Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2298

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
510878 - HA ZA 12-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolmachtigde betaalt frauduleus 'eigen' schuld aan schuldeiser vanaf bankrekening volmachtgever. Volmachtgever vordert terugbetaling van schuldeiser uit hoofde van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Schuldeiser beroept zich op betaling door derde (art. 6:30 BW). Gedrag gevolmachtigde kan worden toegerekend aan volmachtgever. Hoewel volmachtgever niet beoogde schuld gevolmachtigde te betalen, toch nakoming van deze schuld door volmachtgever in de zin van art. 6:30 BW, omdat schuldeiser daar onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Uitleg omvang onderzoeksplicht schuldeiser onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis art. 6:30 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 30
Burgerlijk Wetboek Boek 6 203
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/416
JOR 2012/339 met annotatie van mr. S.R. Damminga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 510878 / HA ZA 12-207

Vonnis van 11 juli 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[EISERES],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. drs. H.T. Verhaar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEDAAGDE],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. N. van der Wal.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 februari 2012 van [eiseres],

- de akte overlegging producties van 22 februari 2012 van [eiseres],

- de conclusie van antwoord van 4 april 2012, met producties, van [gedaagde],

- het vonnis van 18 april 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 25 mei 2012,

- de brief van 1 juni 2012 van [eiseres], waarin een opmerking wordt gemaakt over de formulering van een verzoek van partijen in het proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken staan de volgende feiten in deze procedure tussen partijen vast.

2.1.1. [gedaagde] heeft op 1 december 2009 een factuur gestuurd aan [X B.V.] (hierna: [X B.V.]), ter attentie van de heer [A] (hierna: [A]), op het adres [adres] ([postcode]) te [plaats]. Deze factuur bedraagt € 35.700,00 inclusief btw en heeft betrekking op een vergoeding voor de opzegging van een doorlopende huurovereenkomst voor een winkelruimte door [gedaagde] ten behoeve van [X B.V.]. Op deze factuur staat als bedrijfsnummer [bedrijfsnummer] en als factuurnummer [factuurnummer] vermeld.

2.1.2. Omdat betaling van deze factuur uitbleef, heeft [gedaagde] op 23 december 2009 gebeld met [X B.V.]. Een medewerker van [X B.V.] heeft tijdens dit telefoongesprek meegedeeld dat betaling zal plaatsvinden vanuit [eiseres].

2.1.3. [A] heeft meerdere jaren administratieve diensten verricht voor [eiseres]. In dat kader was hij gemachtigd om bankoverschrijvingen voor [eiseres] te doen tot een bedrag van ongeveer € 22.000,00 (oorspronkelijk fl. 50.000,00).

2.1.4. [A] heeft op 28 december 2009 van de bankrekening van [eiseres] een bedrag van € 20.000,00 overgemaakt aan [gedaagde]. Op 29 december 2009 heeft [A] van dezelfde rekening een bedrag van € 15.700,00 overgemaakt aan [gedaagde]. Beide betalingen vermelden, voor zover hier relevant, het volgende:

“[EISERES] POSTBUS [nummer] [postcode plaats] [bedrijfsnummer] [factuurnummer]”.

2.1.5. In augustus 2011 is [eiseres] erachter gekomen dat [A] frauduleus bedragen heeft overgemaakt van haar bankrekening en van bankrekeningen van twee aan haar gelieerde rechtspersonen.

2.1.6. In het verstekvonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2011 met zaaknummer 387785 / HA ZA 11-1956 zijn [A] en meerdere aan hem gelieerde vennootschappen, waaronder [X B.V.], hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [eiseres] en de twee bovenbedoelde, aan haar gelieerde rechtspersonen van een voorschot op hun schade uit onrechtmatige daad tot een bedrag van bijna zeventien miljoen euro.

2.2. [A] en de aan hem gelieerde vennootschappen, waaronder [X B.V.], bieden geen substantieel verhaal.

