Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2141

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 12-1452 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding, onweerlegbaar rechtsvermoeden, hoofdverblijf, terugkomen op ondertekende verklaring. Bestreden besluit kan niet standhouden voor wat betreft de datum met ingang waarvan de gezamenlijke huishouding kan worden vastgesteld. Dat eiser heeft verklaard dat de gezamenlijke huishouding speelde vanaf 2003, brengt nog niet met zich dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser al per 1 januari 2003 een gezamenlijke huishouding voerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1452 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.G.A. van Meel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde [E].

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 oktober 2010 herzien en een bedrag van € 101.668,34 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 10 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, vergezeld door een handhavingsspecialist, de heer [B] (hierna: de heer [B]) en een collega.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is gehuwd geweest met mevrouw [A] (hierna: mevrouw [A]). Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Eiser ontving, laatstelijk op grond van de WWB, per 1 juli 1996 tot en met 31 oktober 2010 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande plus 20% toeslag woonkosten.

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijke fraudemelding op 25 augustus 2010, heeft verweerder een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 14 september 2010 en het rapport van 16 juni 2011.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser per 7 september 2010 ingetrokken, omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote mevrouw [A]. Bij besluit van 23 december 2010 heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 5 oktober 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2010.

1.4. Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 oktober 2010 herzien en de ten onrechte betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 101.668,34 bruto. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij twee getuigenverklaringen overgelegd.

Standpunten van partijen

2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser heeft verzwegen een gezamenlijke huishouding te voeren met mevrouw [A] sinds 1 januari 2003 op het adres van mevrouw [A]. Eiser heeft hiermee de inlichtingenverplichting uit artikel 17 van de WWB geschonden. Aangezien aan eiser bijstand is verstrekt tot en met 31 oktober 2010, wordt de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 oktober 2010 van eiser teruggevorderd. Eiser heeft, tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres op 7 september 2010, verklaard dat hij sinds 2003 elke dag op het adres van mevrouw [A] dagelijkse activiteiten heeft en daar minimaal drie tot vier keer per week slaapt. De door eiser ondertekende verklaring is niet onder dwang afgenomen. Verweerder gaat daarom uit van deze verklaring. Voorts bestaan er geen dringende redenen die maken dat van terugvordering moet worden afgezien.

2.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding sinds 1 januari 2003. De gezamenlijke huishouding is pas ontstaan in juli 2010. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder onvoldoende is ingegaan op het bezwaarschrift en de getuigenverklaringen. Voorts voert eiser aan dat niet de WWB, maar de bijstandswet van voor 1 januari 2004, de Abw, van toepassing is. Het bestreden besluit kan alleen daarom al niet in stand blijven. Ook is van belang dat een strafrechtelijke vervolging is uitgebleven. Tot slot voert eiser aan dat door een betreurenswaardig onnozele beantwoording van de vragen door eiser op 7 september 2010, nadat vriendelijk is gezegd dat eiser nergens bang voor hoefde te zijn en op alle gesloten vragen vriendelijk ja zei of ja knikte, de uitkering is teruggevorderd.

Juridisch kader

3.1. Op grond van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en, vanaf

1 januari 2004, artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigener beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

3.2. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

3.3. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan verweerder kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

3.4. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Abw en - met ingang van 1 januari 2004 - ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3.5. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Abw en - met ingang van 1 januari 2004 - artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest (sub a) of uit hun relatie een kind is geboren (sub b).

3.6. Het bestreden besluit dateert van na 1 januari 2004. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) met betrekking tot het overgangsrecht (zie de uitspraak van de CRvB van 21 april 2005, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AT4358) volgt het volgende. Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, die tot die datum werd ontleend aan de (oude) bepalingen van de Abw, aan de artikelen 54 en 58 en 59 van de WWB. De rechten en verplichtingen van eiser dienen, voor zover deze betrekking hebben op een tijdvak (gedeeltelijk) gelegen vóór 1 januari 2004, materieel te worden beoordeeld naar de (oude) bepalingen van de Abw. Daarbij wordt onderkend dat in de tekst van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB (of in het overgangsrecht) een voor de hand liggende verwijzing (ook) naar artikel 65, eerste lid, van de Abw ontbreekt. Een redelijke wetsuitleg brengt evenwel mee dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ook kan worden toegepast in situaties waarin het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw zich heeft voorgedaan voordat de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB is gaan gelden.

Beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat, nu eiser en mevrouw [A] gehuwd zijn geweest en uit hun huwelijk drie kinderen zijn geboren, op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b van de Abw/WWB verweerder slechts het hoofdverblijf in dezelfde woning aannemelijk dient te maken.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal echter voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 maart 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BH7978).

4.3. Uit het rapport van 14 september 2010 is de rechtbank het volgende gebleken. Op

7 september 2010 heeft verweerder een huisbezoek op het uitkeringsadres van eiser afgelegd. Tijdens het huisbezoek heeft eiser – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij sinds 2003 dagelijks naar het adres van mevrouw [A] gaat, dat hij drie à vier dagen per week op dat adres slaapt, dat hij er dagelijks kookt, dat hij een sleutel van het huis heeft, dat mevrouw [A] eisers kleding wast, dat eiser de auto van mevrouw [A] dagelijks gebruikt en dat hij boodschappen doet met geld van mevrouw [A]. Ook heeft eiser verklaard dat zijn zoon sinds één jaar op het uitkeringsadres woont. Voorts heeft eiser desgevraagd verklaard dat zijn zojuist afgelegde verklaring duidelijk is voorgelezen door de rapporteur, dat het klopt en dat hij correct is behandeld. Hierna heeft eiser zijn verklaring ondertekend. Naar aanleiding van de door eiser afgelegde verklaring heeft verweerder een huisbezoek afgelegd op het adres van mevrouw [A]. Op dit adres is herenkleding aangetroffen die desgevraagd van eiser bleek te zijn. Ook zijn er tientallen poststukken aangetroffen op naam van eiser in een schoenendoos bovenop een kledingkast welke eiser desgevraagd opende en tevens de inhoud hiervan toonde.

4.4. Uit het rapport van 16 juni 2011 blijkt dat verweerder vervolgens een buurtonderzoek is gestart. Verweerder heeft getuigenverklaringen opgenomen van buren rond het uitkeringsadres en buren rond het adres van mevrouw [A]. Uit één van deze verklaringen, afgelegd op 21 april 2011 door [D], een buurman van mevrouw [A], blijkt dat eiser volgens hem in ieder geval sinds 3 juli 2003 op het adres van mevrouw [A] woont. Voorts is er een anonieme verklaring dat eiser op het adres van mevrouw [A] woont, maar zijn er ook verklaringen waar uit blijkt dat eiser met enige regelmaat bij het uitkeringsadres wordt gezien.

Vervolgens zijn eiser en mevrouw [A] op 17 mei 2011 gehoord. Eiser heeft toen verklaard dat hij pas sinds juli 2010 weer een relatie heeft met mevrouw [A]. Eiser geeft in dit gesprek aan dat wat hij heeft verklaard op 7 september 2010 verzonnen en gelogen is. Eiser was toen high en ziek maar heeft dat niet verteld. Naar aanleiding van deze verklaring is gedurende het verhoor telefonisch contact opgenomen met een van de handhavingspecialisten die op 7 september 2010 met eiser hebben gesproken, [C]. Deze verklaarde dat het gesprek op 7 september 2010 prettig was geweest en dat de huidige houding en verklaring van eiser haar verbaast.

Mevrouw [A] verklaart eveneens dat zij sinds juni 2010 weer een relatie heeft met eiser en niet vanaf 2003. Beiden hebben hun verklaring na aflegging daarvan ondertekend.

4.5. Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover ambtenaren belast met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand afgelegde en ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.6. De door eiser afgelegde verklaring is voldoende inzichtelijk en gedetailleerd en is door eiser ondertekend, nadat deze nogmaals is voorgelezen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser ook aan een dergelijke verklaring kan worden gehouden, tenzij hij een onderbouwde verklaring kan geven over de redenen dat de verklaring in eerste instantie onjuist zou zijn opgetekend en niettemin door hem is ondertekend. Daarvan is in dit geval geen sprake. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij bij het huisbezoek op 7 september 2010 dermate verward was dat hij geen verklaring kon afleggen of dat van zijn afgelegde verklaring niet kon worden uitgegaan. De stelling van eiser dat hij op 7 september 2010 heeft verklaard dat de gewijzigde situatie speelt vanaf 2010 en niet vanaf 2003 is niet aannemelijk, nu eiser niet consistent verklaart wat de reden van het misverstand zou kunnen zijn. Enerzijds voert eiser aan dat hij high en ziek was, anderzijds voert eiser in zijn bezwaarschrift aan dat hij al tien jaar geen drugs gebruikt. De stelling van eiser ter zitting dat hij niet meer weet dat hij een verklaring aflegde op 7 september 2010, maar dat hij wel zeker weet dat hij daarbij heeft gezegd dat de gewijzigde situatie speelt vanaf 2010, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin consistent. Bovendien is niet aannemelijk dat wanneer een verklaring wordt afgelegd op 7 september 2010 en daarbij wordt verklaard dat de situatie is gewijzigd “vanaf 2010” (dus in hetzelfde jaar), daarop niet nader wordt doorgevraagd, bijvoorbeeld door te vragen naar de maand van aanvang. Mogelijk is de wijziging dan immers slechts zeer kort geleden. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat eiser niet mag worden gehouden aan zijn verklaring afgegeven op 7 september 2010. Bovendien heeft de handhavingsspecialist met wie eiser op 7 september 2010 heeft gesproken, de heer [B], ter zitting verklaard dat eiser bij die gelegenheid niet onder invloed was. Hij heeft daarbij verklaard dat hij jarenlang als politieambtenaar heeft gewerkt en met die ervaring kan herkennen wanneer ondervraagden onder de invloed zijn. Op grond van deze feiten en omstandigheden bestaat geen aanleiding niet uit te gaan van de verklaring van eiser van 7 september 2010. Verweerder mocht de verklaring van eiser dus aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.

