Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3164

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
13-523110-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk geworden dat sprake is van eenzijdig en onvolledig onderzoek door politie en Openbaar Ministerie. Recht op eerlijk proces niet geschonden. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen.

Moord bewezen geacht. Verdachte heeft het latere slachtoffer tijdens een autorit drie keer door zijn hoofd geschoten, wat heeft geleid tot diens dood. Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar opgelegd in overeenstemming met de vordering van het Openbaar Ministerie. Onherstelbare vormverzuimen vastgesteld. Geen reden voor strafvermindering omdat verdachte hierdoor geen nadeel heeft ondervonden. Vordering gevangenneming afgewezen omdat het feit dat verdachte wordt veroordeeld er op zichzelf niet toe leidt dat de geschokte rechtsorde herleeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/523110-06 (Promis)

Datum uitspraak: 20 juli 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1973],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [postcode], [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 9 februari 2012, 18 juni 2012, 20 juni 2012, 26 juni 2012, 28 juni 2012,

29 juni 2012, 2 juli 2012, 3 juli 2012 en 6 juli 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. C.J. Cnossen en S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. F. van Baarlen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 07 april 2006 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren en/of te Hilversum, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (met een vuurwapen) een of meer kogel(s) door/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2006 tot en met 7 april 2006 te Haarlem en/of Amsterdam en/of Nederhorst Den Berg en/of Hilversum, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten een pistool (kaliber 6.35) met munitie, voorhanden heeft/hebben gehad.

3. Voorvragen

3.1 Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1 Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi verzocht het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging omdat het onderzoek door het politieteam en het Openbaar Ministerie eenzijdig en onvolledig is geweest, waardoor het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat de zogenaamde bekentenis van [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1]) uitgangspunt is geweest van het recherche onderzoek, terwijl [A] (verder te noemen [A]) - die verdachte een alibi verschafte - niet werd geloofd.

Ook heeft het Openbaar Ministerie zich steeds verzet tegen de onderzoekswensen van de verdediging en door de rechtbank bevolen onderzoek zeer traag of onvolledig uitgevoerd.

Verder was het onderzoek naar de verdwenen Ford Mondeo abominabel.

De laptop van verdachte is eerst niet en toen slecht onderzocht, waardoor ontlastende gegevens niet boven water zijn gekomen. Ook is de computer van [B] niet onderzocht.

Voor het onderzoek naar de fotoboeken van de familie van [slachtoffer] en van [C] en het onderzoek naar de boetes in Spanje geldt dat dit onvolledig is verricht en genoegen is genomen met halve antwoorden.

In de verhoren van [D] en [E] is sprake van tunnelvisie bij de politie.

Het onderzoek naar de munitie is niet uitgerechercheerd.

Er is alleen onderzoek gedaan naar de financiële positie van verdachte en niet naar die van de medeverdachten. In het financieel rapport van [F] is met onvolledige gegevens naar de hypothese toegewerkt dat verdachte schulden zou hebben gehad aan [slachtoffer] (verder te noemen [slachtoffer]) in verband met een schijnhuwelijk. Onzorgvuldig is voorts dat er rapporten van [F] zijn van juli 2008 en september 2008 met - nagenoeg - dezelfde inhoud, terwijl een proces-verbaal van bevindingen hieromtrent ontbreekt.

Tot slot is geen onderzoek gedaan naar de leveranciers van anabolen die volgens het verhaal dat verdachte van [medeverdachte 1] heeft gehoord in de Ford Mondeo het slachtoffer hebben doodgeschoten.

Terwijl [medeverdachte 2] niet is gehoord over vermoedelijk lekken ten tijde van de beperkingen van [medeverdachte 1], is bij verdachte uitvoerig onderzoek verricht toen bleek dat hij tijdens zijn beperkingen had gebeld.

Tijdens de beperkingen mocht [medeverdachte 1] wel en verdachte niet bellen met zijn kind.

[medeverdachte 1] werd in zijn verhoren geen strobreed in de weg gelegd, terwijl verdachte voortdurend werd onderbroken, de sfeer in zijn verhoren agressief was en zijn advocaat geen enkele ruimte kreeg.

3.2.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek betwist dat het onderzoek eenzijdig en onvolledig is geweest. Er is geen sprake geweest van vooringenomenheid of tunnelvisie waardoor het onderzoek zodanig is gestuurd dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekortgedaan wordt aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Het Openbaar Ministerie heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Voorafgaand aan de aanhoudingen van [medeverdachte 1] en verdachte is al uitgebreid opsporingsonderzoek verricht. Er zijn onder andere rechtshulpverzoeken gestuurd naar zowel Spanje als Italië.

[medeverdachte 1] werd als eerste aangehouden en legde een uitgebreide en gedetailleerde verklaring af. Deze heeft de richting van het onderzoek bepaald, maar de verklaring is niet voor zoete koek aangenomen. Familie van [medeverdachte 1] is ondervraagd, historische telefoongegevens van [medeverdachte 2] zijn onderzocht, alsmede de auto van [medeverdachte 2].

Verdachte legde aanvankelijk geen inhoudelijke verklaring af. Daar waar verdachte informatie heeft gegeven die controleerbaar was, heeft de politie daadwerkelijk onderzoek verricht.

Door middel van getuigenverhoren en telecomonderzoek is getracht na te gaan of [medeverdachte 1] en [slachtoffer] elkaar kenden. De enkele omstandigheid dat dit niet heeft geleid tot bevestiging van de verklaring van verdachte, maakt het onderzoek op zichzelf nog niet eenzijdig.

Het onderzoek naar de Ford Mondeo is niet gebrekkig geweest. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de foto's in Spanje en Moldavië en de boetes in Spanje.

Er zijn geen aanwijzingen voor lekken ten tijde van de beperkingen van [medeverdachte 1]. Dat [medeverdachte 1] wel en verdachte niet naar zijn kind mocht bellen ten tijde van de beperkingen, was het gevolg van beperkte mogelijkheden tot toezicht in het huis van bewaring.

Het NFI-rapport inzake het munitieonderzoek geeft geen aanknopingspunten voor nader onderzoek in relatie tot [E].

Voor het starten van een financieel onderzoek naar [medeverdachte 1] was geen enkele reden, terwijl het in de slaapkamer van [slachtoffer] gevonden briefje omtrent schulden wel aanknopingspunten bood voor onderzoeken naar de financiële situatie van [slachtoffer] en verdachte. Het feit dat van de financiële rapporten twee versies bestaan, respectievelijk van

23 juli en van 25 september 2008, kan worden verklaard doordat de rapporten van juli vermoedelijk tussenrapporten zijn, waarin nog niet alle verwijzingen zijn opgenomen. De verdediging heeft ook beide versies gekregen.

3.2.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek van de politie naar de feiten in de zogenoemde zaak [naam onderzoek] uitgebreid is geweest. Er is zowel in de richting van [medeverdachte 1] als in de richting van verdachte gerechercheerd. [medeverdachte 1] is als resultaat van dit onderzoek het eerst als verdachte aangehouden, in januari 2007.

