Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3365

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
AWB 12-221 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht geen extra uren toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/221 WRB

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op 4 mei 2012 in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. S. Schuurman,

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. E.J.W. Reijnders.

Zitting hebben:

mr. C.J. Polak, rechter,

mr. J.M. Breimer, griffier.

Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door mr. P.M. Hoogstad, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen meegedeeld dat partijen binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van de gemachtigde van eiser ongegrond.

Overwegingen

1. Bij besluit van 6 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van de gemachtigde van eiser om extra uren rechtsbijstand te mogen besteden in een strafzaak, afgewezen. Bij besluit van 30 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk is, omdat eiser zelf geen bezwaar heeft gemaakt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten. Het beroep van de gemachtigde van eiser is wel ontvankelijk.

3. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) wordt, indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan driemaal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits de raad voor rechtsbijstand (de raad) de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31 Bvr heeft goedgekeurd.

4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr, voor zover hier van belang, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de tijdgrens een aanvraag in bij de raad tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Ingevolge het tweede lid van dat artikel stemt de raad geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien hij van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

5. Verweerder hanteert volgens het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, 2006; hierna: het Handboek Vergoedingen) als beleid dat de begroting van de tijdbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten extra werkzaamheden, bedoeld in artikel 31 van het Bvr 2000, wordt goedgekeurd, wanneer de zaak in vergelijking met andere soortgelijke zaken zodanig feitelijk en/of juridisch gecompliceerd is, dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens heeft kunnen plaatsvinden en alsnog de begrote tijd vergt. Een zaak is feitelijk gecompliceerd, indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet.

6. Verweerder heeft de aanvraag van de gemachtigde om extra uren afgewezen, omdat in de strafzaak geen sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, noch van een bijzondere rechtsvraag.

7. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een zodanige veelheid van juridisch relevante feiten, dat dit het gebruikelijke overstijgt. Uit de bij de begroting overgelegde urenlijst blijkt wel dat de gemachtigde van eiser werkzaamheden heeft verricht in de strafzaak en daarvoor wellicht meer uren heeft besteed dan voor hem gebruikelijk is, maar uit de lijst blijkt niet dat de gevraagde extra uren zijn besteed omdat sprake is van een veelheid van juridisch relevante feiten. De rechtbank merkt hierbij op dat het aantal daadwerkelijk bestede uren niet het criterium is voor het toekennen van een vergoeding voor extra uren, maar dat verweerder op een meer abstracte wijze toetst of de extra uren voor vergoeding in aanmerking komen.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van een bijzondere rechtsvraag die zich in strafzaken zelden voordoet en met de behartiging waarvan meer tijd dan gemiddeld gemoeid is. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft kennelijk al in een andere strafzaak op het door de gemachtigde van eiser genoemde punt een uitspraak gedaan. De gemachtigde van eiser heeft de uitspraak van het EHRM wel nader moeten bestuderen en moeten toepassen op de specifieke strafzaak van eiser, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat daaraan zoveel extra tijd is besteed, dat die extra tijd voor vergoeding in aanmerking komt.

9. De rechtbank merkt nog op dat er op grond van het Bvr voor het horen van getuigen en voor extra zittingen – op aanvraag – extra punten kunnen worden toegekend.

10. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid de aanvraag om extra uren heeft kunnen afwijzen, en verklaart het beroep van de gemachtigde van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier de rechter

Afschrift verzonden op:

D: C

SB