Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3981

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
AWB 11-518 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:910, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wobzaak. Openbaarmaking van bepaalde passages ten onrechte geweigerd met beroep op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling. Andere passages zijn terecht geweigerd op grond van ovenredige benadeling omdat aannemelijk is dat betrokkenen in de toekomst minder bereidwillig zullen zijn om aan dergelijke onderzoeken van het Openbaar ministerie en de rijksrecherche mee te werken, dan wel terughoudender zullen zijn in hun verklaringen. Bovendien hoefden de getuigen, gelet op de aard van het onderzoek, er niet op bedacht behoefden te zijn dat hun verklaringen openbaar zouden worden gemaakt.

Verder is verweerder niet gehouden een samenvatting van de informatie uit de documenten op te stellen en te verstrekken. Artikel 7 van de Wob ziet op de wijze waarop informatie, waarop de weigeringsgronden en beperkingen van de artikelen 10 en 11 van de Wob niet van toepassing zijn, openbaar kan worden gemaakt. Zij is niet van toepassing op informatie waarvan openbaarmaking met een beroep op een van deze bepalingen moet of mag worden geweigerd (zie LJN BD1470). Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/518 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

RTL Nederland,

gevestigd te Hilversum

eiseres,

gemachtigden [A] en [B],

en

de Minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigden mr. A. Dingemanse en mr. M. van der Vegt.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) tot openbaarmaking van geanonimiseerde afschriften van alle processen-verbaal van de Rijksrecherche in, en geanonimiseerde afschriften van alle onderliggende documenten van, het oriënterend onderzoek dat onder leiding van het Landelijk Parket is uitgevoerd naar aanleiding van een aangifte van De Nederlandsche Bank van een vermoedelijke overtreding van de geheimhoudingsbepalingen uit de Wet financieel toezicht, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2012. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en verweerder verzocht om de stukken die verweerder in het kader van de onderhavige procedure aan de rechtbank heeft doen toekomen te completeren.

Nadat verweerder aan dit verzoek heeft voldaan, hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb om zonder nader onderzoek ter zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat verweerder naar aanleiding van haar Wob-verzoek 42 documenten heeft geïnventariseerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op sommige (delen van die) documenten de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g en artikel 11 van de Wob van toepassing zijn. De overige (delen van die) documenten maakt verweerder openbaar.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat verweerder bij een extra zoekslag nog zeventien documenten heeft aangetroffen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op sommige (delen van die) documenten de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g en artikel 11 van de Wob van toepassing zijn. Na het primaire besluit heeft een oud-bestuurder van DSB-bank aangifte gedaan. Verweerder voegt dan ook de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob toe aan de weigeringsgronden. Verweerder acht de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit voor het overige ongegrond.

1.3. Resumerend heeft verweerder ten aanzien van de volgende documenten de navolgende beslissing genomen.

Verweerder heeft de documenten 1. Relaas proces-verbaal, 18. Proces-verbaal aanvraag 126nd 6e lid WvSv, 19. Vordering verstrekking histo gegevens (incl de vordering machtiging), 20. Proces-verbaal verstrekking rapport onderzoeksgroep DNB, 26. E-mail van 16 februari 2010, 27. Aanmeldingsformulier nieuwe onderzoeken, 28. E-mail van 17 februari 2010, 29. Aanmeldingsformulier nieuwe onderzoeken met tioc nummer, 31. E-mail van 18 maart 2010, 36. E-mail van 17 december 2009, 37. E-mail van 18 december 2009, 38. E-mail van 24 december 2009 openbaar gemaakt, met uitzondering van passages.

Volgens verweerder staan de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob in de weg aan openbaarmaking van deze passages.

Verweerder heeft de openbaarmaking van de documenten 2. Schriftelijke (voorlopige) aangifte van [naam], 3. Brief van DNB tav OM begeleiding aangifte, 12. Uitgebreide aangifte namens DNB door [naam], 13. Bijlage aangifte: Verklaring [naam] onderzoek [naam onderzoek], 14. Proces-verbaal verklaring getuige 02 [naam], 15. Bijlage verklaring getuige 02: Feitenrelaas [naam], 17. Proces-verbaal van bevindingen mbt kort geding (inclusief productie 5 en 7), 21. Rapport onderzoeksgroep, 22. Proces-verbaal getuige 01 [naam], 23. Bijlage verklaring getuige 01 [naam] [naam onderzoek] onderzoek, 24. Inventarisatielijst inhoud tas [naam] geweigerd onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob.

Verweerder heeft de openbaarmaking van de documenten 16. Bijlage verklaring getuige 02: Mailbericht met afzender [naam] en 25. Mailbericht/Legal opinion dd 4-10-2009 van [naam] versie [naam] geweigerd onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob en op grond van op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Verweerder heeft de documenten 30. E-mail van 17 maart 2010, 32. E-mail van 27 juli 2010, 34. E-mail van 17 december 2009, 41. E-mail van 16 maart 2010, 42. E-mail van 18 maart 2010 openbaar gemaakt, met uitzondering van passages.

