Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2143

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 12-491 WABO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de vraag of legalisatie van de ligplaats van eiseres mogelijk is. Daarvoor is relevant of de salonboot in kwestie voldoet aan de voorwaarden die de Uitvoeringsnota van het bedrijfsvaartuigenbeleid in de binnenstad (de Uitvoeringsnota) hieraan stelt. Voor de uitleg die verweerder aan de Uitvoeringsnota wenst te geven, biedt de Uitvoeringsnota naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/491 WABO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Bewonersvereniging Raadhuis & Omgeving,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

gemachtigde mr. G.J.A.M. Bogaers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde [A],

Tevens heeft als partij van rechtswege aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder],

wonende te [plaats],

vergunninghouder,

gemachtigde [B].

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het verrichten van aanlegactiviteiten op het perceel op de [adres] in Hilversum (het primaire besluit).

Bij besluit van 8 december 2011, verzonden op 23 december 2011, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2011. Eiseres en verweerder zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Namens de vergunninghouder is

[C] ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Het perceel op de [adres] (hierna: het perceel) ligt in het Noordwestelijk villagebied in [plaats]. Samen met het aangrenzende perceel op de [adres] zijn het pand, de tuin en het erf verhuurd aan radio 538 B.V.

1.2. Bij brief van 2 maart 2011 heeft eiseres verweerder meegedeeld dat door de huurder op de voor- zij- en achtererf van het perceel ten koste van de daar aanwezige beplanting verharding is aangebracht en dat deze ruimtes zijn ingericht en worden gebruikt voor het parkeren van auto’s. Eiseres heeft verweerder meegedeeld dat deze situatie in strijd is met het bestemmingsplan en verweerder verzocht hiertegen handhavend op te treden.

1.3. De eigenaar/verhuurder van het perceel heeft bij brief van 23 maart 2011 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van verharding en het rooien van de opgaande beplanting in overeenstemming met de bijgevoegde terrein-inrichtingstekening. Het doel van deze aanvraag is om de al door de huurder uitgevoerde aanlegactiviteiten, waar het handhavingsverzoek op gericht is, te legaliseren.

1.4. Eiseres heeft bij brief van 31 maart 2011 verweerder wederom om handhaving verzocht.

1.5. Bij brief van 15 april 2011 heeft verweerder de termijn voor het beslissen op het handhavingsverzoek verlengd en eiseres meegedeeld van plan te zijn om voor de beoordeling van de aanvraag van de eigenaar van het perceel een extern deskundigenadvies in te winnen.

1.6. Bij nader inzien heeft verweerder er voor gekozen een intern deskundige in te schakelen. Op 14 juni 2011 heeft het ingenieursbureau van de gemeente Hilversum verweerder geadviseerd om:

• “de vergunning te weigeren voor het weghalen van de groene erfbeplanting tussen percelen [nummer] en [nummer]. De aangebrachte aantasting van het landschappelijke karakter dient te worden weggenomen door de aanplant van een (coniferen)haag van ongeveer 2 meter hoogte op de erfgrens.

• de vergunning te verlenen voor het aanbrengen van de halfverharding op de bestemming ‘te bebouwen erf’, met uitzondering van 1 meter brede strook langs de oostgrens van de bestemming te bebouwen erf. Ter plaatse dient het puin te worden vervangen door teelaarde met een pakketdiepte van 40 cm, ten behoeve van een verbetering van de groeiomstandigheden van de te planten haag. Daarbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden: het aanbrengen van paaltjes op ongeveer 4 meter afstand van de stam van de plataan, om te voorkomen dat er op het wortelpakket van de boom geparkeerd wordt en de grond ter plaatse te sterk verdicht wordt waardoor de boom in haar voortbestaan wordt bedreigd.

• te handhaven op de aanleg van de halfverharding en het weghalen van heester in de bestemming ‘tuinen’. Dat betekent concreet het verwijderen van de halfverharding, het ter plaatse aanbrengen van teelaarde met een pakketdikte van 40 cm en het herplanten van heester langs de westzijde van het perceel.”