Het Openbaar Ministerie heeft genoegzaam toegelicht waarom vanaf januari 2007 de verklaring van [medeverdachte 1] de richting van het onderzoek door de politie heeft bepaald. Die uitgebreide en gedetailleerde verklaring bood immers - anders dan de op dat moment van de zijde van verdachte slechts beschikbare korte ontkennende verklaring als getuige van

29 juni 2006 - aanknopingspunten voor nader onderzoek door het politieteam. Daar waar aanknopingspunten werden geboden de verklaring van verdachte te controleren - bijvoorbeeld door middel van de telecomgegevens - is wel onderzoek verricht door de politie.

Nadat op 25 oktober en 1 november 2007 verdachte bij de rechter-commissaris een gedetailleerde verklaring had afgelegd, is verder onderzoek verricht, mede met het oog op het verifiëren/falsifiëren van de verklaringen van alle verdachten: [medeverdachte 1], [verdachte] en de broers [medeverdachte 2 en 3].

Het verwijt dat bij de politie en het Openbaar Ministerie sprake was van een eenzijdig onderzoek en tunnelvisie gaat - het onderzoek in zijn geheel overziende - niet op.

Dat het Openbaar Ministerie zich steeds heeft verzet tegen de onderzoekswensen van de verdediging, blijkt niet uit de processen-verbaal van de terechtzittingen.

Ook de stelling dat het Openbaar Ministerie bevelen van de rechtbank met betrekking tot het feitenonderzoek zeer traag of onvolledig heeft uitgevoerd, onderschrijft de rechtbank niet.

Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen blijkt dat van bevelen door de rechtbank aan het Openbaar Ministerie eerst sprake was op de terechtzitting van 16 mei 2008, toen de rechtbank het Openbaar Ministerie opdroeg nader onderzoek te verrichten naar de sloop van de Ford Mondeo en naar de Asus laptop van verdachte.

Met betrekking tot de sloop van de Ford Mondeo heeft de politie vervolgens nader getuigenverhoor verricht in juni 2008 op het sloperijcomplex van Lageweide en bij een bedrijf dat autowrakken daar regelmatig ophaalde en naar de shredder bracht.

Van het onderzoek aan de Asus laptop heeft het Openbaar Ministerie op de terechtzitting van

12 augustus 2008 een brief overgelegd van het NFI, gedateerd 6 augustus 2008, inhoudende dat onderzoek heeft uitgewezen dat de harde schijf defect is, maar nader onderzoek mogelijk is.

Aldus is noch ten aanzien van het onderzoek naar de sloop van de Ford Mondeo, noch ten aanzien van het onderzoek aan de Asus laptop aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie bevelen van de rechtbank niet of niet snel genoeg heeft uitgevoerd.

De verdediging verwijt het Openbaar Ministerie verder dat een aantal onderzoeken niet of onvolledig is uitgevoerd. In dit verband noemt de verdediging onderzoek van de Asus laptop van verdachte, onderzoek naar mogelijke verkeersboetes in Spanje en onderzoek naar foto's bij de familie van [slachtoffer] en bij de familie van [C].

Hiervoor geldt dat in alle genoemde gevallen - zij het soms laat - onderzoek verricht is, veelal meermalen en soms zeer uitgebreid. Dat dit onderzoek niet tot het resultaat geleid heeft waarop de verdediging had gehoopt, valt het Openbaar Ministerie niet te verwijten.

Voor door de verdediging gewenst onderzoek door de politie naar munitie in de kring van

[E] en naar de leveranciers van anabolen zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden in het dossier, zodat dergelijk onderzoek in redelijkheid niet kon worden gevergd van het Openbaar Ministerie.

De raadsvrouw heeft ook nog gesteld dat de politieverhoren van [E] en [D] blijk geven van tunnelvisie. Het enkele feit dat [E] bij de rechter-commissaris op meerdere punten anders heeft verklaard dan bij zijn politieverhoor kan deze conclusie niet dragen. De stelling dat de foto's van de verdachten zouden zijn verdraaid is niet aannemelijk geworden. Ook de indruk van [D] dat - aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris - de verhorende verbalisanten het idee hadden dat [C] in Spanje was om een nephuwelijk aan te gaan en daar in het verhoor "naartoe wilden" is onvoldoende om te concluderen tot tunnelvisie.

De raadsvrouw heeft voorts gewezen op verschillen in behandeling tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Hier geldt het volgende.

Verdachte heeft erkend dat hij in strijd met de voor hem geldende beperkingen heeft gebeld vanuit het huis van bewaring, terwijl niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] of zijn raadsman informatie hebben gelekt tijdens de beperkingen. Daardoor kan worden verklaard dat bij verdachte wel en bij [medeverdachte 1] geen onderzoek naar lekken heeft plaats gevonden. Van vooringenomenheid blijkt hier niet.

Eventuele verschillen in sfeer tijdens de politieverhoren van verdachte en [medeverdachte 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank evenmin terug te voeren op vooringenomenheid jegens verdachte.

Voor een rechtshulpverzoek naar Italië met betrekking tot de financiële situatie van medeverdachte [medeverdachte 1] ontbrak een aanknopingspunt, terwijl ten aanzien van [slachtoffer] en verdachte de in de slaapkamer van [slachtoffer] gevonden notitie met betrekking tot schulden aan "Holandes" een duidelijke aanleiding vormde voor onderzoek naar hun financiële situatie.

Het al dan niet mogen bellen met zijn kind tijdens beperkingen ten slotte was afhankelijk van de mogelijkheden tot toezicht in het huis van bewaring en staat los van het onderzoek naar het ten laste gelegde.

Conclusie

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat feitelijk niet aannemelijk geworden is dat sprake is van eenzijdig en onvolledig onderzoek door het politieteam en het Openbaar Ministerie. Het recht van verdachte op een eerlijk proces is dan ook niet geschonden.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in de vervolging.

3.3 Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Beoordeling van de tenlastelegging

4.1 Vastgestelde feiten

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna genoemde feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen zijn vervat.

Op 6 april 2006 hebben verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer] en zijn reisgenoot, [reisgenoot slachtoffer] (hierna aangeduid als [reisgenoot slachtoffer]), van Schiphol opgehaald. Zij hebben hierbij de Ford Mondeo van [medeverdachte 1] gebruikt.i [slachtoffer] was naar Nederland gekomen om anabole steroïden te halen en verdachte zou daarvoor zorgen.ii Verdachte was bevriend met [slachtoffer] en heeft voor de komst van [slachtoffer] naar Nederland op 6 april 2006 regelmatig contact met hem gehad.iii [medeverdachte 1] kende [slachtoffer] niet en heeft voor 6 april 2006 geen contact met hem gehad. [medeverdachte 1] had over de anabole steroïden gehoord van verdachte.iv Voornoemde vier personen zijn van Schiphol naar Haarlem gereden, waar zij met elkaar hebben gegeten in restaurant [restaurant]. Gedurende de avond heeft [slachtoffer] alleen met verdachte gesproken over de anabole steroïden. [slachtoffer] heeft gedurende de avond nauwelijks met [medeverdachte 1] gesproken.v Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte 1] [reisgenoot slachtoffer] en [slachtoffer] afgezet bij [hostel] in Amsterdam. Verdachte is daarna meegegaan naar de woning van [medeverdachte 1] in [plaats].vi Op 7 april 2006 rond een uur of 2 in de nacht zijn verdachte en [medeverdachte 1] weer vertrokken naar Amsterdam met de auto van [medeverdachte 1] om [slachtoffer] op te halen bij [hostel]. Verdachte en [medeverdachte 1] zetten hun mobiele telefoons uit.vii [slachtoffer] is om 2.39 uur op zijn mobiele telefoon gebeld vanaf het telefoonnummer van een telefooncel aan het Waterloopleinviii. [reisgenoot slachtoffer] hoorde [slachtoffer] in het Spaans of Galicisch vragen: "heb jij de steroïden meegebracht?". [slachtoffer] ging toen naar beneden.ix [slachtoffer] is bij verdachte en [medeverdachte 1] achter in de auto gestapt. Vervolgens is het drietal in de richting van Hilversum gereden. Verdachte zei dat hij een partij anabole steroïden wilde gaan bekijken. Onderweg wisselden [slachtoffer] en verdachte van plaats, zodat [slachtoffer] voorin kwam te zitten. In Hilversum is [medeverdachte 1] gestopt op aanwijzingen van verdachte. Verdachte is toen uitgestapt. [slachtoffer] en [medeverdachte 1] bleven in de auto zitten. Na een minuut of twintig kwam verdachte terug. Hij zei [medeverdachte 1] terug te rijden. Onderweg praatte [medeverdachte 1] met verdachte over de route. [medeverdachte 1] kon niet direct de weg terug vinden naar [plaats].x Op een gegeven moment zag [medeverdachte 1] dat er een politieauto achter zijn auto reed.xi xii [slachtoffer] sliep. Verdachte zei [medeverdachte 1] bij Breukelen af te slaan. [medeverdachte 1] reed toen richting Hilversum. Toen hoorde [medeverdachte 1] ineens een knal. [medeverdachte 1] draaide zich om en zag [slachtoffer]. Het leek alsof hij sliep. Hij zag verdachte met een vuurwapen in zijn hand achter [slachtoffer]. Verdachte zei dat [medeverdachte 1] de auto moest keren. Toen hij bijna was gekeerd volgde een tweede schot, waarbij verdachte vloekte in het Spaans. Na het tweede schot zei verdachte tegen [medeverdachte 1] dat hij het raampje naast de passagiersstoel open moest doen. Toen [medeverdachte 1] het raampje had geopend, zag [medeverdachte 1] dat verdachte ging verzitten meer naar het midden - verdachte zat toen bijna achter [medeverdachte 1] - en het vuurwapen richtte op de linker slaap van [slachtoffer]. Toen volgde het derde schot. Op instigatie van verdachte heeft [medeverdachte 1] op een bepaald moment de auto gestopt. Het was donker buiten. xiii Verdachte heeft [slachtoffer] uit de auto getrokken, waarbij [medeverdachte 1] hielp door de autogordel los te maken. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben samen [slachtoffer] ieder onder een arm vastgepakt en naar de rand van het water gesleept. Ze hebben het slachtoffer daar neergelegd en zijn weggereden. [medeverdachte 1] reed en verdachte zat op de bijrijdersplaats.xiv Verdachte vertelde aan [medeverdachte 1] dat hij het had gedaan omdat mensen van [slachtoffer] zijn neef hadden vermoord. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn teruggereden naar de woning van [medeverdachte 1] in [plaats] en hebben zich daar verkleed. Verdachte had bloed op zijn broek. [medeverdachte 1] heeft aan verdachte een grijze joggingbroek van hemzelf van het merk '[merk]' gegeven om aan te trekken. [medeverdachte 1] is gaan slapen. Toen [medeverdachte 1] de volgende ochtend wakker werd, was verdachte in zijn woning aanwezig.xv xvi Verdachte en [medeverdachte 1] zijn toen samen naar de auto gaan kijken en hebben geprobeerd de auto schoon te maken.xvii Ze slaagden er niet helemaal in om de sporen uit te wissen.xviii

Gedragen kleren en de poetsdoeken deden ze bij elkaar in een zak. Verdachte is daarna in de broek van [medeverdachte 1] weggegaan met de auto van [medeverdachte 1] naar zijn vriendin [A].xix Verdachte en [medeverdachte 1] wilden van de auto af en om die reden heeft [medeverdachte 1] die vrijdagmiddag [medeverdachte 2] benaderd om een oplossing voor de auto te bedenken. Die middag rond een uur of 5 zijn verdachte en [medeverdachte 1] in de auto van [A] naar de woning van [medeverdachte 2] boven zijn restaurant aan de [adres] in [plaats] gereden en hebben de mogelijkheid besproken om de auto te vernietigen.xx Daar heeft verdachte ook aan [medeverdachte 2] verteld dat hij [slachtoffer] had dood geschoten met een vuurwapen dat hij bij zich had omdat hij de zaak niet vertrouwde.xxi Diezelfde avond zijn verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar diens broer [medeverdachte 3] gegaan in verband met het vernietigen van de auto. Ook daar hebben verdachte en [medeverdachte 1] samen verteld wat er was gebeurd. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de een hem vertelde dat hij had gereden en de ander hem vertelde dat hij had geschoten.xxii

Op vrijdag 7 april 2006 omstreeks 20.16 uur hebben verbalisanten - na een melding van getuige [getuige 1] (hierna aangeduid als [getuige 1]) - aan de oever van het Hilversumsch Kanaal, aan de zijde van de [weg] te Nederhorst den Berg een menselijk lichaam aangetroffen.xxiii Dat bleek te zijn het stoffelijk overschot van [slachtoffer].xxiv xxv

Op 8 april 2006 heeft [arts en patholoog], arts en patholoog, uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk. Bij sectie blijken drie inschoten in het hoofd:

1. inschot schuin boven het linkeroor. Schotkanaal verlopend van links naar rechts (in vrijwel rechte lijn) en iets naar onder;

2. inschot achterhoofd links

3. inschot achterhoofd juist rechts van het midden.

[arts en patholoog] concludeert dat de dood is ingetreden door de gevolgen van de inschoten in het hoofd.xxvi

De drie kogels afkomstig uit het hoofd van het slachtoffer zijn onderzocht door gerechtelijk deskundige [gerechtelijk deskundige 1]. Voornoemde deskundige concludeert dat twee kogels zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop van een vuurwapen en dat één kogel waarschijnlijk is afgevuurd uit voornoemde loop.xxvii

[gerechtelijk deskundige 2] heeft ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] schotrestenonderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat de verwondingen schuin boven het linkeroor en aan het achterhoofd links van het midden vrijwel zekere inschotverwondingen zijn met een schootsafstand tussen 0 en circa 25 cm. Van de verwonding aan het achterhoofd rechts wijzen de sporen op een opgezet schot.xxviii

Na de aanhoudingen van [medeverdachte 1] en verdachte (respectievelijk op 8 januari 2007 en op 10 januari 2007) wordt in de woning van [A] op 13 maart 2007 een joggingbroek van [merk] in beslag genomenxxix die [medeverdachte 1] herkent als de zijne.xxx De familie van het slachtoffer heeft aan de politie een aantal documenten ter beschikking gesteld, waaronder een aantal door het slachtoffer geschreven briefjes, dat is aangetroffen in diens slaapkamer. Daaronder bevindt zich een notitie inhoudende dat "de Nederlander" ("Holandes") aan hem geldbedragen verschuldigd was.xxxi

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Het Openbaar Ministerie gaat uit van de voor verdachte belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1], die volgens het Openbaar Ministerie voldoende steun vinden in het dossier. De ontkennende verklaringen van verdachte zijn op belangrijke punten niet te rijmen met wat getuigen hebben waargenomen of op andere punten onaannemelijk en/of kennelijk leugenachtig, aldus het Openbaar Ministerie.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de verdediging, kort samengevat, de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de voor verdachte belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] gemotiveerd betwist. Bovendien vinden die verklaringen geen steun in betrouwbaar ander bewijsmateriaal. Tenslotte heeft verdachte een alibi, aldus de verdediging.

4.4 Overwegingen omtrent het bewijs

4.4.1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Waardering van de verklaringen van [medeverdachte 1]

Uit de in rubriek 4.1 door de rechtbank uit de wettige bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden, blijkt dat het dossier voor de beantwoording van de vraag wie de dader(s) is (zijn) van de ten laste gelegde moord/doodslag op [slachtoffer] geen technisch bewijs bevat. Verder kunnen alleen de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] op dit punt als direct bewijs worden aangemerkt. Hij heeft immers verklaard in de nacht van 6 op 7 april 2012 steeds samen te zijn geweest met verdachte en ooggetuige te zijn geweest van het schieten op [slachtoffer] door verdachte. De rechtbank zal motiveren dat de verklaringen van [medeverdachte 1], anders dan de verdediging heeft aangevoerd, betrouwbaar en geloofwaardig zijn.

In dat kader is in de eerste plaats van belang dat [medeverdachte 1] tijdens zijn eerste verhoren een andere, verdachte niet belastende, verklaring heeft afgelegd. [medeverdachte 1] heeft uitgelegd dat hij die eerste, onjuiste verklaringen heeft afgelegd vanwege zijn vriendschap met verdachte. Ook verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in zijn eerste verklaring bij de politie om die reden met [medeverdachte 1] heeft 'meeverklaard'. Verder heeft [medeverdachte 1] uitgelegd dat de wisselende verklaringen die hij heeft afgelegd over het wegmaken van zijn auto het gevolg waren van het feit dat hij met [medeverdachte 3] had afgesproken dat diens naam niet genoemd zou worden. De rechtbank acht deze uitleg aannemelijk en ziet geen reden om de overige verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar of ongeloofwaardig te achten.

Voor zover de verdediging heeft gesteld dat de omslag in [medeverdachte 1]'s verklaringen (naar belastend verklaren voor verdachte) onregelmatig tot stand zou zijn gekomen, deelt de rechtbank deze stelling niet. Zowel [medeverdachte 1] als de betrokken politiefunctionaris ([opsporingsambtenaar 1]) zijn hierover gehoord. Uit hun verklaringen blijkt dat geen sprake is geweest van onregelmatigheden tijdens de rookpauze die [medeverdachte 1] met verbalisant [opsporingsambtenaar 1] voorafgaand aan het afleggen van de voor verdachte belastende verklaringen heeft doorgebracht. [medeverdachte 1] heeft - blijkens zijn verklaring - tot het afleggen ervan besloten na het beluisteren van een gesprek dat was getapt tussen zijn vader en [medeverdachte 2].

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] vanaf zijn verklaring op 9 januari 2007 bij de politie steeds consistent heeft verklaard. Zijn verklaringen zijn uitgebreid en gedetailleerd. [medeverdachte 1] is ook uitvoerig en kritisch bevraagd als getuige bij de rechter-commissaris door de raadsman van verdachte en toen bij zijn verklaringen als verdachte gebleven. De verklaringen van [medeverdachte 1] worden voorts ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

De rechtbank constateert verder dat de verklaringen van [medeverdachte 1] ook steun vinden in andere onderzoeksresultaten, zoals in rubriek 4.1 is weergegeven. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

De verklaring van [medeverdachte 1] met betrekking tot de wijze van schieten past bij de bevindingen van het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer]. De rechtbank wijst op het aantal schotverwondingen, de plaats van de inschotverwondingen en de schootsafstand.

Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat in de vroege ochtend van 7 april 2006 (gaande van zijn huis naar Amsterdam om [slachtoffer] op te halen) telefonisch contact met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden via een telefooncel op het Waterlooplein in Amsterdam. Die verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de in rubriek 4.1 weergegeven constatering van de verbalisanten dat het nummer van [slachtoffer] op 7 april om 02.39 uur is gebeld vanuit een telefooncel op het Waterlooplein.

[medeverdachte 1] heeft ook nog verklaard dat er vlak voorafgaand aan de moord een politieauto achter zijn auto reed. Uit navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer is gebleken dat het kenteken van de auto van [medeverdachte 1] op 7 april 2006 om 03.57 uur is opgevraagd bij de meldkamer door een surveillanceauto van de Politie Gooi en Vechtstreek, zodat de verklaring van [medeverdachte 1] in zoverre wordt bevestigd.

[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat verdachte de ochtend na de moord bij hem is vertrokken naar de woning van zijn vriendin [A] in een grijze joggingbroek van het merk "[merk]". De in beslagname van die joggingbroek in de woning van [A] ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1].

De verdediging heeft naar voren gebracht dat hetgeen [medeverdachte 1] heeft aangevoerd omtrent de tijd en plaats van het doden van [slachtoffer] niet kan kloppen, omdat het strijdig is met ander bewijsmateriaal.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

[medeverdachte 1] heeft verklaard, kort samengevat, dat hij het lichaam van [slachtoffer] direct nadat hij was neergeschoten op 7 april 2006 (terwijl het nog donker was) met verdachte uit de auto heeft gesleept en naar de waterkant heeft gebracht waar het lichaam in de vroege avond van die dag is aangetroffen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt niet strijdig met de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en de bevindingen van de schouwarts.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] valt op te maken dat zij het lichaam van [slachtoffer] voor het eerst waarneemt op 7 april 2006 rond 18:00 uur bij het Hilversumsch kanaal.xxxii Getuige [getuige 2] bevestigt haar waarneming.xxxiii

Getuigen [getuige 3]xxxiv en [getuige 4]xxxv zijn op 7 april 2006 respectievelijk rond 16:00 uur en 17:00 uur in de buurt geweest van de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen. Zij hebben verklaard toen niets aan de waterkant te hebben zien liggen. Getuige [getuige 3] is blijkens zijn verklaring in de berm gaan kijken naar vuilnis. Hij is vanaf de andere kant van de weg overgestoken naar de berm die grenst aan het water waarin [slachtoffer] is aangetroffen. Niet gebleken is dat hij dit op een plaats heeft gedaan vanwaar het lichaam van [slachtoffer] zichtbaar was, mede in aanmerking genomen de steil aflopende walkant.xxxvi Als de verklaring van getuige [getuige 4] wordt gevolgd met betrekking tot de manier waarop hij over het Hilversumsch kanaal heeft gevaren, moet worden geconcludeerd dat hij nooit de plek heeft bereikt waar het lichaam van [slachtoffer] lag, omdat hij daarvoor al met zijn boot was gekeerd.

Uit de verklaringen van voornoemde getuigen kan dus niet worden afgeleid dat het lichaam van [slachtoffer] om 16:00 uur en 17:00 uur nog niet lag waar het later is aangetroffen en om 18:00 uur wel. De suggestie van de verdediging ter falsifiëring van de verklaring van [medeverdachte 1] dat het lichaam tussen 17:00 uur en 18:00 uur moet zijn neergelegd waar het later is aangetroffen, kan derhalve niet worden gebaseerd op voornoemde getuigenverklaringen. Evenmin kan de verklaring van schouwarts [schouwarts]xxxvii steun bieden voor die suggestie nu de schouwarts op de dag van het aantreffen van het lichaam en ook tijdens haar verhoor enkele maanden later dermate weinig exact is over het moment van overlijden van [slachtoffer] dat hieraan naar het oordeel van de rechtbank geen conclusies over het tijdstip van overlijden kunnen worden verbonden.

De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] met betrekking tot het weggooien van het gebruikte vuurwapen in het Hilversumsch kanaal niet kan kloppen, nu dit wapen daar niet is gevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

[medeverdachte 1] heeft op 16 januari 2007 en 17 januari 2007 met de politie getracht de plek te traceren waar het wapen volgens [medeverdachte 1] door verdachte is weggegooid. [medeverdachte 1] heeft tijdens het rijden van de route, die hij ook in de bewuste nacht heeft afgelegd, aangewezen waar hij dacht dat verdachte het wapen heeft weggegooid.xxxviii Politieduikers hebben het gebied afgezocht, maar het wapen niet gevonden. De duikleider (duikteam KLPD) heeft naar aanleiding van het verrichte onderzoek geconcludeerd dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat het gezochte object niet op de locatie ligt.xxxix De rechtbank begrijpt uit het proces-verbaal van voornoemde verbalisant dat dit te maken heeft met de (grillige) bodemgesteldheid op de afgezochte locatie en de gebruikte zoekmethodes en technische middelen. De omstandigheid dat het wapen niet is aangetroffen, maakt de verklaring van [medeverdachte 1] hieromtrent derhalve niet onbetrouwbaar noch ongeloofwaardig.

Het scenario van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte 1] anabole steroïden zou leveren aan het slachtoffer en dat verdachte slechts bemiddelde tussen zijn beide vrienden. Verdachte heeft een alibi voor de periode waarin het ten laste gelegde zou hebben plaats gevonden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

[medeverdachte 1] heeft steeds verklaard dat hij niets te maken had met de komst van [slachtoffer] naar Nederland om anabole steroïden te halen. Hij kende [slachtoffer] in het geheel niet vóór 6 april 2006 en is ook nooit in Spanje geweest, aldus [medeverdachte 1].

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij niets te maken had met de anabole steroïden wordt blijkens de in rubriek 4.1 weergegeven feiten en omstandigheden ondersteund door de verklaring van [reisgenoot slachtoffer], de reisgenoot van [slachtoffer] dat het verdachte was die voor de anabole steroïden zou zorgen. Uit de verklaring van [reisgenoot slachtoffer] blijkt dat [slachtoffer] in Nederland ook alleen met verdachte en niet met [medeverdachte 1] praatte over anabole steroïden.

De politie heeft onderzoek gedaan naar een eventuele relatie tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1], onder meer door te kijken naar het telefoonverkeer tussen beiden. De slotsom van dat onderzoek is dat er alleen op 5 april 2006 éénmaal van het Nederlandse mobiele nummer van [medeverdachte 1] is gebeld met het Spaanse mobiele nummer van [slachtoffer].xl Daarvoor heeft [medeverdachte 1] een verklaring gegeven, te weten dat verdachte dit telefoontje heeft gepleegd met de telefoon van [medeverdachte 1], omdat verdachte zelf geen beltegoed had.xli De rechtbank vindt die verklaring aannemelijk gezien het feit dat er geen enkel ander telefonisch contact tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] is vastgesteld en de politie tevens constateert dat er vanaf 3 april 's avonds tot 6 april 's middags in het geheel niet is gebeld met de mobiele telefoon van verdachte.xlii Bovendien vindt 6 minuten na afloop van bedoeld gesprek op 5 april een gesprek plaats vanaf de vaste lijn van [medeverdachte 1] naar de ex-partner van verdachte, terwijl deze ex-partner regelmatig met verdachte belde en zij niet bevestigt door [medeverdachte 1] te zijn gebeld.xliii

De politie heeft onderzocht of [medeverdachte 1] in Spanje is geweest, zoals verdachte heeft verklaard. Dit is niet gebleken. Weliswaar is door de ex-partner van verdachte, verklaard dat [medeverdachte 1] in Spanje zou zijn geweest, maar deze verklaring berust niet op haar eigen waarneming.xliv Ook overigens is er geen bewijs dat verdachte in Spanje is gezien. De verdediging heeft aangevoerd dat dit wel het geval is bij [C], maar deze heeft dit in haar verhoor bij de rechter-commissaris ontkend.xlv

In het door verdachte geschetste scenario zou het doodschieten van [slachtoffer] te maken hebben met betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij handel in XTC en/of anabole steroïden. Ter terechtzitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat de schutters Albanezen zouden zijn. Het door verdachte geschetste scenario vindt de rechtbank niet geloofwaardig of aannemelijk. Uit het politie onderzoek blijkt van geen enkele betrokkenheid van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] bij enige vorm van drugshandel.

De waardering van de verklaringen van verdachte

De ontkennende verklaring van verdachte en de alternatieve verklaringen die hij geeft voor belastende onderzoeksresultaten, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte pas op 25 oktober 2007, ruim negen maanden na zijn aanhouding en nadat hij de mogelijkheid had gehad het dossier te bestuderen, een verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Hij heeft aldus in de mogelijkheid verkeerd zijn verklaring af te stemmen op de onderzoeksresultaten. Dit geldt in veel mindere mate voor [medeverdachte 1], die al vanaf 9 januari 2007 zijn (voor verdachte belastende) verklaringen is gaan afleggen. Waar zijn verklaringen in overeenstemming zijn met daarna bekend geworden onderzoeksresultaten, versterkt dit, anders dan in het geval van verdachte, de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

Alibi verdachte

Verder beoordeelt de rechtbank het alibi van verdachte als niet geloofwaardig.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] mee naar huis is gegaan na het wegbrengen van [slachtoffer] en [reisgenoot slachtoffer] naar [hostel] en vervolgens door [medeverdachte 1] tegen middernacht naar huis is gebracht waar zijn vriendin [A] ook was en daar de nacht is gebleven. [A] heeft verklaringen afgelegd die dit alibi zouden moeten bevestigen. Haar verklaringen over het alibi zijn echter wisselend. Waar zij ter terechtzitting op 29 juni 2012 verklaart met 100 % zekerheid te kunnen zeggen dat verdachte die nacht bij haar was, verklaart zij dit eerder met veel minder stelligheid. Verder vindt de rechtbank voor de weging van de verklaringen van [A] het telefoongesprek van belang dat tussen verdachte en [medeverdachte 1] plaatsvond op 2 juni 2006 waarin verdachte zegt dat [A] tegen de politie min of meer verteld heeft wat hij haar gezegd heeft en bovendien heeft gezegd dat ze bij hem is geweest, waarop verdachte lacht. Volgens de rechtbank lijkt het er aldus op dat er afgesproken is wat [A] zou verklaren, wat afbreuk doet aan haar geloofwaardigheid.

Motief

De verdediging heeft tot slot nog aangevoerd dat verdachte geen valide motief had om [slachtoffer] te doden.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat de daad een wraakactie voor een om het leven gebrachte neef van verdachte zou zijn, zoals verdachte wel tegen [medeverdachte 1] en de broers [medeverdachte 2 en 3] heeft verteld volgens hun verklaringen.

De rechtbank acht het echter niet onaannemelijk dat van een financieel motief sprake is geweest. Wat er ook zij van een eventueel schijnhuwelijk tussen [slachtoffer] en [C], de rechtbank ziet in de notitie die in de slaapkamer van het slachtoffer is gevonden in ieder geval een aanwijzing dat verdachte schulden had aan het slachtoffer. De (vertaalde) tekst van de notitie luidt immers - onder meer - dat de Nederlander [slachtoffer] tot januari 2006 totaal 3000 euro schuldig was. Verdachte heeft toegegeven dat hij in Spanje de Nederlander werd genoemd. Verder heeft verdachte zelf ter terechtzitting verklaard dat hij in de tijd dat het ten laste gelegde plaatsvond niet over een vast inkomen beschikte en het ene financiële gat met het andere vulde. Ook is het niet onmogelijk dat de al dan niet vermeende transactie in anabole steroïden die verdachte zou regelen tot (financiële) problemen met [slachtoffer] heeft geleid, waarvoor verdachte geen oplossing wist.

Zekerheid over een motief is op grond van het dossier niet te geven. Dat dit mee zou brengen dat verdachte bij gebrek aan overtuigend bewijs zou moeten worden vrijgesproken, zoals de verdediging stelt, ziet de rechtbank niet in.

Voorbedachte rade

Verdachte heeft tijdens de autorit, op de terugweg van Hilversum naar [plaats], het latere slachtoffer drie keer door zijn hoofd geschoten, wat heeft geleid tot diens dood. Het latere slachtoffer zat recht vóór verdachte en sliep. Het gebruikte vuurwapen heeft verdachte voor aanvang van de autorit bij zich gestoken.xlvi Tussen de schoten heeft blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] enige tijd gezeten. Onder deze omstandigheden heeft verdachte tijd gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank concludeert dan ook dat de ten laste gelegde voorbedachte raad kan worden bewezen.

4.4.2 Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Niet kan worden bewezen dat de schoten zijn afgevuurd uit een vuurwapen van categorie II en/of III, te weten een pistool. Het (moord)wapen is niet gevonden en het technische onderzoek met betrekking tot de aangetroffen kogels in het hoofd van het slachtoffer biedt hiervoor niet het vereiste bewijs, nu de conclusie van dit onderzoek luidt dat niet vastgesteld kon worden uit wat voor type vuurwapen de kogels zijn afgevuurd.

5.Verzoeken tot nader onderzoek

De verdediging heeft verzocht om - in geval de verklaringen van verdachte omtrent de chat op de Asus laptop door de rechtbank niet worden geloofd - nader onderzoek hiernaar te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op haar beslissing van

18 juni 2012 tot afwijzing van dit verzoek en verwijst voor de motivering naar het proces-verbaal van de terechtzitting.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding de zaak aan te houden voor nader onderzoek naar het bestaan van een schijnhuwelijk tussen het slachtoffer en [C], nu het - eventuele - bestaan daarvan niet van belang is voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 7 april 2006 in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels door/in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf en maatregel

9.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten, te weten de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van voorarrest.

Bij het bepalen van hun eis hebben de officieren van justitie rekening gehouden met het leed dat de familie van het slachtoffer is aangedaan, met de gevoelens die het feit in de samenleving heeft opgeroepen en met het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.

9.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen afzonderlijk strafmaatverweer gevoerd.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer] van het leven beroofd en heeft daarmee zijn moeder, vader en zus hun zoon en broer ontnomen en hierdoor onherstelbaar leed aangedaan. Een reden voor deze moord is niet duidelijk geworden en verdachte heeft hierin op geen enkel moment inzicht willen geven. De nabestaanden zullen daardoor niet alleen met het gemis van [slachtoffer] moeten leven, maar ook met de onwetendheid over het waarom van zijn dood.

Wat de rechtbank feitelijk kan vaststellen is dat verdachte met zijn vrienden [slachtoffer] en [medeverdachte 1] in een auto is gestapt, terwijl hij een vuurwapen bij zich had. Tijdens de daarop volgende autorit heeft verdachte [slachtoffer], terwijl deze zat te slapen, drie keer van achteren door het hoofd geschoten, waaronder één schot waarbij hij het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer] hield. Aldus heeft verdachte een persoon die hem als vriend beschouwde koelbloedig en op lafhartige wijze om het leven gebracht.

Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 15 jaren - zoals geëist door het Openbaar Ministerie - in beginsel passend. Persoonlijke omstandigheden die een matigende invloed op de straf hebben zijn niet gebleken.

9.4 Ten aanzien van het verzoek tot strafvermindering op grond van 359a Sv

9.4.1 standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vastgestelde schendingen van het verschoningsrecht te sanctioneren door het toepassen van een forse strafvermindering. Het gaat om ernstige schendingen, gezien het belang dat artikel 126aa Sv lid 2 beoogt te beschermen.

9.4.2 Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat met de enkele vaststelling van de schending kan worden volstaan.

9.4.3 Oordeel van de rechtbank

In het kader van de beslissing op de preliminaire verweren heeft de rechtbank ter terechtzitting van 26 juni 2012 het volgende vastgesteld ten aanzien van het tappen van (geheimhouders)gesprekken in de zaak [naam onderzoek]:

- één geheimhoudersgesprek is gebruikt bij de aanvraag tot verlenging van een tap in het onderzoek tegen [verdachte] (paragraaf 1);

- gesprekken van medegedetineerden van [verdachte], waaronder geheimhoudersgesprekken zijn aan de rechtbank en aan de verdediging verstrekt; (paragraaf 2.1.a);

- niet is aannemelijk geworden dat de z.g. spookgesprekken het gevolg zijn van een menselijke fout;

- in ieder geval één gesprek van [verdachte] was te beluisteren op de aan de verdediging verstrekte dvd's (paragraaf 2.1.c);

- bij de selectie van geheimhoudersgesprekken is het verschoningsrecht niet steeds ten volle gerespecteerd (paragraaf 3);

- 9 geheimhoudersgesprekken, waaronder in ieder geval 1 gesprek dat inhoudelijk van aard was, zijn verstrekt aan rechtbank en verdediging (paragraaf 4);

- 2 gesprekken zijn aangemerkt als geheimhoudersgesprek en niet uitgewerkt op papier, maar niet voorgedragen voor vernietiging (paragraaf 4);

- 16 geheimhoudersgesprekken zijn wel in het operationele systeem vernietigd, maar niet ook in het archiefsysteem (paragraaf 4);

- vele geheimhoudersgesprekken zijn niet onmiddellijk vernietigd maar pas na kortere of langere tijd (paragraaf 4);

- de verslaglegging van de vernietiging is tekort geschoten (paragraaf 4);

- niet is aannemelijk geworden dat geheimhoudersgesprekken zijn gebruikt in het onderzoek in de zaak [naam onderzoek], behalve het hiervoor genoemde gesprek in de zaak tegen [verdachte];

- niet is aannemelijk geworden dat sturing van het onderzoek door geheimhoudersgesprekken heeft plaats gevonden.

Voor de beoordeling van het verzoek tot strafvermindering geldt de begrenzing tot vormverzuimen, die in het voorbereidende onderzoek naar het aan verdachte ten laste gelegde feit zijn gemaakt. Daarom weegt de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek niet mee dat gesprekken van medegedetineerden van verdachte, waaronder geheimhoudersgesprekken, zijn verstrekt aan rechtbank en verdediging.

Van de volgende vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek naar het aan verdachte ten laste gelegde feit is sprake:

1. Gebruik van één geheimhoudersgesprek bij de aanvraag tot verlenging van een tap.

Het betreft hier een gesprek inhoudende dat [G] met de raadsman van verdachte een afspraak maakt om de raadsman te bezoeken.

2. Eén gesprek van verdachte met zijn raadsman was te beluisteren op de aan de verdediging verstrekte dvd's.

3. Nog negen geheimhoudersgesprekken, waaronder in ieder geval één gesprek dat volgens de officier van justitie inhoudelijk van aard was, zijn in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten verstrekt aan de rechtbank en de verdediging. De overige acht gesprekken waren - zoals de officier van justitie onweersproken door de verdediging heeft gesteld - niet inhoudelijk van aard, waarmee zij doelt op situaties waarin de lijn in gesprek was, niet opgenomen werd, de vraag werd gesteld om teruggebeld te worden of het ging om het enkele maken van een afspraak. Niet bekend is geworden of het hier telefoonverkeer tussen verdachte en zijn raadsman betreft.

4. Bij de selectie van geheimhoudersgesprekken is het verschoningsrecht niet steeds ten volle gerespecteerd in die zin dat bij de selectie van geheimhoudersgesprekken van de PI-taps werd teruggegrepen naar het beluisteren van gesprekken, terwijl bij de eerdere taps al was overgegaan tot selectie op basis van nummerherkenning van de telefoon van de raadsman en beluisteren dus niet meer noodzakelijk was om geheimhoudersgesprekken te kunnen selecteren.

5. Twee gesprekken in de zaak tegen verdachte zijn aangemerkt als geheimhoudersgesprek en niet uitgewerkt op papier, maar niet voorgedragen voor vernietiging en zestien geheimhoudersgesprekken zijn wel in het operationele systeem vernietigd, maar niet ook in het archiefsysteem. Niet bekend is geworden of het hier telefoonverkeer tussen verdachte en zijn raadsman betreft.

6. Vele geheimhoudersgesprekken - waaronder gesprekken tussen verdachte en zijn raadsman - zijn niet onmiddellijk vernietigd maar pas na kortere of langere tijd en de verslaglegging van de vernietiging is tekort geschoten.

Met de plicht tot terstond vernietigen van geheimhoudersgesprekken ex artikel 126aa lid 2 Sv heeft de wetgever beoogd te waarborgen dat het vertrouwelijk verkeer tussen verdachte en raadsman ook vertrouwelijk blijft. Gelet op het zwaarwegende belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend is sprake van ernstige vormverzuimen. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat niet alleen de regels met betrekking tot vernietiging niet zijn nageleefd, maar in enkele gevallen het verschoningsrecht ook daadwerkelijk is geschonden en dat één geheimhoudersgesprek ook in het onderzoek van verdachte is gebruikt.

De vormverzuimen zijn onherstelbaar.

De vraag is vervolgens of verdachte nadeel heeft ondervonden door de vormverzuimen.

Voor wat betreft het gebruik bij verlenging van een tap van een geheimhoudersgesprek van [G] met de raadsman van verdachte zou gesteld kunnen worden dat het in de eerste plaats [G] en niet de verdachte is die door de niet naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Maar omdat het gesprek in de zaak van verdachte is afgeluisterd en - zoals uit een tapgesprek tussen verdachte en [G] blijkt - het hier het maken van een afspraak voor een mogelijk getuigenverhoor in de zaak van verdachte betrof - acht de rechtbank ook het vertrouwelijk verkeer van verdachte met zijn raadsman geschonden. Nu de inhoud van het geheimhoudersgesprek slechts het maken van een afspraak betreft is de rechtbank echter van oordeel dat verdachte hierdoor geen concreet nadeel heeft geleden.

Ook voor de overige vormverzuimen geldt dat verdachte hierdoor geen nadeel heeft ondervonden. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat sturing van het onderzoek heeft plaatsgevonden door het gebruik van deze geheimhoudersgesprekken.

Dit leidt ertoe dat het verzoek tot strafvermindering wordt afgewezen en de rechtbank volstaat met het constateren van de verzuimen.

Gevangenneming

Het Openbaar Ministerie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd en daarbij als grond voor de voorlopige hechtenis aangevoerd dat er nog altijd sprake is van geschokte rechtsorde en tevens dat een veroordeling de geschokte rechtsorde doet herleven. De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De voorlopige hechtenis van verdachte is op 12 januari 2007 bevolen, onder meer op de grond dat de rechtsorde ernstig was geschokt. Op 6 december 2010 heeft de raadkamer van de rechtbank de voorlopige hechtenis opgeheven, omdat daarvoor geen grond meer aanwezig werd geacht. De verdachte was toen al meer dan een jaar in de maatschappij teruggekeerd. Sindsdien is niet gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten.

De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen, omdat de rechtbank - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel is dat het feit dat verdachte thans veroordeeld wordt, er op zichzelf niet toe leidt dat de geschokte rechtsorde als grond voor de voorlopige hechtenis herleeft.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 654,88 (zeshonderd vierenvijftig euro en achtentachtig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], wonende op het adres [adres] , toe tot € 654,88 (zeshonderd vierenvijftig euro en achtentachtig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan de Staat € 654,88 (zeshonderd vierenvijftig euro en achtentachtig eurocent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 13 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. B. van Berge Henegouwen en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2012.

Mr. C.W. Inden is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

i Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2012.

ii Verklaring van [reisgenoot slachtoffer] van 6 februari 2008, afgelegd te Ourense, Spanje, ten overstaan van de Spaanse officier van justitie [Spaanse officier van justitie] en mr. [rechter-commissaris], rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam, p. 4.

iii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2012.

iv Verklaring van [medeverdachte 1] van 7 augustus 2008, afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 8.

v Voornoemde verklaring van [reisgenoot slachtoffer] (noot 2), p. 4.

vi Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2012.

vii Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 26.

viii Een proces-verbaal van 1 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], houdende onderzoek naar telecommunicatie, (hoofdstuk 8 p. 12 met bijbehorende bijlage 11).

ix Voornoemde verklaring van [reisgenoot slachtoffer] (noot 2), p. 3.

x Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 26-27.

xi Een proces-verbaal van relaas van 4 oktober 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] (p. 32 van het proces-verbaal, onder 7.15).

xii Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 27.

xiii Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 27-33.

xiv Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 33 e.v..

xv Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 41.

xvi Een proces-verbaal van 20 februari 2007, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1], met bijgevoegd het verslag van het studioverhoor van [medeverdachte 1] van 14 februari 2007 (hoofdstuk 17, p. 154).

xvii Een proces-verbaal van 20 februari 2007, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1], met bijgevoegd het verslag van het studioverhoor van [medeverdachte 1] van 14 februari 2007 (hoofdstuk 17, p. 150 tot en met 154).

xviii Verklaring [medeverdachte 2] van 20 augustus 2008, afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 15.

xix Een proces-verbaal van 20 februari 2007, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1], met bijgevoegd het verslag van het studioverhoor van [medeverdachte 1] van 14 februari 2007 (hoofdstuk 17, p. 150 tot en met 154).

xx Voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] (noot 4), p. 43.

xxi Een proces-verbaal van 18 januari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 1], houdende het verhoor van [medeverdachte 2], (hoofdstuk 19, p. 030).

xxii Verklaring [medeverdachte 3] van 20 augustus 2008, afgelegd bij de rechter-commissaris, p 4[0][0].

xxiii Een proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2006, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 6] en [opsporingsambtenaar 7] (hoofdstuk 1, p. 001 tot en met 004).

xxiv Een proces-verbaal van 14 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 8] en [opsporingsambtenaar 9], houdende het verhoor van [H], (hoofdstuk 2, p. 087 e.v.).

xxv Een proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2006, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 9] en [opsporingsambtenaar 8] (hoofdstuk 2, p. 116).

xxvi Een verslag, van het Nederlands Forensisch Instituut, van 3 oktober 2006, opgemaakt door de beëdigde deskundige [arts en patholoog], arts en patholoog (hoofdstuk 2, p. 022 tot en met 029).

xxvii Een onderzoeksverslag van 9 augustus 2006, opgemaakt door [gerechtelijk deskundige 1] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (hoofdstuk 2, p. 19 tot en met 21).

xxviii Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 mei 2006, zaaknummer [zaaknummer], opgemaakt door [gerechtelijk deskundige 2] op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (hoofdstuk 2, p. 14 tot en met 17).

xxix Een kennisgeving van in beslag neming van 15 maart 2007 (hoofdstuk 14, p. 013).

xxx Een proces-verbaal van 3 april 2007, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1] (hoofdstuk 17, p. 195).

xxxi Een proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (hoofdstuk 13, p. 051) en een tweetal geschriften, te weten kopieën van de notitie in de Spaanse taal en de Nederlandse vertaling ervan (hoofdstuk 16, p. 216 en 218).

xxxii Een proces-verbaal van 10 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 8], houdende de verklaring van [getuige 1] (hoofdstuk 1, p. 005 tot en met 007).

xxxiii Een proces-verbaal van 10 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 9], houdende de verklaring van [getuige 2], (hoofdstuk 1, p. 008 en 009).

xxxiv Een proces-verbaal van 10 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 10], houdende de verklaring van [getuige 3], (hoofdstuk 1, p. 010).

xxxv Een proces-verbaal van 11 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 9], houdende de verklaring van [I], (hoofdstuk 1, p. 011 en 012).

xxxvi Een proces-verbaal T.G.O.-onderzoek van 11 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 11] en [opsporingsambtenaar 12] (p. 2 van het proces-verbaal en de bijgevoegde foto's 11, 14 en 15).

xxxvii Een proces-verbaal van 24 september 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 4], houdende de verklaring van [schouwarts], (hoofdstuk 2, p. 039 tot en met 047).

xxxviii Een tweetal processen-verbaal van bevindingen van 17 januari 2007 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1] (hoofdstuk 11, p. 001 tot en met 005).

xxxix Een proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van duikinzet van 30 mei 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 13] (hoofdstuk 11, p. 007 tot en met 010).

xl Een proces-verbaal van 1 november 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], houdende onderzoek naar telecommunicatie, (hoofdstuk 8, p. 9 met bijbehorende bijlagen 22 en 25).

xli Een proces-verbaal van 1 november 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], houdende onderzoek naar telecommunicatie, (hoofdstuk 8, p. 10 met bijbehorende bijlage 18, p. 18).

xlii Een proces-verbaal van 1 november 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], houdende onderzoek naar telecommunicatie, (hoofdstuk 8, p. 10 met bijbehorende bijlage 19, p. 2).

xliii Een proces-verbaal van 1 november 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], houdende onderzoek naar telecommunicatie, (hoofdstuk 8, p. 10 met bijbehorende bijlage 21).

xliv Verklaring van [J] van 8 februari 2008, afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2.

xlv Verklaring van [C] van 15 april 2008, afgelegd bij de rechter-commissaris mr. [rechter-commissaris], p. 18.

xlvi Een proces-verbaal van 18 januari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 1], houdende de verklaring van [medeverdachte 2] (hoofdstuk 17, p. 030).

??

??

??

??

Inzake: [verdachte]

Parketnummer: 13/523110-06 (Promis)

3

21