Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2771

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
13/993061-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude; oplichting niet bewezen, wel het aantrekken van geld zonder vergunning; verdachten niettemin aansprakelijk voor verdwenen inleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/189

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993061-07

Datum uitspraak: 23 maart 2012

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1948],

wonende te [postcode], [plaats], op het adres [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

1.1. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de

terechtzitting van 9 maart 2012.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.O. Bakker en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy naar voren hebben gebracht.

1.3. De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/993060-07), die werd bijgestaan door zijn raadsman E. Boskma.

2. Tenlastelegging

2.1. Verdachte wordt verweten dat hij telkens primair feitelijk leiding heeft gegeven aan de volgende door [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1]) gepleegde misdrijven, subsidiair deze misdrijven zelf heeft begaan:

1. Medeplegen van oplichting.

2. Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse geschriften (Financial Guarantee Bonds) dan wel deze geschriften voorhanden hebben.

3. Medeplegen van het opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekken.

2.2. De integrale tekst van de tenlastelegging is in een bijlage vervat die aan dit vonnis is gehecht. Deze geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1. De raadsman heeft gesteld dat het recht op strafvervolging ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde wegens verjaring gedeeltelijk is komen te vervallen. Het verweer slaagt ten dele.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt. Het onder 1 ten laste gelegde (oplichting) is strafbaar gesteld bij artikel 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). Op dit misdrijf was ten tijde van de ten laste gelegde periode een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren gesteld. Sinds de inwerkingtreding op 1 februari 2006 van de Wet herijking strafmaxima van 12 december 2005, Stb. 2006, 11, is op dit misdrijf een gevangenisstraf van maximaal vier jaren gesteld.

In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, LJN BK1998, NJ 2010, 231 en HR 16 februari 2010, LJN BK6357, NJ 2010, 232).

2.3. Ten laste gelegd is kort gezegd dat [rechtspersoon 1] zich onder leiding van verdachte in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 heeft schuldig gemaakt aan oplichting.

Bij de inwerkingtreding op 1 februari 2006 van de wijziging van artikel 326 Sr. was het ten laste gelegde misdrijf nog niet verjaard. Dit brengt mee, gelet op wat hiervoor onder 2.2 is overwogen, dat bij de vaststelling van de verjaringstermijn moet worden uitgegaan van het nieuwe strafmaximum (vier jaren). Op grond van artikel 70, eerste lid onder 3° Sr. vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in dit geval in twaalf jaren. Er zijn nog geen twaalf jaren verstreken sinds het begin van de ten laste gelegde periode. De ten laste gelegde oplichting is dus niet verjaard.

2.4. Het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, zoals onder 3 is ten laste gelegd, werd bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren (artikel 1 in verbinding met artikel 2 en 6 van de Wet op de economische delicten).

Verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 leiding heeft geven aan [rechtspersoon 1] dat opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezichtkredietwezen 1992 overtrad.

De eerste daad van vervolging ter zake het overtreden van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die de verjaring stuitte, was het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Deze is op 6 juni 2007 aan verdachte betekend. Het onder 3 ten laste gelegde – voor zover het betreft de periode tot 6 juni 2001 – is derhalve op grond van artikel 70, eerste lid onder 2° Sr. waarin wordt bepaald dat het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren vervalt voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, verjaard. De officier van justitie is ten aanzien daarvan niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir, dat als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, gerekwireerd tot bewezen verklaring van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde. Desgevraagd heeft de officier van justitie nader toegelicht dat het opzet van verdachte op de oplichting blijkt uit de leningovereenkomst tussen bijvoorbeeld [benadeelde D] en [rechtspersoon 1] waar onder meer het volgende staat opgenomen: “To provide start-up financing to the amount of

€ 110.000 for the duration of four months to facilitate the trade activities of [rechtspersoon 1] Limited bearing an interest renumeration of 10%. (…) The loan will be secured by a Financial Gurantee Bond to be issued bij [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] of Switserland and Sweden to [rechtspersoon 1].” Uit het dossier blijkt dat het geld was bestemd voor een houtkapproject. Verdachte en zijn medeverdachte zijn beiden werkzaam geweest in het bankwezen en moeten dus weten dat geld dat voor X wordt geleend niet voor Y mag worden ingezet. Uit de overeenkomst volgt verder dat een legal opinion was te verwachten, maar daarvan is niets terug te vinden. Ook hieruit blijkt het amateurisme waarmee te werk is gegaan. Verdachte heeft moeten weten en had ook kunnen weten dat sprake was van oplichting, aldus de officier van justitie.

3.2. Het standpunt van de verdediging

3.2.1. De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan oplichting zoals onder 1 is ten laste gelegd omdat de oplichting is gepleegd door de zakenpartners, met wie hij en [medeverdachte] via [rechtspersoon 1] in zee zijn gegaan, en verdachte en [medeverdachte] van die oplichting eveneens slachtoffer zijn geworden. Verdachte heeft er daarna alles aan gedaan om het geld dat was ingelegd, terug te halen, maar is daarin niet geslaagd. Profijt heeft verdachte nauwelijks genoten. Verdachte had met andere woorden geen opzet op oplichting, ook niet in voorwaardelijke vorm en dient daarom te worden vrijgesproken.

3.2.2. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte wist dat de in de tenlastelegging opgenomen passages uit de Financial Gurantee Bonds in strijd waren met de waarheid en uitsluitend opgenomen waren om mogelijke investeerders te bewegen tot betaling over te gaan, zodat hij ook van valsheid in geschrift zoals aan hem onder 2 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken.

3.2.3. De periode dat [rechtspersoon 1] betrokken was bij het aantrekken van investeerders via [A] was vrij kort. Gelet op de geringe hoeveelheid investeerders is het de vraag of wel gesproken kan worden van “bedrijfsmatig” handelen. Vaak spreekt men van bedrijfsmatig handelen als meer dan 25 investeerders participeren; in dat geval wordt niet meer gesproken van het aantrekken van geld in een besloten kring en is een vergunning nodig.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.1. De feiten waarop de verdenkingen tegen verdachte en [medeverdachte] berusten, kunnen als volgt worden samengevat.

3.3.1.2. Verdachte en [medeverdachte] geven leiding aan [rechtspersoon 1]. [rechtspersoon 1] is gehuisvest in hetzelfde kantoorpand te Oudewater als het assurantiebedrijf van [A].

Verdachte en [medeverdachte] komen via [B] in contact met [C] van Trans Continental Enterprises Holding CL. Naar zijn zeggen staat hij op het punt de exploitatie te beginnen van een houtkapproject in Ivoorkust. Voor de startfinanciering zoekt hij beleggers. De Zweden [D], [E] en [F] van het Zweedse bedrijf [rechtspersoon 3] bieden aan de in te leggen gelden te verzekeren via zogenoemde Financial Guarantee Bonds die elders zullen worden herverzekerd.

3.3.1.3. In overleg met [A] benadert [rechtspersoon 1] vervolgens 35 klanten van [A] om hen te interesseren voor belegging in het project. Ongeveer een tiental van hen hapt toe. Zij lenen aan [rechtspersoon 1] voor vier maanden geld tegen een voorgespiegeld rendement van 10%. Het geld maken zij op instructie van [rechtspersoon 1] in de periode van eind juni tot en met begin oktober 2001 over op een bankrekening van de Zweedse vennootschap [rechtspersoon 3]; daarboven storten zij 1 % van hun inleg op een bankrekening van [rechtspersoon 1] te Luxemburg.

3.3.1.4. [E] en [D] stellen een voor elke lening opgemaakte, zogenoemde Financial Guarantee Bond in handen van [rechtspersoon 1]. Verzekeraar naar luid van die Bonds is de te Zug, Zwitserland gevestigde vennootschap [rechtspersoon 2].

Wanneer de looptijd van de leningen verstrijkt, blijft terugbetaling uit. De Bonds zijn waardeloos. De zojuist genoemde Zwitserse vennootschap bestaat niet. Vrijwel al het ingelegde geld is intussen overgemaakt naar [C] dan wel opgenomen door [E] en [D]. Dat geld blijkt niet te achterhalen.

Slechts een relatief gering bedrag is overgemaakt naar [rechtspersoon 1]; dat geld en het op de Luxemburgse bankrekening gestorte geld heeft [rechtspersoon 1] gebruikt om lopende kosten, waaronder die van het levensonderhoud van verdachte, te bestrijden.

3.3.2. Uit het voorgaande volgt dat de beleggers zijn opgelicht. De vraag is of ook verdachte en [medeverdachte] dit mag worden verweten. Daarvoor is vereist dat komt vast te staan dat zij welbewust de beleggers een rad voor ogen hebben gedraaid teneinde hen tot de door hen gedane betalingen te bewegen.

3.3.3. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval geweest zodat vrijspraak moet volgen.

Uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] zelf zijn bedrogen. Hun moet worden verweten dat zij verregaand nalatig zijn geweest. Zonder enige kennis van zaken, zonder enige deskundige hulp in te roepen en zonder enig onderzoek te doen hebben zij de plannen van [C] voor waar gehouden, hebben zij de heren van [rechtspersoon 3] geloofd en hebben zij met de waardeloze Bonds genoegen genomen.

Tot dit oordeel draagt bij dat van het vele geld dat door de beleggers is ingelegd, slechts een fractie bij [rechtspersoon 1] is terechtgekomen, dat [rechtspersoon 1] gestopt is met de acquisitie voor het project toen terugbetaling uitbleef op de lening waarvan de looptijd als eerste verstreek, en dat [rechtspersoon 1] verschillende pogingen heeft gedaan (zij het op volstrekt amateuristische wijze en zonder de beleggers behoorlijk te informeren) de inleg terugbetaald te krijgen.

Een sterke aanwijzing, zoals de verdediging terecht aanvoert, dat ook [rechtspersoon 1] is bedrogen, vormt de brief van [D] van 19 juni 2001 (D 299) waarin hij aan [rechtspersoon 1] schrijft – kort gezegd – dat van [G], directeur van [rechtspersoon 4] (rb: een Zwitserse makelaar op het gebied van herverzekering), de bevestiging zal worden gevraagd dat [rechtspersoon 4] de Bonds in herverzekering neemt, terwijl deze [G] bij fax van 8 juni 2001 (D 29 A) [D] heeft geschreven dat [rechtspersoon 4] geen enkele bemoeienis meer wenst te hebben met [rechtspersoon 3].

3.3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat evenmin mag worden aangenomen dat verdachte en [medeverdachte] wisten dat de Bonds vals waren zodat verdachte ook van de hem ten laste gelegde valsheid in geschrift moet worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zo al kon worden bewezen dat verdachte de Bonds (in het kader van oplichting) zou hebben gebruikt of voorhanden heeft gehad, het ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert nu in de tenlastelegging niet staat dat verdachte de Financial Guarantee Bonds heeft gebruikt als ware zij echt en onvervalst.

3.3.5. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is vermeld onder 3.3.1.3, heeft [rechtspersoon 1] vanaf eind juni tot en met oktober 2001 geregeld en stelselmatig (bedrijfsmatig) op termijn opvorderbare gelden van een aantal niet-professionele beleggers aangetrokken. Dat deze beleggers allen uit het klantenbestand van [A] kwamen, maakt niet dat sprake was van een besloten kring waarbinnen is geworven. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] en hij de (enige) leidinggevenden van [rechtspersoon 1] waren. Uit een brief van De Nederlandsche Bank van 13 december 2010 blijkt dat verdachte noch [medeverdachte] als vergunninghoudende kredietinstelling of financiële instelling stond ingeschreven in het register dat De Nederlandsche Bank tot en met 31 december 2006 hield op grond van artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde is bewezen.

4. Bewezenverklaring

4.1. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat [rechtspersoon 1], in de periode vanaf 1 juni 2001 tot en met 31 oktober 2001 te Hilversum en/of Oudewater opzettelijk bedrijfsmatig, hierna te noemen op termijn opvorderbare gelden, van het hierna te noemen publiek heeft aangetrokken,

- een geldbedrag van 180.000 Euro van [benadeelde K] en

- een geldbedrag van 45.000 Euro van [benadeelde I] en

- een geldbedrag van 110.000 Euro van [benadeelde D] en

- een geldbedrag van 35.000 Euro van [benadeelde L] en

- een geldbedrag van 68.000 Euro van [benadeelde H] en

- een geldbedrag van 16.500 Euro van [benadeelde F] en

- een geldbedrag van 60.000 Euro van [benadeelde G] en

- een geldbedrag van 40.000 Euro van [benadeelde C] en

- een geldbedrag van 10.000 Euro van [benadeelde B]

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven.

4.2. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.3. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 tot en met 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit dient te leiden tot strafvermindering. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat in het voordeel van verdachte rekening moet worden met de omstandigheid dat hij een zogeheten first offender is, verdachtes leeftijd, de omstandigheid dat hij van een uitkering moet zien rond te komen en dat verdachte lange tijd als mantelzorger voor eerst zijn moeder en daarna zijn vader heeft gezorgd en hij het nog steeds moeilijk heeft met hun overlijden.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

7.3.1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

7.3.2. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

7.3.3. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het leiding geven aan [rechtspersoon 1] dat opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 overtrad. Verdachte heeft zich op een gereguleerde markt begeven zonder zich aan de daarbij behorende markttoetredingsbepalingen te houden. Het toezicht dat in het kader van de Wet toezicht kredietwezen 1992 werd uitgeoefend, beoogde een algemene en preventieve financieel-economische bescherming van het publiek tegen malafide of niet-solvabele kredietinstellingen. De bedoeling van toezicht op de financiële markt is een adequate werking van de financiële markten en de bescherming van beleggers op die markten mogelijk te maken. Het publiek moet kunnen vertrouwen op de deskundigheid, betrouwbaarheid en soliditeit van beleggingsinstellingen die op de financiële markten hun diensten aanbieden. Het publiek dient nu juist te worden beschermd tegen incompetente bemiddelaars zoals verdachte die – zoals de rechtbank ter terechtzitting is gebleken – zonder enige kennis van zaken het geld van particuliere beleggers heeft aangetrokken en geïnvesteerd. Door verdachtes toedoen en nalaten hebben particuliere beleggers veel (spaar)geld verloren.

7.3.4. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van acht weken mede uit het oogpunt van generale preventie passend en geboden is.

7.3.5. De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf met twee weken verkorten wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 13 maart 2007 een aantal maal als verdachte gehoord en kon er sindsdien in redelijkheid rekening mee houden dat er tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet iets meer dan vijf jaar nadien uitspraak. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is met drie jaar overschreden.

8. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen

De in de tenlastelegging genoemde personen met uitzondering van [benadeelde B] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Een van de benadeelde partijen ([benadeelde J]) staat niet met naam en toenaam in de tenlastelegging genoemd, maar uit het dossier blijkt dat hij ook een van de beleggers is wiens geld door [rechtspersoon 1] is aangetrokken. De benadeelde partijen vorderen kort gezegd dat verdachte de door hen betaalde inleg aan hen terugbetaalt. Het betreft [benadeelde C] (40.000,00 euro), [benadeelde D] (110.000,00 euro), [benadeelde E] en [benadeelde F] (16.500,00 euro), [benadeelde G] (60.000,00 euro) en [benadeelde H] (68.000,00 euro). Een aantal van hen vordert daarnaast terugbetaling van het geld dat aan [rechtspersoon 1] is betaald. Het betreft [benadeelde I] (45.450,00 euro), [benadeelde J] (70.700 euro) en [benadeelde K] (181.800,00 euro). [benadeelde L] vordert ten slotte 738.982,19 euro, waaronder de door hem ingelegde 35.000,00 euro. Ter terechtzitting hebben de benadeelde partijen desgevraagd te kennen gegeven ook wettelijke rente te vorderen.

8.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vorderingen toewijsbaar zijn voor het bedrag van de netto-inleg; het ingelegde bedrag dat is overgemaakt na ondertekening van de leenovereenkomst. Wat betreft de rentebedragen en eventueel geclaimde kosten is de toekenning niet zo eenvoudig. De benadeelden hebben op verschillende wijze de rente berekend, terwijl daarnaast diverse gedachten te opperen zijn over de termijnen waarover en de voet waarop deze rentecomponent van de vorderingen kan worden berekend. Er kunnen civiele discussies ontstaan die een zogenaamde ‘eenvoudige vaststelling’ te boven gaan. Dit gedeelte van de – op zich terechte – claim hoort niet in het strafrecht thuis en kan het beste door de civiele rechter worden beslist. De netto-inleg kan worden toegewezen en voor het meerdere zijn de benadeelde partijen niet ontvankelijk, aldus de officier van justitie

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen en daartoe het volgende aangevoerd. Het is evident dat de geldbedragen niet bij verdachte zijn terechtgekomen. In civilibus geldt dat er gekeken wordt naar wie welk aandeel heeft in de schade. Evident is het zo dat verdachte daar niet alleen en zeker niet in aanmerkelijke mate verantwoordelijk voor was. Op grond van de contacten met [A], zijn uitleg, het prospectus van verdachte en zijn medeverdachte, de Financial Guarantee Bond van [rechtspersoon 3] en de garanties die zij gaven, is er schade ontstaan. Duidelijk is dat meerdere personen aansprakelijk zijn voor de schade; meer in het bijzonder [D], [E] en [F]. Zij hebben het geld ontvangen en grotendeels zelf gehouden. Zij hebben nota bene schriftelijk erkend persoonlijk aansprakelijk te zijn. Het lijkt dan ook de moeite waard om hen met die stukken voor de Zweedse civiele rechter te dagvaarden. Op grond van de genoemde argumenten moet worden geconcludeerd (mede gezien de hoogte van de vorderingen) dat een zorgvuldige behandeling van die vorderingen een te grote belasting oplevert voor het strafproces, aldus de raadsman.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partij voor zover het betreft de vordering tot terugbetalen van de betaalde inleg, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.3.2. Verdachte heeft opzettelijk de toezichtwetgeving zoals neergelegd in de Wet toezicht kredietwezen 1992 overtreden. Deze wetgeving (thans geregeld in de Wet op het financieel toezicht) strekt ertoe de belangen van de consumenten te beschermen door instellingen die geld aantrekken, aan regels en toezicht te onderwerpen die de (niet-professionele) belegger zoveel mogelijk de garantie geven dat hun geld naar de regelen der kunst wordt belegd. Die wetgeving is er, zoals deze zaak wel schrijnend duidelijk maakt, niet voor niets want [rechtspersoon 1], in de persoon van verdachte en van [medeverdachte], beschikte niet over enige deskundigheid op het gebied dat zij betrad. Zij hebben door dit gebrek aan kennis ernstige fouten gemaakt, die ertoe hebben geleid dat de door hen geworven beleggers al hun ingelegde geld kwijt zijn. Aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek wordt derhalve voldaan en de schade die de beleggers hebben geleden, is rechtstreeks het voorzienbaar gevolg van de overtreding van de genoemde wet.

Verdachte en [medeverdachte] zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade.

Voor zover verdachte meent dat anderen ook voor de schade moeten opkomen, kan hij proberen op die anderen regres te nemen.

8.3.3. Voor de vaststelling welke schade de beleggers nog meer hebben geleden dan hun verloren gegane inleg, is dit strafgeding ongeschikt. De beleggers kunnen hun vordering tot vergoeding van die schade aan de burgerlijke rechter voorleggen. Dat geldt ook voor eventuele nevenvorderingen, met dien verstande dat de rechtbank de gevorderde rente zal toewijzen met ingang van de dag waarop de beleggers ter voldoening van hun verplichting uit de overeenkomst van geldlening hun betaling deden.

8.3.4. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

9. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

9.1. In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f Sr. aan verdachte opgelegd.

9.2. Gelet op het bepaalde in artikel 60a in samenhang met artikel 24c, derde lid Sr. zal de rechtbank het totaal van alle toegewezen bedragen delen door de maximale toegestane vervangende hechtenis van één jaar (365 dagen). De uitkomst van deze som staat telkens voor één dag vervangende hechtenis. Deze “coëfficiënt” levert vervolgens per toegewezen bedrag het aantal dagen vervangende hechtenis op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de wetswijzigingen van 30 juni 2002 en 30 november 2003 van de inmiddels vervallen Wet toezicht kredietwezen 1992. De wettelijke voorschriften zijn dan ook toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wijst uit dat onder verandering van wetgeving in de zin van deze bepaling alleen wordt verstaan een verandering die blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit. De in plaats van (onder meer) de Wet toezicht kredietwezen 1992 per 1 januari 2007 in werking getreden Wet op het financieel toezicht geeft geen blijk van een dergelijk gewijzigd inzicht, zodat de bepalingen van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op de economische delicten onverkort van toepassing zijn.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie – wegens verjaring – niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 3 primair ten laste gelegde voor zover het betreft de ten laste gelegde periode tot 6 juni 2001.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) weken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde C], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde C] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde C] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde C], te betalen de som van € 40.000,00 (veertigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde C], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde D], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 110.000,00 (honderdtienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 juni 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde D] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde D], te betalen de som van € 110.000,00 (honderdtienduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde D], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 16.500,00 (zestienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 september 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde E] en [benadeelde F] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F], te betalen de som van € 16.500,00 (zestiendduizend vijfhonderd euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 (negen) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde E] en [benadeelde F], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde G], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 60.000,00 (zestigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde G] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde G] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde G], te betalen de som van € 60.000,00 (zestigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde G], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde H], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 68.000,00 (achtenzestig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde H] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde H] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde H], te betalen de som van € 68.000,00 (achtenzestigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 (negenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde H], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde I], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 september 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde I] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde I] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde I] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde I], te betalen de som van € 45.000,00 (vijfenveertig duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde I], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde L], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde L] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde L] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde L] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde L], te betalen de som van € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde L], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde K], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 180.000,00 (honderdtachtigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde K] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde K] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde K] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde K], te betalen de som van € 180.000,00 (honderdtachtigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde K], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde J], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 70.000,00 (zeventigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde J] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde J] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde J] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde J], te betalen de som van € 70.000,00 (zeventigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde J], daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A.E.J.M. Gielen en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2012.

Bijlage

Tenlastelegging [verdachte] (13/993061-10)

Aan verdachte [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1. [rechtspersoon 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met hierna te noemen persoon of personen waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- er een startfinanciering werd verstrekt door de lener, en/of - de leentermijn vier maanden bedraagt, en/of

- het geld aangewend zou worden ter ondersteuning van handelsactiviteiten van [rechtspersoon 1], en/of

- er 10% rente betaald zou worden, en/of

- de lening veilig gesteld zou worden door een financiële garantstelling (door [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] uit Zwitserland en Zweden), en/of

- er een verklaring van een bedrijfsnotaris wordt verstrekt dat genoemde garantstelling bestaat;

- de geleende gelden niet zullen worden besteed voordat genoemde garantie is afgegeven;

- terugbetaling en rente-uitkering zal plaatsvinden aan de lener(s) en/of

- belegger(s), waardoor één of meer van de (hierna te noemen) personen (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (hierna te noemen) te noemen geldbedrag(en);

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I](G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde C] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11)

in elk geval een geldbedrag van één of meer belegger(s),

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met hierna te noemen persoon of personen waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- er een startfinanciering werd verstrekt door de lener, en/of

- de leentermijn vier maanden bedraagt, en/of

- het geld aangewend zou worden ter ondersteuning van handelsactiviteiten van [rechtspersoon 1], en/of

- er 10% rente betaald zou worden, en/of

- de lening veilig gesteld zou worden door een financiële garantstelling (door [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] uit Zwitserland en Zweden), en/of

- er een verklaring van een bedrijfsnotaris wordt verstrekt dat genoemde garantstelling bestaat;

- de geleende gelden niet zullen worden besteed voordat genoemde garantie is afgegeven;

- terugbetaling en rente-uitkering zal plaatsvinden aan de lener(s) en/of belegger(s),

waardoor één of meer van de (hierna te noemen) personen (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (hierna te noemen) te noemen geldbedrag(en);

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I](G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde C] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11)

in elk geval een geldbedrag van één of meer belegger(s);

2. [rechtspersoon 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen gebruik maken van een valse of vervalste:

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]1, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]2, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]3, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]4, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]5, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]6, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]7, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]8, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]9, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]10, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]11, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]13, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]14, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]15, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]16, d.d. 17 september 2001, en/of

bestaande dat gebruik maken en/of doen gebruik maken telkens hieruit dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) vorenbedoelde geschriften, heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken en/of getoond en/of doen tonen aan

- [benadeelde K] G/13), en/of

- [benadeelde I] (G/09), en/of

- [benadeelde D] (G/12), en/of

- [benadeelde L] (G/04), en/of

- [benadeelde H] (G/02), en/of

- [benadeelde F] (G/14), en/of

- [benadeelde G] (G/15), en/of

- [benadeelde C] (G/01), en/of

- [benadeelde B] (G/11)

in elk geval aan één of meer van de beleggers in/van [rechtspersoon 1],

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op voornoemde geschriften in strijd met de waarheid werd vermeld dat

onder 1:

"in the event of the borrower (lees [rechtspersoon 1]) failing to pay the lender/insured any debt as per above, mentioned contract, OIC (lees [rechtspersoon 2]) undertakes irrevocably and unconditionally to pay to the lender/insured one hundred percent (100%) of the due amount and due interest, within fifteen (15) bankingdays from date of default."

en/of

onder 3:

"It is understood that OIC has already obtained from the borrower a pledge of assets blocked for OIC and consequently this collateral in from the commencement day, mentioned above, valid in favour of OIC."

in elk geval, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, één of meer van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk voorhanden gehad en/of afgeleverd en/of doen afleveren aan derden, terwijl verdachten en/of zijn mederdader(s) wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) (telkens) voor voornoemd gebruik en/of doen gebruiken bestemd was/waren

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003 te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen gebruik maken van een valse of vervalste:

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]1, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]2, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]3, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]4, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]5, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]6, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]7, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]8, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]9, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]10, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]11, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]13, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]13, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]14, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]15, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]16, d.d. 17 september 2001, en/of

bestaande dat gebruik maken en/of doen gebruik maken telkens hieruit dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) vorenbedoelde geschriften, heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken en/of getoond en/of doen tonen aan

- [benadeelde K] G/13), en/of

- [benadeelde I] (G/09), en/of

- [benadeelde D] (G/12), en/of

- [benadeelde L] (G/04), en/of

- [benadeelde H] (G/02), en/of

- [benadeelde F] (G/14), en/of

- [benadeelde G] (G/15), en/of

- [benadeelde C] (G/01), en/of

- [benadeelde B] (G/11)

in elk geval aan één of meer van de beleggers in/van [rechtspersoon 1],

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op voornoemde geschriften in strijd met de waarheid werd vermeld dat

onder 1:

"in the event of the borrower (lees [rechtspersoon 1]) failing to pay the lender/insured any debt as per above, mentioned contract, OIC (lees [rechtspersoon 2]) undertakes irrevocably and unconditionally to pay to the lender/insured one hundred percent (100%) of the due amount and due interest, within fifteen (15) bankingdays from date of default."

en/of

onder 3:

"It is understood that OIC has already obtained from the borrower a pledge of assets blocked for OIC and consequently this collateral in from the commencement day, mentioned above, valid in favour of OIC."

in elk geval, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, één of meer van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk voorhanden gehad en/of afgeleverd en/of doen afleveren aan derden, terwijl verdachten en/of zijn mederdader(s) wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

dit/die geschrift(en) (telkens) voor voornoemd gebruik en/of doen gebruiken bestemd was/waren;

3. [rechtspersoon 1], op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig, (hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het (hierna te noemen) publiek heeft/hebben aangetrokken, ter beschikking heeft/hebben gekregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het (hierna te noemen) publiek aantrekken of ter beschikking krijgen (van hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden,

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] (G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I] (G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde C] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11)

in elk geval een of meer geldbedrag(en) van een of meer belegger(s)

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig, (hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het (hierna te noemen) publiek heeft/hebben aangetrokken, ter beschikking heeft/hebben gekregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het (hierna te noemen) publiek aantrekken of ter beschikking krijgen (van hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden,

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] (G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I] (G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde C] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11)

in elk geval een of meer geldbedrag(en) van een of meer belegger(s).