1.7. Verweerder heeft het advies voorgelegd aan de eigenaar van het perceel.

1.8. De eigenaar van het perceel heeft op het advies als volgt gereageerd:

• “Het pad gelegen aan de linker zijde van het pand, gezien van de straat, was al aanwezig. Het wordt gebruikt om te komen en te gaan naar de houten schuur achter. (West zijde) Beide zijn vernieuwd/gerenoveerd.

• Aan de achterzijde was overwoekerd grint/verharding aanwezig.

• De asfaltering aan de voorzijde was ook aanwezig, hier zijn geen veranderingen in aangebracht. Uit het rapport ontstaat bij ons de indruk dat deze items nieuw danwel door ons aangepast zijn. De groenstrook aan de oostzijde (rechts van het pand) is verwijderd/uitgedund omdat de huidige gebruiker ook de naast gelegen kantoorruimte heeft gehuurd. Dit maakt de verbinding tussen de twee kantoren villa’s laagdrempelig. Een doorgang daar is gewenst. Wij begrijpen dat de kern van het rapport is om de groene erfgrenzen zoveel mogelijk terug te brengen of in stand te houden. De eigenaar wil daar aan meewerken. Met bovenliggende punten in achtnemende, komt het ons zinvol voor om op locatie een aantal werkafspraken te maken. Graag vernemen wij van u wanneer dit schikt”.

1.9. Op 30 juni 2011 heeft verweerder met de eigenaar van het perceel op locatie overleg gevoerd. Dit overleg heeft geresulteerd tot een aantal afspraken en de aanpassing van de bij de aanvraag ingediende terrein-inrichtingstekening in die zin dat:

• er een groene haag komt op de perceelgrens aan de voorzijde (tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer]);

• er twee paaltjes worden geplaatst op 4 meter afstand tussen de monumentale boom aan de achterzijde;

• er aan de achterkant extra ligusterplanten worden geplant en dat er ‘varkensruggen’ worden geplaatst om te voorkomen dat de auto’s te dicht op de haag parkeren en

• er tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer] een groene haag van 1,5 tot 2 meter hoog wordt geplaatst met daarin een voetgangersdoorgang van maximaal 1,50 meter.

1.10. Bij het primaire besluit heeft verweerder de eigenaar van het perceel een omgevingsvergunning verleend in overeenstemming met de gemaakte afspraken en de aangepaste terrein-inrichtingstekening. Verweerder heeft in dit besluit de aanpassing van de terrein-inrichtingstekening als volgt nader geconcretiseerd:

* bij de versterking van de ligusterhaag met jonge aanplant moet een teelaardelaag met een pakketdikte van ten minste 40 cm worden aangebracht;

* de heesterhaag aan de voorzijde moet wat breder worden uitgevoerd dan op de tekeningen lijkt te zijn ( was 2 tot 3 meter breed).

1.11. Bij brief van 19 juli 2011 heeft verweerder aan de vergunning de voorwaarde verbonden dat de aanvullende werkzaamheden uiterlijk op 31 oktober 2011 uitgevoerd dienen te zijn.

1.12. Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.13. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond

verklaard, het primaire besluit gehandhaafd en de termijn waarbinnen de aanvullende werkzaamheden dienen te zijn uitgevoerd verlengd tot 1 april 2012.

2. standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de aanvraag in overeenstemming met het advies van de deskundige is aangepast, met dien verstande dat op de erfgrens tussen de percelen [nummer] en [nummer] een doorgang van 1,5 meter breed in de haag is opgenomen. Verweerder meent zich bij de besluitvorming te mogen baseren op het advies van de deskundige en is verder van mening dat de verleende vergunning geen onevenredige aantasting van het groen met zich meebrengt.

2.2. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerders besluitvorming gebrekkig is geweest. Verweerder heeft nagelaten het advies van de deskundige ook aan eiseres voor te leggen. Ook heeft verweerder eiseres niet bij de onderhandelingen met de eigenaar betrokken. Eiseres is van mening dat verweerder in strijd met het bestemmingsplan een vermenging van twee percelen heeft toegestaan. Verder heeft verweerder in strijd met het bestemmingsplan een verharding boven het geldende maximum van tien procent toegestaan. Verweerder heeft ook in strijd met het bestemmingsplan te veel parkeerplaatsen toegestaan.

3. juridisch kader

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden in strijd met bestemmingsplan te gebruiken.

3.2. Ingevolge artikel 2.11, eerste lid van de Wabo wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de werkzaamheden in strijd zijn met de regels die daaromtrent in het bestemmingsplan zijn gesteld.

Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

3.3. In artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wabo is bepaald dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, vergunning kan worden verleend voor een activiteit voor een bepaalde termijn, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

3.4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Herziening Noordwestelijk villagebied’. Het perceel heeft de bestemming B (bedrijfsdoeleinden). De voortuin heeft de bestemming ‘tuin’ en de achtertuin en de zijtuinen hebben de aanduiding ‘te bebouwen erven’.

3.5. Blijkens pagina 7 van de plankaart staat het perceel op de grond die de bestemming ‘beschermd stadsgezicht’ heeft.

3.6. Ingevolge artikel 6, eerste lid van de planvoorschriften zijn die gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van:

a. de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht;

b. de landschappelijke waarden;

c. het groene karakter van villa’s in het groen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden het aanlegvergunningenstelsel van artikel 7 van toepassing.

3.7. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden om zonder een aanlegvergunning op die gronden bomen en andere opgaande houtgewassen met een stamdiameter van minder dan 20 cm, te rooien.

3.8. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften is het verboden om zonder een aanlegvergunning verharding aan te leggen, waaronder parkeerplaatsen, op die gronden met de bestemming ‘tuinen’ en ‘te bebouwen erven’, met uitzondering van:

* paden met een breedte van ten hoogste 110 cm;

* terrassen, grenzend aan de woning;

* een inrit uitgevoerd in halfverharding van maximaal 3,5 meter breed ten behoeve van de bereikbaarheid van de garage,

tot een totaal van 10% van de oppervlakte van de bij het hoofdgebouwd behorende perceel.

3.9. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften wordt een aanlegvergunning voor parkeerplaatsen op die gronden met de bestemming ‘tuinen’ verleend als ze in halfverharding worden uitgevoerd en alleen voor maximaal 2 parkeerplaatsen per hoofdgebouw.

3.10. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften wordt een aanlegvergunning voor parkeerplaatsen op die gronden met de bestemming ‘te bebouwen erven’ verleend als ze in halfverharding worden uitgevoerd.

3.11. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften zijn de werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 1, niet toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij, direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in lid 1 bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies onevenredig worden of kunnen worden verkleind met dien verstande dat burgemeester en wethouders:

a. een aanlegvergunning als bedoeld in lid 1, onder a (het rooien van bomen en opgaand houtgewas) uitsluitend verlenen, indien:

* deze werkzaamheden noodzakelijk zijn in verband met een onherroepelijke bouwvergunning;

* de beplanting door ziekte of anderszins ernstig is aangetast.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. Met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder het advies van de deskundige niet aan eiseres heeft voorgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder het advies van de deskundige wel aan de aanvrager heeft voorgelegd en diens reactie daarop bij de besluitvorming heeft betrokken. Het advies heeft zelfs tot aanpassing van de terrein-inrichtingstekening en tot de in de vergunning opgenomen afspraken geleid. Verweerder heeft het advies niet voorgelegd aan eiseres. Nu dit advies zo bepalend is geweest voor de beslissing van verweerder lag het naar het oordeel van de rechtbank in de rede het advies ook aan eiseres voor te leggen en haar tevens de gelegenheid te bieden om hierop te reageren. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd het zorgvuldigheidsbeginsel (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJN BG1162). Het beroep is op dit punt gegrond.

4.2. Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder in strijd met het bestemmingsplan een vermenging van twee panden heeft toegestaan, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan in zaken die specifieke deskundigheid vergen zich laat adviseren door een deskundige. Een besluit dat afwijkt van dat advies dient deugdelijk te worden gemotiveerd.

Zoals uit het bestreden besluit naar voren komt, heeft verweerder naar aanleiding van het overleg met de aanvrager in de vergunning een zogenaamde “voetgangersdoorgang” van 1,5 meter breed toegestaan in de haag op de erfgrens tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer]. Zoals ook eiseres ter zitting op de aangepaste terrein-inrichtingstekening heeft aangewezen, heeft verweerder de aanvrager daarnaast nog een doorgang toegestaan op de erfgrens tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer] die in de originele situatie als “bestaand groen” en op de bij de aanvraag ingediende terrein-inrichtingstekening als “gehandhaafd groen” was aangeduid (in beide tekeningen aangeduid met nummer 3). Dit heeft verweerder gedaan in overleg met de aanvrager en in afwijking van het advies van de deskundige. In het advies staat immers dat door het weghalen van de opgaande erfbeplanting op die erfgrens het villaparkkarakter onevenredig is aantast en dat die aantasting dient te worden weggenomen door de aanplant van een 2 meter hoge haag.

De rechtbank leest in het bestreden besluit noch in het primaire besluit een deugdelijke motivering voor de beslissing van verweerder om op dit punt van het advies van de deskundige af te wijken. Enkel is bekend dat de aanvrager een doorgang tussen de twee villa’s wenselijk acht. Aan de andere kant heeft eiseres betoogd dat de doorgang een vermenging van de percelen nummer [nummer] en [nummer] en daarmee een aantasting van het villakarakter van het pand betekent. Verder heeft eiseres betoogd dat verweerder hiermee heeft vergund dat de doorgang als een rondweg wordt gebruikt voor auto’s en ander verkeer tussen en achter beide percelen. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de vergunde doorgangen wel of geen onevenredige aantasting van het villakarakter betekenen, een specifieke deskundigheid vergt. Verweerder had deze vraag dan ook aan de deskundige dienen voor te leggen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook op dit punt is het beroep gegrond. Dat, zoals ter zitting is betoogd, de haag inmiddels helemaal dicht is en dus geen doorgangen zijn op de erfgrens tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer] maakt dit oordeel niet anders. Deze doorgangen zijn namelijk blijkens de bij de vergunning behorende aangepaste terrein-inrichtingstekening wel vergund.

4.3. Met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder in strijd met het bestemmingsplan een verharding van meer dan het geldende tien procent heeft toegestaan, overweegt de rechtbank als volgt. Met verweerder leest de rechtbank artikel 7, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften zo dat voor het aanleggen van verhardingen op de gronden met de bestemmingen ‘tuinen’ en ‘te bebouwen erven’, tot een totaal van ten hoogste 10% van de oppervlakte van de bij het hoofdgebouw behorende perceel geen aanlegvergunning is vereist. Voor een groter oppervlakte dient verweerder wel een aanlegvergunning te verlenen.

In deze zaak heeft verweerder conform het advies van de deskundige een aanlegvergunning verleend voor de aangebrachte verharding op de gronden met de bestemming ‘te bebouwen erf’ (met uitzondering van de 1 meter brede strook langs de erfgrens tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer]). Uit het advies dat door verweerder is overgenomen blijkt dat extra parkeerplaatsen op die gronden met de bestemming ‘te bebouwen erven’ geen onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden betekenen. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 7, eerste lid, onder b, en het derde lid van de planvoorschriften gehandeld.

Dit oordeel is echter anders voorzover verweerder met de verleende aanlegvergunning ook een verharding op de 1 meter brede strook langs de erfgrens tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer] heeft toegestaan (zie de eerdere overwegingen ten aanzien van de vergunde doorgang tussen de percelen nummer [nummer] en [nummer]). De rechtbank wijst naar de bij de vergunning behorende aangepaste terrein-inrichtingstekening. De grond in kwestie is aangeduid met nummer 2, wat staat voor vernieuwd, uitgebreid grint. Op basis van deze tekening is op die grond verharding toegestaan. Deze beslissing van verweerder is in afwijking van het advies van de deskundige die meent dat verharding op die plaats ten koste gaat van het groene karakter van villa’s in het groen en verwijderd moet worden. In het bestreden besluit is geen deugdelijke motivering gegeven voor deze beslissing. Ook op dit punt is het bestreden besluit genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep slaagt ook op dit punt.

4.4. Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder in strijd met het bestemmingsplan te veel parkeerplaatsen heeft toegestaan op de grond met de bestemming ‘tuinen’, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat op enig moment op de grond met de bestemming ‘tuinen’, dus in de voortuin, extra (half)verharding is aangebracht om daar te kunnen parkeren. Ook is niet in geschil dat het oppervlak aanwezige asfaltverharding groot genoeg is om meer dan twee auto’s te parkeren en dat dit feitelijk ook gebeurt. Vast staat dat deze situatie in strijd is met artikel 7, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften. Vast staat verder dat het handhavingsverzoek van eiseres (mede) gericht is op deze met het bestemmingsplan strijdige situatie en dat verweerder nog niet heeft beslist op dit verzoek omdat hij de afloop van de onderhavige procedure wil afwachten. Desgevraagd is namens verweerder ter zitting verklaard dat als verweerder nu zou moeten beslissen op het handhavingsverzoek, verweerder het verzoek zou afgewezen.

Onder verwijzing naar de bij de aanvraag behorende aangepaste terrein-inrichtingstekening stelt de rechtbank vast dat ook deze grond, de voortuin, is aangeduid met nummer 2 (wat staat voor vernieuwd, uitgebreid grind). In de tekening is deze aanduiding niet alleen begrens tot de achtertuin en de zijtuinen die de bestemming ‘te bebouwen erven’ hebben. Nu de vergunning is verleend in overeenstemming met deze bij de aanvraag behorende aangepaste terrein-inrichtingstekening, dient er van uit te worden gegaan dat verweerder met de verleende vergunning ook deze aanlegwerkzaamheden heeft gelegaliseerd. De rechtbank mist in de vergunning en het bestreden besluit een motivering of en met toepassing van welke bevoegdheid is berust op de verharding van de voortuin en in strijd met het bestemmingsplan en het negatieve advies van de deskundige de situatie is gelegaliseerd. Ook op dit punt is het bestreden besluit genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en slaagt het beroep.

4.5. Gelet op de voorgaande overwegingen zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit komt wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Nu aan het primaire besluit dezelfde gebreken kleven, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit brengt met zich mee dat de situatie herleeft dat er sprake is van activiteiten in strijd met het bestemmingsplan en dat er weer ter beoordeling van verweerder voorligt de legalisatieaanvraag van de eigenaar van het perceel en nog altijd het handhavingsverzoek van eiseres. Verweerder dient opnieuw op de aanvraag van de eigenaar van het perceel te beslissen met in achtneming van deze uitspraak.

4.6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die eiseres in beroep en bezwaar heeft moeten maken. Deze wordt begroot op € 1.311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 437,- per punt). Ook dient verweerder het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

4.7. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank tenslotte als volgt. Eiseres heeft als beroepsgrond nog aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet bij de onderhandelingen met de aanvrager heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat verweerder daartoe in beginsel niet verplicht is. Er zijn echter wel situaties denkbaar waarin verweerder dit op grond van artikel 3:2 van de Awb wel behoort te doen. De rechtbank geeft verweerder mee dit bij de nieuwe besluitvorming mee te nemen.

Ook voor de nieuwe besluitvorming acht de rechtbank het volgende van belang. In de vergunning staat dat verweerder de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd en dat eiseres een zienswijze heeft ingediend. Ter zitting is desgevraagd gebleken dat dit niet juist is. Verweerder heeft in overleg met de voormalige gemachtigde van eiseres het handhavingsverzoek van eiseres als een prematuur zienswijze aangemerkt. De (nieuwe)gemachtigde van eiseres heeft ter zitting te kennen gegeven hierover niet op de hoogte te zijn en heeft geklaagd over de omstandigheid dat eiseres geen gelegenheid is geboden een zienswijze in te dienen.

De rechtbank overweegt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit wordt alleen anders als met toepassing van artikel 2.11, tweede lid in samenhang met artikel 2.12 van de Wabo de planologische strijdigheid wordt weggenomen. Op grond van het bepaalde in Artikel 3.10, eerste lid van de Wabo is op een aanvraag om een omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo wegens strijd met bestemmingsplan of beheersverordening en waarvoor slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, ten derde (oude projectbesluit) of artikel 2.12, tweede lid (tijdelijke afwijking bestemmingsplan) vergunning kan worden verleend, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing. Dit betekent dat, indien verweerder de aangebrachte verharding op de gronden met de bestemming “tuinen” wil legaliseren, verweerder de uniforme openbare voorbereidingsprocedure dient te volgen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 30 juni 2011;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.311,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB