dat kan alleen als die advocaat eigenmachtig is opgetreden, zonder machtiging van de opgeëiste persoon en zonder dat de opgeëiste persoon daarvan op de hoogte is gesteld. Voorts is ook veelzeggend dat de uitvaardigende autoriteit in de zaak van EAB II wel een ondertekende machtiging van de opgeëiste persoon kan overleggen en in de zaak van EAB I niet. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de opgeëiste persoon in de zaak van EAB I de dupe is geworden van een charlatan en dat hij deze advocaat niet heeft gemachtigd. In Italië is dit een veel vaker voorkomend probleem. Verdachten (met name Albanese) worden met de nodige regelmaat bij verstek veroordeeld terwijl de voorschriften niet of onvoldoende in acht worden genomen. Het is ook vreemd dat een officier van justitie na het onherroepelijk worden van de zaken overgaat tot strafvermindering terwijl die strafvermindering ook tot uitdrukking had kunnen worden gebracht in één vonnis. Dit alles doet vermoeden dat er sprake is geweest van twee gescheiden trajecten die ieder op hun eigen merites moeten worden beoordeeld waar het de vraag betreft of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het vonnis. De Italiaanse autoriteiten hebben voorts niet adequaat gereageerd op de door het parket gestelde vragen. Er is slechts een vrijblijvend antwoord gegeven en de garantie als bedoeld in artikel 12 van de OLW is niet gegeven. De overlevering dient dan ook ten aanzien van EAB I te worden geweigerd.

Subsidiair heeft de raadsman om aanhouding verzocht om nader onderzoek te doen naar de precieze omstandigheden van de strafzaak, de reden waarom de zaken niet gevoegd zijn, waarom er twee advocaten zijn en waar de machtiging is van de advocaat in deze zaak.

De officier van justitie heeft gemotiveerd betoogd dat het verweer dient te worden verworpen.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van de weergegeven informatie in EAB I en de aanvullende informatie van 28 mei 2012 en 5 juni 2012 de uitzonderingssituatie op de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW, genoemd in artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW van toepassing is.

Uit deze informatie komt naar voren dat de opgeëiste persoon zijn advocaat [advocaat] heeft gemachtigd om hem te verdedigen en dat hij voor die zaak domicilie heeft gekozen ten kantore van deze advocaat. Deze advocaat was aanwezig tijdens de zitting. De advocaat heeft beroep ingesteld tegen het vonnis, maar te laat. De opsteller van het antwoord van 5 juni 2012 weet verder niet of meneer [advocaat] aan de opgeëiste persoon alle informatie over de procedure heeft doorgegeven, maar hij vermoedt van wel.

De rechtbank is gelet op deze informatie van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn door artikel 6 van het EVRM gegarandeerde verdedigingsrechten heeft kunnen doen effectueren. Hierbij is opgemerkt dat het bepaalde in artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW niet vereist dat de opgeëiste persoon door zijn gemachtigd raadsman op de hoogte wordt gesteld van het verloop van de procedure en de opgelegde straf, alhoewel dit uiteraard wel vanzelfsprekend zou moeten zijn. Maar de opgeëiste persoon heeft hierin ook een eigen verantwoordelijkheid.

Ook de omstandigheid dat de machtiging in deze zaak met betrekking tot EAB I niet is overgelegd, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank dient immers, ook zonder de daadwerkelijke machtiging, te vertrouwen op de juistheid van de informatie zoals weergegeven in het EAB en de aanvullende brieven van de Italiaanse autoriteiten. De verdediging heeft onvoldoende aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid daarvan. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan te nemen dat sprake zou zijn van twee verschillende zaken die op dezelfde dag door de rechtbank van Brescia zouden zijn behandeld. In de brief van 5 juni 2012 is immers vermeld dat het vonnis dat in eerste instantie is gewezen in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof van Milaan van 13 juni 2008, is gewezen door de rechtbank te Milaan op 10 juli 2007.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het EAB niet strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, omdat zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en sub b, van de OLW heeft voorgedaan. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om nadere vragen te stellen.

5. Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], geboren te [plaats] (Albanië) op 20 februari 1977, aan de Sostituto Procuratore Generale (Deputy State Prosecutor General) van het Procura Generale Della Repubblica di Milano (Office of the State Prosecutor General) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. S. van Eunen en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juni 2012.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]