Openbaarmaking van deze passages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob alsmede artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Verweerder heeft de documenten 33. Beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2010, 35. E-mail van 17 december 2009, 39. E-mail van 7 januari 2010, 40. E-mail van 15 maart 2010 openbaar gemaakt, met uitzondering van passages.

Openbaarmaking van deze passages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Verweerder heeft het document 46. Projectplan Barcelona openbaar gemaakt, met uitzondering van passages. Openbaarmaking van deze passages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob.

Verweerder heeft de openbaarmaking van het document 51. Journaalmutaties geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en g, van de Wob.

Verweerder heeft openbaarmaking van de documenten 48. Brief van [naam] d.d. 23 februari 2010 aan de Rijksrecherche en 49. Overzicht afspraken journaalmutaties, 50. De lijst van 'bewijsstukken' geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob.

Verweerder heeft de documenten 52. E-mail van 22 januari 2010 en 54. E-mail van 2 februari 2010 openbaar gemaakt, met uitzondering van passages. Openbaarmaking van deze passages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en e, van de Wob.

Verweerder heeft de documenten 53. E-mailwisseling van 27 januari 2010, 55. E-mailwisseling van 5 februari 2010, 57. E-mail van 9 maart 2010, 58. E-mailwisseling van 16 maart 2010, 59. E-mail van 17 maart 2010 openbaar gemaakt, met uitzondering van passages. Openbaarmaking van deze passages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, en artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Verweerder heeft de openbaarmaking van het document 56. E-mail van 8 februari 2010 geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g en artikel 11 van de Wob.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond van het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2.2. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Op grond van het tweede lid houdt het bestuursorgaan bij het kiezen tussen de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, rekening met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden.

2.3. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.4. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de documenten.

3.2. Na kennisneming van de documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder openbaarmaking van enkele passages en van enkele volledige documenten ten onrechte met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob heeft geweigerd. De passage in document 1, laatste alinea pagina 005 en eerste alinea pagina 006, de passages in document 18, tweede alinea van pagina 086 en tweede alinea van pagina 087, alsmede de passages in document 36 bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen informatie die ziet op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob genoemde belangen. De weigering van verweerder de gevraagde stukken te verstrekken kan dan ook niet worden gedragen door een beroep op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, neergelegde beperkingsgrond.

3.3. Ten aanzien van de documenten 46 en 48 tot en met 59 heeft verweerder de weigeringsgrond, neergelegd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c van de Wob ingeroepen. De rechtbank stelt vast dat deze gegevens inzicht geven in de wijze waarop de opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie informatie hebben verzameld in het kader van het rijksrecherche onderzoek. Bij openbaarmaking van deze gegevens zou de opsporing in dit specifieke geval kunnen worden geschaad. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid onder c, van de Wob, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat met openbaarmaking is gediend.

3.4. Ten aanzien van de documenten 1, 2, 3 en 12 tot en met 42, 46, 48, 49, 50, 52, tot en met 59 heeft verweerder de weigeringsgrond, neergelegd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob ingeroepen. Eiseres heeft verweerder verzocht om openbaarmaking van geanonimiseerde documenten. De rechtbank zal zich dan ook onthouden van een oordeel over de vraag of de stukken terecht zijn ontdaan van persoonsgegevens. Verder heeft verweerder, onder verwijzing naar functiebeschrijvingen en andere tot personen herleidbare informatie gezwart omdat het enkel anonimiseren van de gevraagde documenten onvoldoende bescherming biedt van de in het onderzoek betrokken personen. Voor zover de documenten tot personen herleidbare informatie betreffen, heeft verweerder openbaarmaking daarvan in redelijkheid kunnen weigeren op grond van het in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob omschreven belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank verwerpt de stelling van eiseres dat sommige betrokkenen bij dit onderzoek instemmen met openbaarmaking van hun persoonlijke gegevens. Wat daarvan ook zij, eiseres heeft deze stelling niet afdoende onderbouwd.

3.5. De documenten 1, 2, 3, 12 tot en met 32, 34, 36 tot en met 38, 41, 42, 46, 48 tot en met 51, 53, 55, tot en met 59 bevatten passages die herleidbaar zijn tot bij het onderzoek betrokken personen, bedrijven en instellingen. Verweerder heeft om die reden de weigeringsgrond, neergelegd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob ingeroepen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat openbaarmaking van deze informatie kan leiden tot onevenredige benadeling van de Staat, omdat aannemelijk is dat betrokkenen in de toekomst minder bereidwillig zullen zijn om aan dergelijke onderzoeken van het Openbaar ministerie en de rijksrecherche mee te werken, dan wel terughoudender zullen zijn in hun verklaringen. Verweerder heeft eveneens in aanmerking mogen nemen dat de getuigen, gelet op de aard van het onderzoek, er niet op bedacht behoefden te zijn dat hun verklaringen openbaar zouden worden gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) 20 april 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJ-nummer BQ1879). De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking in dit geval niet opweegt tegen dat van het voorkomen van onevenredige benadeling voor de Staat.