4.7. Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt de rechtbank dat de onderzoeksresultaten van verweerder voldoende grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat eiser en mevrouw [A] vanaf 2003 hun hoofdverblijf hadden in de woning van mevrouw [A]. De rechtbank hecht daarbij betekenis aan het feit dat uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft verklaard is gebleken dat eiser drie of vier dagen per week bij mevrouw [A] verbleef. Voorts had eiser kleding op het adres van mevrouw [A] liggen. Ook had eiser een sleutel van de woning van eiseres. Op grond van deze omstandigheden kan eiser naar het oordeel van de rechtbank geacht worden vanaf 2003 zijn hoofdverblijf in de woning van mevrouw [A] te hebben gehad. Dat eiser een eigen woning op het uitkeringsadres heeft en dat hij op dat adres ingeschreven stond ten tijde van de periode in geding, doet aan het voorgaande niet af.

4.8. De grond van eiser dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder nauwelijks is ingegaan op de getuigenverklaringen en het bezwaarschrift, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de twee door eiser overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende overtuigingskracht hebben. In onderhavig geval is voldoende dat uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat verweerder de getuigenverklaringen wel in zijn beoordeling heeft meegenomen.

4.9. Voorts overweegt de rechtbank dat ter zitting de gemachtigde van eiser heeft verklaard de pinbetalingen op de bankafschriften van eiser te hebben bekeken en dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser zowel pinbetalingen heeft gedaan rond het uitkeringsadres als rond het adres van mevrouw [A]. Deze bankafschriften zijn door eiser daarom niet overgelegd. Derhalve heeft eiser geen andersluidende informatie naar voren gebracht dat afbreuk kan doen aan de verklaring van eiser van 7 september 2010 en het oordeel dat eiser sinds 2003 hoofdverblijf heeft op het adres van mevrouw [A].

4.10. Echter, de rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet kan standhouden voor wat betreft de datum met ingang waarvan de gezamenlijke huishouding kan worden vastgesteld. Dat eiser heeft verklaard dat de gezamenlijke huishouding speelde vanaf 2003, brengt nog niet met zich dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser al per 1 januari 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw [A]. Uit de verklaring van getuige [D] leidt de rechtbank af dat eiser in ieder geval vanaf 3 juli 2003 een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [A]. In de gedingstukken is dat evenwel het enige steunbewijs om te kunnen vaststellen vanaf welke datum in 2003 eiser een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw [A]. Het bestreden besluit zal dan ook op dit punt worden vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.11. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat eiser en mevrouw [A] vanaf 3 juli 2003 tot en met 31 oktober 2010 een gezamenlijke huishouding voerden. Eiser heeft weliswaar nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met overgangsrecht, doch dit niet nader onderbouwd. Materieel leidt de onderhavige zaak niet tot een andere beoordeling over de gezamenlijke huishouding onder het oude recht ten opzichte van het nieuwe recht. Derhalve was over bedoelde periode sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a van de Abw en de WWB. Dit betekent dat eiser over deze periode geen zelfstandig subject was van bijstand en derhalve geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.12. Eiser heeft van de gezamenlijke huishouding geen melding gemaakt bij verweerder, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Verweerder was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van eiser over de periode van 3 juli 2003 tot en met 31 oktober 2010 te herzien. In de omstandigheid dat eiser niet strafrechtelijk zal worden vervolgd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Aan het bewijs worden in het strafrecht immers zwaardere eisen gesteld dan in het bestuursrecht.

4.13. Nu verweerder de bijstand van eiser terecht heeft herzien, was verweerder dus bevoegd de ten onrechte verstrekte bijstand aan eiser op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, terug te vorderen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.14. Gelet op het in rechtsoverweging 4.10 is overwogen, zal de rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken, inhoudende een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting, vermenigvuldigd met het tarief per punt van € 437,-, dat neerkomt op een bedrag van € 874,-. Nu eiser procedeert op basis van een toevoeging, dient verweerder dit bedrag te betalen aan de griffier van de rechtbank.

4.15. De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- (zegge: eenenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, voorzitter,

mrs. A.M.I. van der Does en I.W. Neleman, leden, in aanwezigheid van

mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB