Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2752

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
13/993060-07 (A) + 13/993115-07 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude; oplichting niet bewezen, wel het aantrekken van geld zonder vergunning; verdachten niettemin aansprakelijk voor verdwenen inleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/993060-07 (A) + 13/993115-07 (B)

Datum uitspraak: 23 maart 2012

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1944],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvende op het adres [adres], [postcode plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

1.1. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de

terechtzitting van 9 maart 2012.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaak met eerstgenoemd parketnummer wordt hierna zaak A en de zaak met laatstgenoemd parketnummer wordt hierna zaak B genoemd.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.O. Bakker en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E. Boskma naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaken tegen verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/993061-07), die werd bijgestaan door zijn raadsman A.J.M. van Roy.

2. Tenlastelegging

2.1. Verdachte wordt in zaak A verweten dat hij telkens primair feitelijk leiding heeft gegeven aan de volgende door [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1]) gepleegde misdrijven, subsidiair deze misdrijven zelf heeft begaan:

1. Medeplegen van oplichting.

2. Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse geschriften (Financial Guarantee Bonds) dan wel deze geschriften voorhanden hebben.

3. Medeplegen van het opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekken.

4. Medeplegen van oplichting van [benadeelde A].

2.2. In zaak B is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het overtreden van respectievelijk artikel 26, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie. Kort gezegd wordt verdachte het volgende verweten.

1. Het voorhanden hebben van enkele geweren en revolvers en van munitie.

2. Het voorhanden hebben van een degenstok, een blank wapen dat uiterlijk lijkt op een wandelstok.

2.3. De integrale tekst van de tenlastelegging in beide zaken is in een bijlage vervat die aan dit vonnis is gehecht. Deze geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1. De raadsman heeft gesteld dat het recht op strafvervolging ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde wegens verjaring gedeeltelijk is komen te vervallen. Het verweer slaagt ten dele.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt. Het onder 1 ten laste gelegde (oplichting) is strafbaar gesteld bij artikel 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). Op dit misdrijf was ten tijde van de ten laste gelegde periode een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren gesteld. Sinds de inwerkingtreding op 1 februari 2006 van de Wet herijking strafmaxima van 12 december 2005, Stb. 2006, 11, is op dit misdrijf een gevangenisstraf van maximaal vier jaren gesteld.

In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, LJN BK1998, NJ 2010, 231 en HR 16 februari 2010, LJN BK6357, NJ 2010, 232).

2.3. Ten laste gelegd is kort gezegd dat [rechtspersoon 1] zich onder leiding van verdachte in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 heeft schuldig gemaakt aan oplichting.

Bij de inwerkingtreding op 1 februari 2006 van de wijziging van artikel 326 Sr. was het ten laste gelegde misdrijf nog niet verjaard. Dit brengt mee, gelet op wat hiervoor onder 2.2 is overwogen, dat bij de vaststelling van de verjaringstermijn moet worden uitgegaan van het nieuwe strafmaximum (vier jaren). Op grond van artikel 70, eerste lid onder 3° Sr. vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in dit geval in twaalf jaren. Er zijn nog geen twaalf jaren verstreken sinds het begin van de ten laste gelegde periode. De ten laste gelegde oplichting is dus niet verjaard.

2.4. Het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, zoals onder 3 is ten laste gelegd, werd bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren (artikel 1 in verbinding met artikel 2 en 6 van de Wet op de economische delicten).

Verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 leiding heeft geven aan [rechtspersoon 1] dat opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezichtkredietwezen 1992 overtrad.

De eerste daad van vervolging ter zake het overtreden van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die de verjaring stuitte, was het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Deze is op 1 juni 2007 aan verdachte betekend. Het in zaak A onder 3 ten laste gelegde – voor zover het betreft de periode tot 1 juni 2001 – is derhalve op grond van artikel 70, eerste lid onder 2° Sr. waarin wordt bepaald dat het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren vervalt voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, verjaard. De officier van justitie is ten aanzien daarvan niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir, dat als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, gerekwireerd tot bewezen verklaring van het in zaak A onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde en het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde. Desgevraagd heeft de officier van justitie nader toegelicht dat in zaak A het opzet van verdachte op de onder 1 ten laste gelegde oplichting blijkt uit de leningovereenkomst tussen bijvoorbeeld [benadeelde D] en [rechtspersoon 1] waar onder meer het volgende staat opgenomen: “To provide start-up financing to the amount of

€ 110.000 for the duration of four months to facilitate the trade activities of [rechtspersoon 1] bearing an interest renumeration of 10%. (…) The loan will be secured by a Financial Gurantee Bond to be issued bij [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] of Switserland and Sweden to [rechtspersoon 1].” Uit het dossier blijkt dat het geld was bestemd voor een houtkapproject. Verdachte en zijn medeverdachte zijn beiden werkzaam geweest in het bankwezen en moeten dus weten dat geld dat voor X wordt geleend niet voor Y mag worden ingezet. Uit de overeenkomst volgt verder dat er een legal opinion was te verwachten, maar daarvan is niets terug te vinden. Ook hieruit blijkt het amateurisme waarmee te werk is gegaan. Verdachte heeft moeten weten en had ook kunnen weten dat sprake was van oplichting, aldus de officier van justitie.

