Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
13-706414-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Litouwen. Verwerping verweer met betrekking tot Nederlandse kwalifciatie en de evenredigheid. Stelsel van de OLW kent al een evenredigheidstoets. Er wordt op grond van artikel 7 van de OLW niet overgeleverd als de opgelegde straf minder dan vier maanden bedraagt. Een opgelegde vrijheidsstraf van vijf maanden vormt dus geen weigeringsgrond. Verder is ook geen sprake van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overlevering in het geval van de opgeëiste persoon onevenredig zwaar zou zijn. De opgeëiste persoon verschilt hiermee niet van andere personen die worden opgeëist en uit hun dagelijkse leven worden gehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706414-12

RK nummer: 12/3632

Datum uitspraak: 21 juni 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 maart 2012 (ontvangen per fax op 10 mei 2012) door de Minister of Justice van het Ministry of Justice of the Republic of Lithuania in Vilnius (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (Litouwen) op [1980],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in Huis van Bewaring “[locatie]”,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. J.H.M van Dinten, advocaat te Eindhoven en door een tolk in de Litouwse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een op 18 november 2009 (No. T-1713-654/2009) door het Vilnius City 1st District Court genomen “ruling to cancel the suspension of the sentence execution and to execute the imposed sentence of imprisonement” , opgelegd door het Vilnius City 3rd District Court bij vonnis van 13 maart 2009 .

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 5 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis van 13 maart 2009.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Strafbaarheid, feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De raadsman heeft betoogd dat het feit naar Nederlands recht niet kan worden gekwalificeerd. Uit de beschrijving in het EAB onder e) blijkt dat er bij de opgeëiste persoon verschillende documenten zijn aangetroffen die op naam van iemand anders stonden. Dat kan betekenen dat de documenten helemaal niet vals of vervalst waren. Het voorhanden hebben van identiteitsdocumenten is alleen strafbaar als je weet dat de documenten vals of vervalst zijn. En dát staat niet vast.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit verweer dient te worden verworpen. In het EAB onder e) staat vermeld dat de opgeëiste persoon “acquired a knowingly counterfeit passport (…) and the following knowingly fake documents: personal identity card (…) and driver’s licence”. Gelet op deze beschrijving wordt de opgeëiste persoon ervan beschuldigd dat hij wel degelijk weet had van de omstandigheid dat de documenten vals of vervalst waren.

De rechtbank stelt derhalve vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Litouwen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is. (artikel 231 lid 2 WvSr)

en

Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst (art. 225 lid 2 WvSr)

5. Evenredigheid

De raadsman heeft voorts aangevoerd, kort samengevat, dat de uitvoering van het EAB onevenredig zware gevolgen voor de opgeëiste persoon zal hebben. De overlevering wordt voor een erg geringe straf, namelijk vijf maanden, verzocht. De opgeëiste persoon woont al jaren in Ierland, hij is daar geworteld. In Litouwen heeft hij niemand meer omdat zijn hele familie, waaronder zijn vriendin met kind, in Ierland woont.

De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar haar bestendige jurisprudentie (vergelijk: rechtbank Amsterdam, 4 maart 2009, LJN: BH6183), die inhoudt dat het verweer dat het EAB een onevenredig middel vormt ten opzichte van het daarmee beoogde doel, slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen, omdat het stelsel van de OLW al een evenredigheidstoets kent. Zo wordt er op grond van artikel 7 van de OLW niet overgeleverd als de opgelegde straf minder dan vier maanden bedraagt. Een opgelegde vrijheidsstraf van vijf maanden vormt dus geen weigeringsgrond. Verder is ook geen sprake van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overlevering in het geval van de opgeëiste persoon onevenredig zwaar zou zijn. De opgeëiste persoon verschilt hiermee niet van andere personen die worden opgeëist en uit hun dagelijkse leven worden gehaald.

6. Artikel 11 van de OLW

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij bang is dat hij in de gevangenis in Litouwen kennissen van vroeger zal tegenkomen die hem niet goed gezind zijn. De rechtbank dient de vordering aan te houden om te onderzoek waar hij precies zal terechtkomen als hij wordt overgeleverd en of die locatie voldoet aan de vereisten van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt dat ook dit verweer niet kan slagen. Indien de opgeëiste persoon vreest voor zijn medegedetineerden dient hij de bescherming van de Litouwse autoriteiten in te roepen.

Overlevering vindt alleen plaats aan de justitiële autoriteiten van landen die lid zijn van de Europese Unie. Ook Litouwen is, zoals alle lidstaten van de Europese Unie, partij bij het EVRM. Voorts is het uitgangspunt dat een beroep op artikel 11 van de OLW slechts kan slagen indien het wordt gestaafd met concrete feiten en omstandigheden, op grond waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon zal leiden tot een flagrante schending van zijn fundamentele rechten, zoals die worden gewaarborgd in het EVRM. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de opgeëiste persoon feitelijke onderbouwing mist en dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van dient te worden uitgegaan dat de uitvaardigende staat de bepalingen van het EVRM zal nakomen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding het onderzoek aan te houden.

7. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225, 231 van het Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Minister of Justice van het Ministry of Justice of the Republic of Lithuania in Vilnius (Litouwen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. S. van Eunen en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juni 2012.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]