2.2.1. Bij brief van 14 december 2011 heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om binnen tien dagen het totaalbedrag van de betalingen van 28 en 29 december 2009 terug te betalen. Tot op heden heeft [gedaagde] niet aan dit verzoek voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] een bedrag van € 35.700,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 december 2011, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening,

- in de kosten van dit geding.

3.2. [eiseres] stelt hiertoe – kort samengevat – het volgende. De betalingen aan [gedaagde] zijn verricht zonder rechtsgrond, omdat er geen enkele rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] bestond die deze betalingen rechtvaardigde. Op grond van artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) rust op [gedaagde] de verbintenis tot teruggave van het bedrag van deze betalingen. Gelet op de brief van 14 december 2011 is zij hiermee vanaf 25 december 2011 in verzuim, zodat zij vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd.

3.3. [gedaagde] voert verweer tegen deze vorderingen en stelt daartoe – kort samengevat – het volgende. [gedaagde] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar factuur aan [X B.V.] door de betalingen van [eiseres] werd voldaan als bedoeld in artikel 6:30 BW. Hiervoor zijn de volgende omstandigheden van belang. De betalingen bij elkaar opgeteld omvatten het verschuldigde totaalbedrag. Deze betalingen vermelden het factuur- en klantnummer en een postadres in [plaats]. Dat de betalingen afkomstig waren van [eiseres], was conform hetgeen telefonisch aan [gedaagde] was meegedeeld. Dat [A] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden bij [eiseres], komt voor rekening en risico van [eiseres]. [gedaagde] stelt verder dat zij niet in verzuim is geraakt en dus geen rente is verschuldigd, dan wel dat deze rente moet worden gematigd.

4. De beoordeling

4.1. Op grond van artikel 6:114 BW wordt een girale betaling, waartoe een rekeninghouder de opdracht verstrekt aan zijn bank, als een betaling door deze rekeninghouder zelf en dus niet door zijn bank aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit verband onder een rekeninghouder mede worden begrepen iemand wiens gedrag aan deze rekeninghouder kan worden toegerekend.

4.2. [eiseres] heeft [A] gevolmachtigd om namens haar betalingsopdrachten te verstrekken tot een hoger bedrag dan de bedragen van de betalingsopdrachten die hij op 28 en 29 december 2009 heeft verstrekt. [eiseres] heeft [A] aldus de mogelijkheid verschaft om te beschikken over haar banktegoeden. Dat [A] op oneigenlijke gronden van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld, moet in de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] aan [eiseres] worden toegerekend. [A] handelde namelijk binnen de onderneming van [eiseres] en buiten het zicht van [gedaagde]. [eiseres] was dan ook de aangewezen partij om voldoende toezicht uit te oefenen op het gedrag van [A]. Dit geldt des te meer, omdat zij hem gevolmachtigd had om namens haar betalingsopdrachten tot een substantieel bedrag te verstrekken. Dat [eiseres] in dit geval niet heeft voorkomen dat [A] de grenzen van zijn (vertegenwoordigings)bevoegdheid heeft overschreden als gevolg van de door hem gevolgde, verbloemende en verhullende werkwijze, zoals zij eveneens onweersproken heeft gesteld, komt dan ook voor haar eigen rekening en risico.

4.3. Gelet op het bovenstaande heeft [eiseres] op 28 en 29 december 2009 in totaal een bedrag van € 35.700,00 aan [gedaagde] betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat [X B.V.] ten tijde van deze betalingen tot dit bedrag een schuld aan [gedaagde] had.

4.4. Op grond van artikel 6:30 BW kan een verbintenis door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. Tussen partijen is niet in geschil dat de verbintenis tot betaling van [X B.V.] tegenover [gedaagde] gelet op haar inhoud en strekking door [eiseres] kon worden nagekomen. De door [eiseres] verrichte prestatie kan echter slechts dan als nakoming van deze verbintenis worden aangemerkt, als zij beoogde deze verbintenis te voldoen. Alleen in dat geval beantwoordt de prestatie van [eiseres] namelijk aan de overeenkomst tussen [gedaagde] en [X B.V.]. De verbintenis van [X B.V.] is in dat geval de rechtsgrond van deze prestatie.

4.5. [eiseres] heeft ter zitting gesteld dat zij op 28 en 29 december 2009 niet heeft beoogd de verbintenis tot betaling van [X B.V.] tegenover [gedaagde] na te komen. [gedaagde] heeft dit niet als zodanig weersproken, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.

4.6. [gedaagde] heeft echter gesteld dat zij niet kon weten en niet behoorde te weten, dat [eiseres] niet beoogde te betalen, en dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een rechtsgeldige betaling als bedoeld in artikel 6:30 BW. De rechtbank begrijpt deze stellingen als een beroep op artikel 3:35 BW. Op grond van dit artikel kan tegen een ander geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil, als deze ander een verklaring of gedraging heeft opgevat als een tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking en deze opvatting overeenkomt met de zin die deze ander daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen. Voor deze zaak betekent dit dat [eiseres] geen beroep kan doen op het ontbreken van haar wil om de verbintenis van [X B.V.] te voldoen, als [gedaagde] de betalingen van [eiseres] heeft opgevat als een nakoming van deze verbintenis en als [gedaagde] dit in de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijze zo mocht opvatten.

4.7. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij de betalingen door [eiseres] heeft opgevat als een nakoming van de verbintenis tot betaling van [X B.V.] tegenover [gedaagde], zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. De rechtbank is bovendien van oordeel dat deze opvatting overeenkomt met de zin die [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden aan deze betalingen redelijkerwijze mocht toekennen. Hiertoe acht de rechtbank het volgende van belang.

4.8. De rechtbank stelt voorop dat deelnemers aan het girale betalingsverkeer vertrouwen moeten kunnen hebben in de juistheid en rechtsgeldigheid van betalingen die ten gunste van hen worden verricht, een en ander uiteraard behoudens aanwijzingen van het tegendeel, zoals wetenschap van een fout, een vergissing of fraude. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] op de hoogte was of had moeten zijn van dergelijke aanwijzingen. De betalingen van [eiseres] aan [gedaagde] bedragen namelijk in totaal exact het openstaande factuurbedrag. Deze betalingen vermeldden bovendien het op de factuur vermeldde bedrijfsnummer en factuurnummer. Dat [eiseres] deze betalingen verrichtte, kwam ten slotte overeen met een mededeling van [X B.V.] van ongeveer een week daarvoor.

4.9. De rechtbank acht – anders dan [gedaagde] – niet van belang dat de betalingen een postbusadres in [plaats] vermeldden. Weliswaar vermeldde de factuur een postadres in dezelfde plaats, maar dit is niet relevant, aangezien [gedaagde] naar eigen zeggen juist in de veronderstelling verkeerde dat een ander dan de gefactureerde partij had betaald. De rechtbank acht evenmin van belang dat de betalingen door [A] zijn verricht. Weliswaar stond zijn naam op de factuur vermeld, maar [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij niet wist dat de betalingsopdrachten vanuit [eiseres] door [A] waren verstrekt.

4.10. [eiseres] heeft in dit verband ten slotte nog gesteld dat [gedaagde] haar onderzoeksplicht heeft geschonden. De rechtbank begrijpt dat zij op grond hiervan stelt dat het beroep van [gedaagde] op artikel 3:35 BW faalt. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek van [gedaagde] naar de betalingen van [eiseres], direct na ontvangst daarvan, zich heeft beperkt tot een controle van de betalingsgegevens.

4.11. Of en in hoeverre een onderzoeksplicht op [gedaagde] rustte ten aanzien van de betalingen van [eiseres] hangt af van alle omstandigheden van het geval. In de gegeven omstandigheden, waarbij de rechtbank heeft meegewogen dat sprake is van een eenmalige factuur verstuurd in een situatie die niet tot de dagelijkse bedrijfsvoering van [gedaagde] behoort, rustte op [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank geen verdergaande onderzoeksplicht dan de door haar uitgevoerde controle. Dit betekent dat [gedaagde] haar onderzoeksplicht niet heeft geschonden. Op een schuldeiser rust in algemene zin namelijk slechts een beperkte controleplicht na creditering van zijn rekening als gevolg van betaling door een schuldenaar. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar eerdere overweging in rechtsoverweging 4.8 over het vertrouwen dat deelnemers aan het girale betalingsverkeer daarin moeten kunnen hebben. De rechtbank verwijst in dit verband eveneens naar de memorie van antwoord bij artikel 6:30 BW (Kamerstukken II 1984/85, 17 541, nr. 8, in: Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 1220):

“[D]at, wanneer een rekeninghouder van de bank bericht krijgt van een creditering van zijn rekening, terwijl het opgegeven bedrag en de eventueel vermelde reden van betaling beantwoorden aan hetgeen de daarbij aangeduide opdrachtgever aan hem verschuldigd was (of de rekeninghouder deze creditering als een daarop betrekking hebbende deelbetaling mag beschouwen), uit het bepaalde in de artikelen 3.2.3 en 3.2.3a [rechtbank: 3:35 en 3:36] voortvloeit dat noch de bank, noch degene wiens opdracht onjuist is uitgevoerd, jegens de ontvanger een beroep op dit gebrek kan doen. Ook in het huidige recht pleegt dit te worden aangenomen; zie (…) De door de Commissie uitgesproken vrees dat de cliënt ook bij de overmaking van hem verschuldigde bedragen zou moeten controleren of door de schuldenaar wel opdracht tot betaling daarvan is gegeven, wordt derhalve niet gedeeld. Op de cliënt berust hoogstens een controleplicht ter zake van de juistheid van de hem door de bank verstrekte opgaven en zijn eigen gegevens.”

4.12. De omvang van de onderzoeksplicht van de schuldeiser verandert niet zonder meer als een derde voor de schuldenaar betaalt aan de schuldeiser. Artikel 6:30 BW beoogt namelijk juist mede het belang van deze schuldeiser – om deze betaling zonder nader onderzoek te accepteren – te beschermen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Toelichting-Meijers bij dit artikel (Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 158):

“De schuldeiser heeft ook belang bij de regel [rechtbank: artikel 6:30 BW] omdat hij daardoor, als een derde hem de prestatie komt aanbieden ter voldoening van de verbintenis van de schuldenaar, het aanbod kan accepteren zonder onderzoek of de derde al dan niet in opdracht of althans met goedvinden van de schuldenaar handelt, en zonder risico dat de derde het betaalde als onverschuldigd terugvordert.”

4.13. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat [eiseres] weliswaar niet heeft beoogd om de verbintenis tot betaling van [X B.V.] tegenover [gedaagde] na te komen, maar dat [eiseres] hierop geen beroep kan doen, omdat [gedaagde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij dit wel beoogde. Dit betekent dat de betalingen door [eiseres] kunnen worden aangemerkt als een nakoming van de verbintenis tot betaling van [X B.V.] tegenover [gedaagde]. Dit betekent dat voor deze betalingen een rechtsgrond bestaat, te weten de verbintenis van [X B.V.], en dat zij dus niet onverschuldigd zijn gedaan. Gelet hierop zal de rechtbank de vorderingen van [eiseres] afwijzen.

4.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.789,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.947,00.

4.15. In het proces-verbaal heeft de rechtbank melding gemaakt van het verzoek van partijen aan de rechtbank om te bewerkstelligen dat bij een eventuele publicatie van dit vonnis hun namen zullen worden geanonimiseerd. Uit de brief van 1 juni 2012 van [eiseres] begrijpt de rechtbank dat dit verzoek van partijen niet alleen betrekking heeft op hun namen, maar ook op andere gegevens die tot hen te herleiden zijn. De rechtbank zal het verzoek dan ook in deze ruime zin opvatten en daaraan – voor zover dat in haar macht ligt – proberen tegemoet te komen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.947,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.?