3.2. Het standpunt van de verdediging

3.2.1. De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan oplichting zoals in zaak A onder 1 is ten laste gelegd omdat de oplichting is gepleegd door de zakenpartners, met wie hij en [medeverdachte] via [rechtspersoon 1] in zee zijn gegaan, en verdachte en [medeverdachte] van die oplichting eveneens slachtoffer zijn geworden. Verdachte heeft er daarna alles aan gedaan om het geld dat was ingelegd, terug te halen, maar is daarin niet geslaagd. Profijt heeft verdachte nauwelijks genoten. Verdachte had met andere woorden geen opzet op oplichting, ook niet in voorwaardelijke vorm en dient daarom te worden vrijgesproken.

3.2.2. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde A] heeft opgelicht zoals aan hem in zaak A onder 4 is ten laste gelegd. Het enkele feit dat het zogeheten Sujarat-project is mislukt, maakt dat niet anders. Verdachte had [benadeelde A] beter moeten informeren maar van doelbewust onder voorwendselen verleiden tot afgifte van geld, was geen sprake.

3.2.3. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte wist dat de in de tenlastelegging opgenomen passages uit de Financial Gurantee Bonds in strijd waren met de waarheid en uitsluitend opgenomen waren om mogelijke investeerders te bewegen tot betaling over te gaan, zodat hij ook van valsheid in geschrift zoals aan hem in zaak A onder 2 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken.

3.2.4. De periode dat [rechtspersoon 1] betrokken was bij het aantrekken van investeerders via [A] was vrij kort. Gelet op de geringe hoeveelheid investeerders is het de vraag of wel gesproken kan worden van “bedrijfsmatig” handelen. Vaak spreekt men van bedrijfsmatig handelen als meer dan 25 investeerders participeren; in dat geval wordt niet meer gesproken van het aantrekken van geld in een besloten kring en is een vergunning nodig. Dit is ook wat verdachte dacht. Verdachte zag het klantenbestand van [A] als een besloten kring. Wanneer dit eerste project een succes zou zijn gebleken, was het verdachtes bedoeling dat [rechtspersoon 1] onder zijn leiding zou doorgaan met deze activiteiten en dat hij dan bij de toezichthouder zou melden waarmee [rechtspersoon 1] zich zou gaan bezighouden. Verdachte heeft daarom niet eerder aan zijn vergunningsplicht voldaan.

3.2.5. Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit toepassing te geven aan artikel 9a Sr.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

3.3.1.1. De feiten waarop de verdenkingen tegen verdachte en [medeverdachte] berusten, kunnen als volgt worden samengevat.

3.3.1.2. Verdachte en [medeverdachte] geven leiding aan [rechtspersoon 1]. [rechtspersoon 1] is gehuisvest in hetzelfde kantoorpand te Oudewater als het assurantiebedrijf van [A].

Verdachte en [medeverdachte] komen via [B] in contact met [C] van Trans Continental Enterprises Holding CL. Naar zijn zeggen staat hij op het punt de exploitatie te beginnen van een houtkapproject in Ivoorkust. Voor de startfinanciering zoekt hij beleggers. De Zweden [D], [E] en [F] van het Zweedse bedrijf [rechtspersoon 3] bieden aan de in te leggen gelden te verzekeren via zogenoemde Financial Guarantee Bonds die elders zullen worden herverzekerd.

3.3.1.3. In overleg met [A] benadert [rechtspersoon 1] vervolgens 35 klanten van [A] om hen te interesseren voor belegging in het project. Ongeveer een tiental van hen hapt toe. Zij lenen aan [rechtspersoon 1] voor vier maanden geld tegen een voorgespiegeld rendement van 10%. Het geld maken zij op instructie van [rechtspersoon 1] in de periode van eind juni tot en met begin oktober 2001 over op een bankrekening van de Zweedse vennootschap [rechtspersoon 3]; daarboven storten zij 1 % van hun inleg op een bankrekening van [rechtspersoon 1] te Luxemburg.

3.3.1.4. [E] en [D] stellen een voor elke lening opgemaakte, zogenoemde Financial Guarantee Bond in handen van [rechtspersoon 1]. Verzekeraar naar luid van die Bonds is de te Zug, Zwitserland gevestigde vennootschap [rechtspersoon 2].

Wanneer de looptijd van de leningen verstrijkt, blijft terugbetaling uit. De Bonds zijn waardeloos. De zojuist genoemde Zwitserse vennootschap bestaat niet. Vrijwel al het ingelegde geld is intussen overgemaakt naar [C] dan wel opgenomen door [E] en [D]. Dat geld blijkt niet te achterhalen.

Slechts een relatief gering bedrag is overgemaakt naar [rechtspersoon 1]; dat geld en het op de Luxemburgse bankrekening gestorte geld heeft [rechtspersoon 1] gebruikt om lopende kosten, waaronder die van het levensonderhoud van [medeverdachte], te bestrijden.

3.3.2. Uit het voorgaande volgt dat de beleggers zijn opgelicht. De vraag is of ook verdachte en [medeverdachte] dit mag worden verweten. Daarvoor is vereist dat komt vast te staan dat zij welbewust de beleggers een rad voor ogen hebben gedraaid teneinde hen tot de door hen gedane betalingen te bewegen.

3.3.3. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval geweest zodat vrijspraak moet volgen.

Uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] zelf zijn bedrogen. Hun moet worden verweten dat zij verregaand nalatig zijn geweest. Zonder enige kennis van zaken, zonder enige deskundige hulp in te roepen en zonder enig onderzoek te doen hebben zij de plannen van [C] voor waar gehouden, hebben zij de heren van [rechtspersoon 3] geloofd en hebben zij met de waardeloze Bonds genoegen genomen.

Tot dit oordeel draagt bij dat van het vele geld dat door de beleggers is ingelegd, slechts een fractie bij [rechtspersoon 1] is terechtgekomen, dat [rechtspersoon 1] gestopt is met de acquisitie voor het project toen terugbetaling uitbleef op de lening waarvan de looptijd als eerste verstreek, en dat [rechtspersoon 1] verschillende pogingen heeft gedaan (zij het op volstrekt amateuristische wijze en zonder de beleggers behoorlijk te informeren) de inleg terugbetaald te krijgen.

Een sterke aanwijzing, zoals de verdediging terecht aanvoert, dat ook [rechtspersoon 1] is bedrogen, vormt de brief van [D] van 19 juni 2001 (D 299) waarin hij aan [rechtspersoon 1] schrijft – kort gezegd – dat van [G], directeur van [rechtspersoon 4] (rb: een Zwitserse makelaar op het gebied van herverzekering), de bevestiging zal worden gevraagd dat [rechtspersoon 4] de Bonds in herverzekering neemt, terwijl deze [G] bij fax van 8 juni 2001 (D 29 A) [D] heeft geschreven dat [rechtspersoon 4] geen enkele bemoeienis meer wenst te hebben met [rechtspersoon 3].

3.3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat evenmin mag worden aangenomen dat verdachte en [medeverdachte] wisten dat de Bonds vals waren zodat verdachte ook van de hem ten laste gelegde valsheid in geschrift moet worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zo al kon worden bewezen dat verdachte de Bonds (in het kader van oplichting) zou hebben gebruikt of voorhanden heeft gehad, het ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert nu in de tenlastelegging niet staat dat verdachte de Financial Guarantee Bonds heeft gebruikt als ware zij echt en onvervalst.

3.3.5. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde A] heeft opgelicht.

Wat er ook zij van het realiteitsgehalte van het Sujarat-project – ook hier is gebleken dat verdachte verregaand nalatig is geweest, in dit geval door te vertrouwen op vage toezeggingen van een derde, terwijl verdachte ook hier iedere deskundigheid mist, geen advies van een ter zake kundige heeft gevraagd en geen deugdelijk onderzoek naar de realiteitswaarde van het beleggingsproject heeft gedaan – maar daaruit volgt niet dat verdachte heeft gehandeld met het voor bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging vereiste oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf of een ander.

3.3.6. Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde

Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is vermeld onder 3.3.1.3, heeft [rechtspersoon 1] vanaf eind juni tot oktober 2001 geregeld en stelselmatig (bedrijfsmatig) op termijn opvorderbare gelden van een aantal niet-professionele beleggers aangetrokken. Voorts heeft verdachte via [rechtspersoon 1] [benadeelde A] in 2003 tot een belegging bewogen. Dat deze beleggers allen uit het klantenbestand van [A] kwamen, maakt niet dat sprake was van een besloten kring waarbinnen is geworven. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] en hij de (enige) leidinggevenden van [rechtspersoon 1] waren. Uit een brief van De Nederlandsche Bank van 13 december 2010 blijkt dat verdachte noch [medeverdachte] als vergunninghoudende kredietinstelling of financiële instelling stond ingeschreven in het register dat De Nederlandsche Bank tot en met 31 december 2006 hield op grond van artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde is bewezen.

3.3.7. Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde

Op 13 maart 2007 is verdachtes woning in [plaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking hebben de opsporingsambtenaren verschillende wapens en patronen aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat hij deze wapens en munitie voorhanden had. In het wapenrapport dat is opgemaakt naar aanleiding van deze wapens- en munitievondst staat dat de aangetroffen geweren en revolvers vuurwapens zijn die vallen onder categorie III van de Wet wapens en munitie en dat de munitie onder dezelfde categorie valt en dat de degenstok een wapen van categorie I sub 4 is.

4. Bewezenverklaring

4.1. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat [rechtspersoon 1], in de periode vanaf 1 juni 2001 tot en met 31 december 2003 te Hilversum en/of Oudewater opzettelijk bedrijfsmatig, hierna te noemen op termijn opvorderbare gelden, van het hierna te noemen publiek heeft aangetrokken,

- een geldbedrag van 180.000 Euro van [benadeelde K], en

- een geldbedrag van 45.000 Euro van [benadeelde I], en

- een geldbedrag van 110.000 Euro van [benadeelde D], en

- een geldbedrag van 35.000 Euro van [benadeelde L], en

- een geldbedrag van 68.000 Euro van [benadeelde H], en

- een geldbedrag van 16.500 Euro van [benadeelde F], en

- een geldbedrag van 60.000 Euro van [benadeelde G], en

- een geldbedrag van 40.000 Euro van [benadeelde M], en

- een geldbedrag van 10.000 Euro van [benadeelde B] en

- een geldbedrag van 70.000 Euro van [benadeelde J] en

- een geldbedrag van 35.875 Amerikaanse dollars van [benadeelde A]

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven.

4.2. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan in die zin dat hij op 13 maart 2007 te Hilversum wapens van categorie III, te weten

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Steyr, model M1886, kaliber 8 x 60R) en

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Asfa Ankara, model onbekend, kaliber circa 8mm) en

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Mosin Nagant, model 1944, kaliber circa 8 mm) en

- een revolver (merk/type HEGE-UBERTI, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, model 1860 Army, kaliber .44) en

- een revolver (merk/type onbekend, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, 3rd Model Dragoon, kaliber .44) en

- een revolver (merk/type onbekend, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, model Navy, kaliber .44)

en munitie van categorie III, te weten

- 20 scherpe patronen (merk/type Dynamite Nobel, kaliber 7.62 mm NATO Ball) en

- 47 losse patronen (merk/type Dynamite Nobel, kaliber 7.62 mm, NATO Plastic) en

- 1 scherpe patroon (merk/type Eurometaal, kaliber 7.62 mm) en

- 1 scherpe patroon (merk/type Metallwerk Elisenhutte, kaliber 7.62 mm) en

- 1 scherpe patroon (merk/type Western Cartridge Co., kaliber .22),

voorhanden heeft gehad.

4.3. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en wel dat verdachte op 13 maart 2007 te [plaats] een wapen van categorie I sub 4, te weten een degenstok, zijnde een blank wapen, uiterlijk gelijkend op een wandelstok, voorhanden heeft gehad.

4.4. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.5. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder 1 tot en met 4 en in zaak B onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

7.2.1. De raadsman heeft naar voren gebracht dat bij een bewezenverklaring in zaak A, gelet op verdachtes bijna onbeschreven strafblad, het van toepassing zijn van artikel 63 Sr., de leeftijd van verdachte en de ouderdom van de zaak, een eis van 12 maanden niet is gerechtvaardigd en een taakstraf meer recht zou doen aan de situatie. In het geval verdachte als doortrapte oplichter moet worden gezien, zou bovendien, als stok achter de deur, een deel van de straf voorwaardelijk moeten worden opgelegd.

7.2.2. De raadsman heeft ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens zoals in zaak B is ten laste gelegd betoogd dat het ten laste gelegde naar de letter van de wet weliswaar strafbaar is, maar gelet op de geest van de wet en de persoon van verdachte kan worden volstaan met het toepassen van artikel 9a Sr, aldus de raadsman.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

7.3.1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

7.3.2. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

7.3.3. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het leiding geven aan [rechtspersoon 1] dat opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 overtrad. Verdachte heeft zich op een gereguleerde markt begeven zonder zich aan de daarbij behorende markttoetredingsbepalingen te houden. Het toezicht dat in het kader van de Wet toezicht kredietwezen 1992 werd uitgeoefend, beoogde een algemene en preventieve financieel-economische bescherming van het publiek tegen malafide of niet-solvabele kredietinstellingen. De bedoeling van toezicht op de financiële markt is een adequate werking van de financiële markten en de bescherming van beleggers op die markten mogelijk te maken. Het publiek moet kunnen vertrouwen op de deskundigheid, betrouwbaarheid en soliditeit van beleggingsinstellingen die op de financiële markten hun diensten aanbieden. Het publiek dient nu juist te worden beschermd tegen incompetente bemiddelaars zoals verdachte die – zoals de rechtbank ter terechtzitting is gebleken – zonder enige kennis van zaken het geld van particuliere beleggers heeft aangetrokken en geïnvesteerd. Door verdachtes toedoen en nalaten hebben particuliere beleggers veel (spaar)geld verloren.

7.3.4. Verdachte heeft ook de Wet wapens en munitie overtreden door vuurwapens van categorie III, een degenstok en scherpe munitie voorhanden te hebben. Anders dan verdachte kennelijk meent, leidt het ongecontroleerd bezit van vuurwapens en munitie tot ernstige gevaren voor de samenleving. De Wet wapens en munitie wordt daarom streng gehandhaafd en overtreding daarvan is geen bagatelzaak.

7.3.5. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf weken mede uit het oogpunt van generale preventie passend en geboden is.

7.3.6. De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf met twee weken verkorten wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 13 maart 2007 aangehouden, in verzekering gesteld en tot en met zijn heenzending op 16 maart 2007 vijfmaal als verdachte gehoord en kon er sindsdien in redelijkheid rekening mee houden dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet iets meer dan vijf jaar nadien uitspraak. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is met drie jaar overschreden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte zijn de in de tenlastelegging in zaak B genoemde wapens en munitie in beslag genomen. De desbetreffende voorwerpen staan vermeld in bijlage 6 van het proces-verbaal in die zaak.

8.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen wapens inclusief de degenstok (en naar de rechtbank begrijpt ook de munitie) worden ontrokken aan het verkeer.

8.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard geen afstand te willen doen van de degenstok omdat die van zijn grootvader is geweest, al meer dan 100 jaar in zijn familie is, verdachte de oudste zoon is en de degenstok een emotionele waarde heeft. Verdachte heeft gevraagd de degenstok daarom aan hem terug te geven. Voor zover dat niet mogelijk is, heeft hij verzocht te beslissen dat het wapen niet wordt vernietigd, maar aan een museum wordt geschonken opdat het niet verloren gaat. Dit verzoek geldt ook voor de andere wapens.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. De in beslag genomen en niet teruggegeven wapens en munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het in zaak B bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8.3.2. De rechtbank zal, gelet op zijn hiervoor heeft overwogen, verdachte niet tegemoet komen in zijn verzoek tot teruggave van de degenstok. Bovendien zou verdachte, als hij de degenstok zou terugkrijgen, zich meteen weer schuldig maken aan het overtreden van de Wet wapens en munitie. Evenmin kan de rechtbank beslissen dat het wapen aan een museum ter beschikking moet worden gesteld omdat de wet een dergelijke beslissing niet kent (zie artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering). De rechtbank merkt ten overvloede op dat de beslissing tot onttrekking aan het verkeer niet inhoudt dat het desbetreffende voorwerp ook moet worden vernietigd. Door het onttrekken aan het verkeer van een voorwerp wordt dit eigendom van de staat en krijgt het Openbaar Ministerie er de beschikking over. Het Openbaar Ministerie hoeft niet over te gaan tot vernietiging van het voorwerp, maar kan het laten opnemen in de collectie van bijvoorbeeld een museum.

9. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen

De in de tenlastelegging genoemde personen met uitzondering van [benadeelde B] en [benadeelde A] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vorderen kort gezegd dat verdachte de door hen betaalde inleg aan hen terugbetaalt. Het betreft [benadeelde C] (40.000,00 euro), [benadeelde D] (110.000,00 euro), [benadeelde E] en [benadeelde F] (16.500,00 euro), [benadeelde G] (60.000,00 euro) en [benadeelde H] (68.000,00 euro). Een aantal van hen vordert daarnaast terugbetaling van het geld dat aan [rechtspersoon 1] is betaald. Het betreft [benadeelde I] (45.450,00 euro), [benadeelde J] (70.700 euro) en [benadeelde K] (181.800,00 euro). [benadeelde L] vordert ten slotte 738.982,19 euro, waaronder de door hem ingelegde 35.000,00 euro. Ter terechtzitting hebben de benadeelde partijen desgevraagd te kennen gegeven ook wettelijke rente te vorderen.

9.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vorderingen toewijsbaar zijn voor het bedrag van de netto-inleg; het ingelegde bedrag dat is overgemaakt na ondertekening van de leenovereenkomst. Wat betreft de rentebedragen en eventueel geclaimde kosten is de toekenning niet zo eenvoudig. De benadeelden hebben op verschillende wijze de rente berekend, terwijl daarnaast diverse gedachten te opperen zijn over de termijnen waarover en de voet waarop deze rentecomponent van de vorderingen kan worden berekend. Er kunnen civiele discussies ontstaan die een zogenaamde ‘eenvoudige vaststelling’ te boven gaan. Dit gedeelte van de – op zich terechte – claim hoort niet in het strafrecht thuis en kan het beste door de civiele rechter worden beslist. De netto-inleg kan worden toegewezen en voor het meerdere zijn de benadeelde partijen niet ontvankelijk, aldus de officier van justitie

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen en daartoe het volgende aangevoerd. Het is evident dat de geldbedragen niet bij verdachte zijn terechtgekomen. In civilibus geldt dat er gekeken wordt naar wie welk aandeel heeft in de schade. Evident is het zo dat verdachte daar niet alleen en zeker niet in aanmerkelijke mate verantwoordelijk voor was. Op grond van de contacten met [A], zijn uitleg, het prospectus van verdachte en zijn medeverdachte, de Financial Guarantee Bond van [rechtspersoon 3] en de garanties die zij gaven, is er schade ontstaan. Duidelijk is dat meerdere personen aansprakelijk zijn voor de schade; meer in het bijzonder [D], [E] en [F]. Zij hebben het geld ontvangen en grotendeels zelf gehouden. Zij hebben nota bene schriftelijk erkend persoonlijk aansprakelijk te zijn. Het lijkt dan ook de moeite waard om hen met die stukken voor de Zweedse civiele rechter te dagvaarden. Op grond van de genoemde argumenten moet worden geconcludeerd (mede gezien de hoogte van de vorderingen) dat een zorgvuldige behandeling van die vorderingen een te grote belasting oplevert voor het strafproces, aldus de raadsman.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

9.3.1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partij voor zover het betreft de vordering tot terugbetalen van de betaalde inleg, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

9.3.2. Verdachte heeft opzettelijk de toezichtwetgeving zoals neergelegd in de Wet toezicht kredietwezen 1992 overtreden. Deze wetgeving (thans geregeld in de Wet op het financieel toezicht) strekt ertoe de belangen van de consumenten te beschermen door instellingen die geld aantrekken, aan regels en toezicht te onderwerpen die de (niet-professionele) belegger zoveel mogelijk de garantie geven dat hun geld naar de regelen der kunst wordt belegd. Die wetgeving is er, zoals deze zaak wel schrijnend duidelijk maakt, niet voor niets want [rechtspersoon 1], in de persoon van verdachte en van [medeverdachte], beschikte niet over enige deskundigheid op het gebied dat zij betrad. Zij hebben door dit gebrek aan kennis ernstige fouten gemaakt, die ertoe hebben geleid dat de door hen geworven beleggers al hun ingelegde geld kwijt zijn. Aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek wordt derhalve voldaan en de schade die de beleggers hebben geleden, is rechtstreeks het voorzienbaar gevolg van de overtreding van de genoemde wet.

Verdachte en [medeverdachte] zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade.

Voor zover verdachte meent dat anderen ook voor de schade moeten opkomen, kan hij proberen op die anderen regres te nemen.

9.3.3. Voor de vaststelling welke schade de beleggers nog meer hebben geleden dan hun verloren gegane inleg, is dit strafgeding ongeschikt. De beleggers kunnen hun vordering tot vergoeding van die schade aan de burgerlijke rechter voorleggen. Dat geldt ook voor eventuele nevenvorderingen, met dien verstande dat de rechtbank de gevorderde rente zal toewijzen met ingang van de dag waarop de beleggers ter voldoening van hun verplichting uit de overeenkomst van geldlening hun betaling deden.

9.3.4. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

10. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

10.1. In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f Sr. aan verdachte opgelegd.

10.2. Gelet op het bepaalde in artikel 60a in samenhang met artikel 24c, derde lid Sr. zal de rechtbank het totaal van alle toegewezen bedragen delen door de maximale toegestane vervangende hechtenis van één jaar (365 dagen). De uitkomst van deze som staat telkens voor één dag vervangende hechtenis. Deze “coëfficiënt” levert vervolgens per toegewezen bedrag het aantal dagen vervangende hechtenis op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 51, 63 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de wetswijzigingen van 30 juni 2002 en 30 november 2003 van de inmiddels vervallen Wet toezicht kredietwezen 1992. De wettelijke voorschriften zijn dan ook toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wijst uit dat onder verandering van wetgeving in de zin van deze bepaling alleen wordt verstaan een verandering die blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit. De in plaats van (onder meer) de Wet toezicht kredietwezen 1992 per 1 januari 2007 in werking getreden Wet op het financieel toezicht geeft geen blijk van een dergelijk gewijzigd inzicht, zodat de bepalingen van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op de economische delicten onverkort van toepassing zijn.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie – wegens verjaring – niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde voor zover het betreft de ten laste gelegde periode tot 1 juni 2001.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde in zaak A levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het bewezen verklaarde in zaak B levert op:

1. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

2. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. een geweer, merk/type Steyr M1886, kaliber 8 x 60R, serienummer [nummer], grendelgroep [grendelgroep] + [nummer];

2. een geweer merk Asfa Ankara, serienummer [nummer];

3. een geweer Mosin Nagant, model 1944;

4. een revolver kaliber .44 Hege Uberti 1860, army replica, serienummer [nummer];

5. een revolver kaliber .44 replica van Colt 3rd model Dragoon, serienummer [nummer];

6. een revolver kaliber .44 replica van Colt, model Navy, serienummer [nummer];

7. een degenstok;

8. 20 patronen scherpe patronen in clip Nato Ball kaliber .762;

9. 47 stuks losse patronen/flodders kaliber .762, Nato plastic;

10. 2 scherpe patronen kaliber .762; Eurometaal en Metallwerk Elisenhutte;

11. 1 scherpe patroon kaliber .22, Western Cartridge Co.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde C], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde C] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde C] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde C], te betalen de som van € 40.000,00 (veertigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde C], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde D], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 110.000,00 (honderdtienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 juni 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde D] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde D], te betalen de som van € 110.000,00 (honderdtienduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde D], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 16.500,00 (zestienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 september 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde E] en [benadeelde F] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde E] en [benadeelde F], te betalen de som van € 16.500,00 (zestiendduizend vijfhonderd euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 (negen) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde E] en [benadeelde F], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde G], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 60.000,00 (zestigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde G] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde G] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde G], te betalen de som van € 60.000,00 (zestigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde G], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde H], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 68.000,00 (achtenzestig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde H] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde H] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde H], te betalen de som van € 68.000,00 (achtenzestigduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 (negenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde H], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde I], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 september 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde I] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde I] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde I] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde I], te betalen de som van € 45.000,00 (vijfenveertig duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde I], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde L], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde L] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde L] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde L] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde L], te betalen de som van € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde L], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde K], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 180.000,00 (honderdtachtigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 juli 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde K] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde K] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde K] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde K], te betalen de som van € 180.000,00 (honderdtachtigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde K], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde J], wonende op het adres [adres], [postcode plaats] toe tot een bedrag van € 70.000,00 (zeventigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2001) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde J] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde J] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde J] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde J], te betalen de som van € 70.000,00 (zeventigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen aan [benadeelde J], daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A.E.J.M. Gielen en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2012.

Bijlage

Tenlastelegging [verdachte]

Zaak A (13/993060-07)

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. [rechtspersoon 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met hierna te noemen persoon of personen waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- er een startfinanciering werd verstrekt door de lener, en/of

- de leentermijn vier maanden bedraagt, en/of

- het geld aangewend zou worden ter ondersteuning van handelsactiviteiten van [rechtspersoon 1], en/of

- er 10% rente betaald zou worden, en/of

- de lening veilig gesteld zou worden door een financiële garantstelling (door [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] uit Zwitserland en Zweden), en/of

- er een verklaring van een bedrijfsnotaris wordt verstrekt dat genoemde garantstelling bestaat;

- de geleende gelden niet zullen worden besteed voordat genoemde garantie is afgegeven;

- terugbetaling en rente-uitkering zal plaatsvinden aan de lener(s) en/of belegger(s),

waardoor één of meer van de (hierna te noemen) personen (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (hierna te noemen) te noemen geldbedrag(en);

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I](G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde M] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 70.000 Euro van [benadeelde J] (G/10)

in elk geval een geldbedrag van één of meer belegger(s),

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met hierna te noemen persoon of personen waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- er een startfinanciering werd verstrekt door de lener, en/of

- de leentermijn vier maanden bedraagt, en/of

- het geld aangewend zou worden ter ondersteuning van handelsactiviteiten van [rechtspersoon 1], en/of

- er 10% rente betaald zou worden, en/of

- de lening veilig gesteld zou worden door een financiële garantstelling (door [rechtspersoon 2] / [rechtspersoon 4] uit Zwitserland en Zweden), en/of

- er een verklaring van een bedrijfsnotaris wordt verstrekt dat genoemde garantstelling bestaat;

- de geleende gelden niet zullen worden besteed voordat genoemde garantie is afgegeven;

- terugbetaling en rente-uitkering zal plaatsvinden aan de lener(s) en/of belegger(s),

waardoor één of meer van de (hierna te noemen) personen (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (hierna te noemen) te noemen geldbedrag(en);

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I](G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde M] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 70.000 Euro van [benadeelde J] (G/10)

in elk geval een geldbedrag van één of meer belegger(s);

2. [rechtspersoon 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen gebruik maken van een valse of vervalste:

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]1, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]2, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]3, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]4, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]5, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]6, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]7, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]8, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]9, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]10, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]11, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]13, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]14, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]15, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]16, d.d. 17 september 2001, en/of

bestaande dat gebruik maken en/of doen gebruik maken telkens hieruit dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) vorenbedoelde geschriften, heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken en/of getoond en/of doen tonen aan

- [benadeelde K] G/13), en/of

- [benadeelde I] (G/09), en/of

- [benadeelde D] (G/12), en/of

- [benadeelde L] (G/04), en/of

- [benadeelde H] (G/02), en/of

- [benadeelde F] (G/14), en/of

- [benadeelde G] (G/15), en/of

- [benadeelde M] (G/01), en/of

- [benadeelde B] (G/11)

in elk geval aan één of meer van de beleggers in/van [rechtspersoon 1],

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op voornoemde geschriften in strijd met de waarheid werd vermeld dat onder 1:

"in the event of the borrower (lees [rechtspersoon 1]) failing to pay the lender/insured any debt as per above, mentioned contract, OIC (lees [rechtspersoon 2]) undertakes irrevocably and unconditionally to pay to the lender/insured one hundred percent (100%) of the due amount and due interest, within fifteen (15) bankingdays from date of default."

en/of

onder 3:

"It is understood that OIC has already obtained from the borrower a pledge of assets blocked for OIC and consequently this collateral in from the commencement day, mentioned above, valid in favour of OIC."

in elk geval, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, één of meer van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk voorhanden gehad en/of afgeleverd en/of doen afleveren aan derden, terwijl verdachten en/of zijn mederdader(s) wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) (telkens) voor voornoemd gebruik en/of doen gebruiken bestemd was/waren

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland

en/of te Zweden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen gebruik maken van een valse of

vervalste:

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]1, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]2, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]3, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]4, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]5, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]6, d.d. 19 juni 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]7, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]8, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]9, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]10, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]11, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]12, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]13, d.d. 17 september 2001,

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]14, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]15, d.d. 17 september 2001, en/of

- Financial Guarantee Bond met het nummer FGB OICAG 01 [RECHTSPERSOON 1]16, d.d. 17 september 2001, en/of

bestaande dat gebruik maken en/of doen gebruik maken telkens hieruit dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) vorenbedoelde geschriften, heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken en/of getoond en/of doen tonen aan

- [benadeelde K] G/13), en/of

- [benadeelde I] (G/09), en/of

- [benadeelde D] (G/12), en/of

- [benadeelde L] (G/04), en/of

- [benadeelde H] (G/02), en/of

- [benadeelde F] (G/14), en/of

- [benadeelde G] (G/15), en/of

- [benadeelde M] (G/01), en/of

- [benadeelde B] (G/11)

in elk geval aan één of meer van de beleggers in/van [rechtspersoon 1], bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op voornoemde geschriften in strijd met de waarheid werd vermeld dat

onder 1:

"in the event of the borrower (lees [rechtspersoon 1]) failing to pay the lender/insured any debt as per above, mentioned contract, OIC (lees [rechtspersoon 2]) undertakes irrevocably and unconditionally to pay to the lender/insured one hundred percent (100%) of the due amount and due interest, within fifteen (15) bankingdays from date of default."

en/of

onder 3:

"It is understood that OIC has already obtained from the borrower a pledge of assets blocked for OIC and consequently this collateral in from the commencement day, mentioned above, valid in favour of OIC."

in elk geval, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, één of meer van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk voorhanden gehad en/of afgeleverd en/of doen afleveren aan derden, terwijl verdachten en/of zijn mederdader(s) wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

dit/die geschrift(en) (telkens) voor voornoemd gebruik en/of doen gebruiken bestemd was/waren;

3. [rechtspersoon 1], op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig, (hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het (hierna te noemen) publiek heeft/hebben aangetrokken, ter beschikking heeft/hebben gekregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het (hierna te noemen) publiek aantrekken of ter beschikking krijgen (van hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden,

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] (G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I] (G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde M] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 70.000 Euro van [benadeelde J] (G/10) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.875 Amerikaanse dollars van [benadeelde A] (G/18)

in elk geval een of meer geldbedrag(en) van een of meer belegger(s)

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2001 tot en met 31 december 2003, te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig, (hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het (hierna te noemen) publiek heeft/hebben

aangetrokken, ter beschikking heeft/hebben gekregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het (hierna te noemen) publiek aantrekken of ter beschikking krijgen (van hierna te noemen) al dan niet op termijn opvorderbare gelden,

- een geldbedrag van (ongeveer) 180.000 Euro van [benadeelde K] (G/13), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 45.000 Euro van [benadeelde I] (G/09), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 110.000 Euro van [benadeelde D] (G/12), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.000 Euro van [benadeelde L] (G/04), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 68.000 Euro van [benadeelde H] (G/02), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 16.500 Euro van [benadeelde F] (G/14), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 60.000 Euro van [benadeelde G] (G/15), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 Euro van [benadeelde M] (G/01), en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000 Euro van [benadeelde B] (G/11) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 70.000 Euro van [benadeelde J] (G/10) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 35.875 Amerikaanse dollars van [benadeelde A] (G/18)

in elk geval een of meer geldbedrag(en) van een of meer belegger(s) (van [rechtspersoon 1]);

4. [rechtspersoon 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2003 tot en met 31 december 2003 (medio maart 2003), te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met [benadeelde A] (G/18) waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- het ingelegde geld werd geïnvesteerd in Hydrocarbons in India (Gujarat) en/of,

- het ingelegde geld na vijf jaar zou worden terug betaald en/of,

- ten aanzien van het ingelegde geld een rente zou worden uitgekeerd van (ongeveer) 15% per jaar, en/of,

- dat voornoemde rente jaarlijks zou worden uitgekeerd aan de belegger

waardoor [benadeelde A] (G/18) in elk geval een belegger van ([rechtspersoon 1]) werd bewogen tot afgifte van ongeveer 35.875 Amerikaanse dollars, in elk geval een geldbedrag,

aan/tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uitvoering heeft/hebben gegeven en/of opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven.

Subsidiair

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2003 tot en met 31 december 2003 (medio maart 2003), te Hilversum en/of Oudewater en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van (een) valse naam en/of van (een) valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels, een (hierna te noemen) ander of anderen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (hierna te noemen) geldbedrag / geldbedragen, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

een of meer leenovereenkomst(en) gesloten met hierna te noemen persoon of personen waarin, in strijd met de waarheid, is gesteld dat;

- het ingelegde geld werd geïnvesteerd in Hydrocarbons in India (Gujarat) en/of,

- het ingelegde geld na vijf jaar zou worden terug betaald en/of,

- ten aanzien van het ingelegde geld een rente zou worden uitgekeerd van (ongeveer) 15% per jaar, en/of,

- dat voornoemde rente jaarlijks zou worden uitgekeerd aan de belegger

waardoor [benadeelde A] (G/18) in elk geval een belegger van ([rechtspersoon 1]) werd bewogen tot afgifte van ongeveer 35.875 Amerikaanse dollars, in elk geval een geldbedrag.

Zaak B (13/993115-07)

1. hij op of omstreeks 13 maart 2007 te [plaats] een of meer wapens van categorie

III, te weten

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Steyr, model M1886, kaliber 8 x 60R) en/of

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Asfa Ankara, model onbekend, kaliber circa 8mm) en/of

- een repeterend grendel-kogelgeweer (merk/type Mosin Nagant, model 1944, kaliber circa 8 mm) en/of

- een revolver (merk/type HEGE-UBERTI, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, model 1860 Army, kaliber .44) en/of

- een revolver (merk/type onbekend, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, 3rd Model Dragoon, kaliber .44) en/of

- een revolver (merk/type onbekend, zijnde een replica van een antieke revolver van het merk/type Colt, model Navy, kaliber .44)

en/of munitie van categorie III, te weten

- 20 scherpe patronen (merk/type Dynamite Nobel, kaliber 7.62 mm NATO Ball) en/of

- 47 losse patronen (merk/type Dynamite Nobel, kaliber 7.62 mm, NATO Plastic) en/of

- 1 scherpe patroon (merk/type Eurometaal, kaliber 7.62 mm) en/of

- 1 scherpe patroon (merk/type Metallwerk Elisenhutte, kaliber 7.62 mm) en/of

- 1 scherpe patroon (merk/type Western Cartridge Co., kaliber .22),

voorhanden heeft gehad.

2. hij op of omstreeks 13 maart 2007 te Hilversum een wapen van categorie I sub

4, te weten een degenstok, zijnde een blank wapen, uiterlijk gelijkend op een wandelstok, voorhanden heeft gehad.