3.6. Verweerder heeft de documenten 16, 25, 30, 32, 34, 41, 42, 53, 55, tot en met 59 niet aan eiseres verstrekt omdat het zou gaan om documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevat.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze documenten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob in redelijkheid kunnen weigeren die documenten openbaar te maken. Op grond van de Wob is verweerder niet gehouden een samenvatting van de informatie uit de documenten op te stellen en te verstrekken. In dit geval kan ook niet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid heeft mogen afzien van gebruikmaking van hem in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid om (delen van) deze documenten in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak van vertrouwelijke advisering en vrije interne gedachtewisseling aan toepassing van dat artikellid in de weg staat.

4.1. Eiseres stelt in beroep dat verweerder een onvolledige zoekslag heeft verricht en niet alle informatie waarover hij beschikt, heeft verstrekt. Eiseres stelt dat in de vrijgegeven documenten op vele posities wordt verwezen naar documenten, bijvoorbeeld bijlagen en onderliggende stukken, die noch verstrekt, noch geweigerd zijn.

4.2. Verweerder stelt alle documenten die onder hem berusten te hebben verstrekt.

4.3. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat hij alle relevante documenten heeft verstrekt en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat er meer relevante documenten aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling van eiseres dat uit de vrijgegeven documenten kan worden afgeleid dat er meer relevante documenten bij verweerder aanwezig zijn, daartoe niet voldoende. De rechtbank is van oordeel dat eiseres deze documenten (meer) concreet had moeten benoemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1. Eiseres stelt verder dat verweerder een te grove selectie heeft gemaakt. Eiseres stelt dat verweerder per document dient te onderbouwen waarom de afweging tot weigering moet leiden. Eiseres stelt dat verweerder te ruim, dat wil zeggen zonder dat daaraan een juiste afweging van de belangen ten grondslag ligt, met het van toepassing verklaren van de eerder genoemde weigeringsgronden is omgegaan.

5.2. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling, kan, hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, daarvan onder omstandigheden worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 28 april 2010, LJN BM2629).

5.3. De rechtbank overweegt dat de omvang van de beoordeling in dit geval met zich meebrengt dat kan worden volstaan met een motivering per categorie. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit het besluit kan worden afgeleid welke documenten behoren tot de betreffende categorie documenten en op welke grond deze categorie is geweigerd. Vervolgens heeft verweerder per weigeringsgrond toegelicht waarom die grond zich volgens hem in de desbetreffende documenten voordoet en, voor zover hij zich beroept op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e of g, van de Wob, waarom het publieke belang van openbaarmaking naar zijn mening niet opweegt tegen de daar genoemde belangen.

6.1. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat verweerder onvoldoende aandacht heeft besteed aan subsidiaire verstrekkingsvormen of het leveren van samenvattingen per geweigerde passage of document. Op grond van de Wob is verweerder niet gehouden een samenvatting van de informatie uit de documenten op te stellen en te verstrekken. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres gewenste verstrekkingsvormen worden genoemd in artikel 7 van de Wob. Die bepaling ziet op de wijze waarop informatie, waarop de weigeringsgronden en beperkingen van de artikelen 10 en 11 van de Wob niet van toepassing zijn, openbaar kan worden gemaakt. Zij is niet van toepassing op informatie waarvan openbaarmaking met een beroep op een van deze bepalingen moet of mag worden geweigerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 14 mei 2008, LJN BD1470).

7.1. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies.

- Ten aanzien van de passage in document 1, laatste alinea pagina 005 en eerste alinea pagina 006, de passages in document 18, tweede alinea van pagina 086 en tweede alinea van pagina 087, alsmede de passages in document 36 heeft verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking achterwege dient te blijven op de door hem aangegeven gronden.

- Openbaarmaking van de overige in het bestreden besluit geweigerde documenten mag achterwege blijven.

8.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

8.2. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in aanmerking de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 298 (zegge: tweehonderd achtennegentig euro) vergoedt;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874 (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en A.M. van der Linden - Kaajan, leden, in aanwezigheid van B.O. Schaafsma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

de griffier, de voorzitter,

De griffier is buiten staat Bij afwezigheid van de voorzitter en de

deze uitspraak te ondertekenen. oudste rechter is deze uitspraak ondertekend door de jongste rechter.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB