Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3703

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
AWB 11-5989 HUISV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingebruikgeving woning zonder huisvestingsvergunning. Was op dat moment sprake van een vergunningplichtige woning? Puntenstelsel. Renovatiewerkzaamheden vonden plaats na het in gebruik geven. Beschermd stads- en dorpsgezicht, toch geen toeslag van 15% over de bij het puntenaantal behorende huurprijs. Aantal voor overige ruimten toe te kennen punten niet relevant voor beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5989 HUISV

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A. Noordermeer - van der Heide,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. van der Hijden.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd op grond van artikel 5:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft verweerder op grond van artikel 4:86 van de Awb besloten tot invordering van die boete.

Bij besluit van 8 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en standpunten van partijen

1. Eiser is eigenaar van de woning gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats] (de woning). Het betreft een woning binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht. Op 12 november 2010 heeft eiser [A] ([A]) bij verweerder voorgedragen als huurder voor zijn woning. Bij besluit van 18 januari 2011 is verweerder akkoord gegaan met deze voordracht en heeft verweerder een huisvestingsvergunning verstrekt.

2. Op 17 maart 2011 heeft verweerder aan [A] een factuur gezonden in verband met te betalen leges voor de huisvestingsvergunning. Deze factuur is aan verweerder teruggestuurd met de mededeling: “Verhuisd / weggegaan. Bestemming onbekend!!!”. Sinds 3 januari 2011 stond een ander persoon op het adres ingeschreven die niet als huurder bij verweerder was voorgedragen. Hierop is verweerder een buitendienstonderzoek gestart.

3. Uit het rapport van bevindingen van 31 maart 2011 blijkt dat buitendienstinspecteur

[buitendienstinspecteur] tijdens een huisbezoek aan de woning op 28 maart 2011 twee bewoners heeft aangetroffen, namelijk de heer [B] en mevrouw [C] ([B] en [C]). [B] en [C] hebben verklaard dat zij sinds 1 februari 2011 in de woning woonden en dat zij voornemens waren zich op 29 maart 2011 in te schrijven. Blijkens de door [B] overgelegde huurovereenkomst van 1 augustus 2010, huurde hij de woning vanaf 1 augustus 2010 voor de duur van achttien maanden.

4. Bij primair besluit heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van € 6.000,- opgelegd en besloten tot invordering van die boete. Nu is vastgesteld dat de woning volgens het puntensysteem van het Besluit Huurprijzen Woonruimte (het Besluit) 107 punten telt, is sprake van een vergunningplichtige woning en zijn de regels van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (de Verordening) van toepassing. Door de woning in gebruik te geven zonder dat hiervoor een huisvestingsvergunning is verleend, handelt eiser in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 3, onder b, van de Verordening, aldus steeds verweerder.

5. Bij bestreden besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat de woning in ieder geval op 1 februari 2011 nog vergunningplichtig was.

6. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de woning op 1 februari 2011 meer dan 121 punten telde en derhalve niet als vergunningplichtig was aan te merken.

7. Verweerder heeft in beroep primair verwezen naar de motivering van het bestreden besluit.

Wettelijk kader

8. Op grond van artikel 5 van de Huisvestingswet heeft de gemeenteraad van Amsterdam in de Verordening bepaalde huurwoningen aangewezen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 1, derde lid, van de Verordening). Om te bepalen of een woning hieronder valt, wordt een puntenstelsel gehanteerd dat de kwaliteit van een zelfstandige woning uitdrukt in punten. Als volgens dit stelsel aan een woning minder dan 122 punten worden toegekend, valt de woning onder de reikwijdte van de Verordening en is de woning vergunningplichtig.

9. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet en artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening is het verboden een vergunningplichtige woning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Burgemeester en wethouders kunnen bij de eerste overtreding van dit verbod bij bedrijfsmatige exploitatie een bestuurlijke boete opleggen van € 6.000,- (artikel 60 van de Verordening in samenhang met kolom A van de in bijlage vijf van de Verordening opgenomen tabel).

10. Wanneer sprake is van een woning binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht in Amsterdam, wordt ingevolge het Monumentenbeleid Huurcommissie (het Monumentenbeleid) op grond van artikel 8a van het Besluit de bij het puntenaantal behorende huurprijs verhoogd met een toeslag van 15%, indien aantoonbaar extra investeringen zijn gedaan voor instandhouding van de monumentale waarde van de woning en deze extra investeringen een ondergrens van € 2.268,90 te boven gaan.

Beoordeling

11. De rechtbank stelt voorop dat de woning op 1 februari 2011 door eiser zonder huisvestingsvergunning in gebruik is gegeven aan [B] en [C]. De vraag die moet worden beantwoord is of op deze datum sprake was van een vergunningplichtige woning in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 1, derde lid, van de Verordening. Daartoe moet - gelet op het hiervoor weergegeven systeem - beoordeeld worden of op 1 februari 2011 de woning al dan niet 122 punten of meer waard was.

12. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in maart 2011 is begonnen met de renovatie van de woning. Op 1 februari 2011 hadden nog geen renovatiewerkzaamheden plaatsgevonden. De door eiser overgelegde puntentellingen van Vastgoed Belang Ledenservice B.V. dateren echter van na de renovatie. Desalniettemin is volgens eiser door verweerder ook vóór

1 februari 2011 een te laag puntenaantal aan de woning toegekend. Als het juiste aantal punten wordt toegekend voor de verkeersruimte, de buitenruimte en de vloer- en dakisolatie telt de woning afgerond 111 punten. De woning ligt binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht, zodat een toeslag van 15% geldt en de woning derhalve gewaardeerd zou moeten worden op 127 punten, aldus eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning op 1 februari 2011 slechts 107 punten telde, hetgeen door de toezichthouder van de Dienst Wonen, Zorg en Samenleving is vastgesteld. Onder verwijzing naar het Monumentenbeleid heeft verweerder uiteengezet dat de woning van eiser niet in aanmerking komt voor een toeslag van 15%, nu geen sprake is van beeldbepalende elementen aan de woning en eiser bovendien niet aantoonbaar extra investeringen heeft gedaan voor de instandhouding van de monumentale waarde, aldus verweerder.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat eiser ervan uit is gegaan dat de woning in aanmerking kwam voor een toeslag van 15% op grond van het enkele feit dat deze onderdeel uitmaakt van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Gelet op het hiervoor onder r.o. 10 weergegeven beleid is echter voor toekenning van de toeslag daarnaast van belang dat aangetoond wordt dat een investering is gedaan voor instandhouding van de monumentale waarde. Verweerder heeft daarover toegelicht dat dit betekent dat geïnvesteerd moet zijn in beeldbepalende elementen aan de woning. Nu eiser ter zitting heeft verklaard niet te weten of een investering als bedoeld in het Monumentenbeleid is gedaan en hij heeft verklaard niet over stukken te beschikken waaruit een dergelijke investering blijkt, heeft hij zijn stelling dat de woning in aanmerking komt voor een toeslag van 15% bovenop het door hem vastgestelde puntenaantal van 111 punten niet nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de woning derhalve niet in aanmerking komt voor een toeslag van 15%.

14. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag hoeveel punten voor de verkeersruimte, de buitenruimte en de vloer- en dakisolatie dienen te worden toegekend, in dit geval niet relevant is, nu ook volgens eisers eigen standpunt ter zitting de woning zonder de toeslag 111 punten telt. Nu een woning waaraan minder dan 122 punten kan worden toegekend onder de reikwijdte van de Verordening valt, is de woning - ook met toekenning van het maximale aantal punten voor verkeersruimte, buitenruimte en vloer- en dakisolatie - alsnog vergunningplichtig.

15. De rechtbank komt tot de conclusie dat voor de woning op 1 februari 2011 een huisvestingsvergunning was vereist. Nu eiser niet beschikte over een huisvestingsvergunning, heeft hij, door de woning desondanks in gebruik te geven, gehandeld in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet en artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening. Verweerder heeft derhalve op goede gronden een bestuurlijke boete opgelegd en besloten tot invordering van die boete over te gaan.

16. Gelet op het voorgaande kunnen de beroepsgronden niet slagen. Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling van verweerder tot vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

D: B

SB