Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1484

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
1305066 - HA EXPL 11-675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekerde spreekt rechtsbijstandverzekeraar aan tot vergoeding van kosten van advocaat die de verzekerde, zonder overleg met rechtsbijstandverzekeraar, heeft ingeschakeld. Vordering tot vergoeding wordt afgewezen. Vrije advocaatkeuze, art. 4 Richtlijn, art. 4:67 Wft, Eschig-arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector kanton

locatie: Amsterdam

Zaaknummer en rolnummer: 1305066 \ HA EXPL 11-675

Uitspraak: 13 juni 2012

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te [plaats],

nader in mannelijk enkelvoud te noemen [A] c.s.,

gemachtigde: mr. Th.S.A. Berkhout te Deurne,

eisers,

t e g e n

de naamloze vennootschap

DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

nader te noemen DAS,

gemachtigde: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

gedaagde.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 6 juli 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties.

Bij vonnis van deze rechtbank, sector civiel, van 26 oktober 2011 is de zaak in de stand waarin deze zich bevond voor verdere behandeling verwezen naar de rol van deze rechtbank, sector kanton, van 23 november 2011.

Ingevolge tussenvonnis van 4 januari 2012 heeft op 16 april 2012 een bijeenkomst van partijen (hierna: comparitie) plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De feiten en omstandigheden

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1. DAS voert als juridisch zelfstandige onderneming rechtsbijstandsverzekeringen uit voor Delta Lloyd Schadeverzekering NV (hierna: Delta Lloyd).

1.2. [A] c.s. is door een overeenkomst met Delta Lloyd verzekerd voor rechtsbijstand door DAS. De toepasselijke polisvoorwaarden (hierna: de polisvoorwaarden) luiden, voor zover hier van belang:

“ARTIKEL 5

HET VERLENEN VAN RECHTSBIJSTAND

ARTIKEL 5.1

INTERNE OF EXTERNE DESKUNDIGEN / REDELIJKE KANS

De rechtsbijstand wordt verleend door deskundigen in loondienst van DAS, tenzij DAS besluit de verlening van rechtsbijstand of een deel daarvan over te dragen aan een externe deskundige. (…)

(…)

ARTIKEL 5.3

INSCHAKELING EXTERNE DESKUNDIGE

Als het naar het oordeel van DAS noodzakelijk is om de behandeling of een deel daarvan over te dragen aan een externe deskundige, is uitsluitend DAS bevoegd om, na overleg met de verzekerde, opdrachten daartoe te verstrekken. Hierbij gelden de volgende bepalingen.

1 Advocaatkeuze

Als DAS een opdracht geeft aan een advocaat om de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te behartigen, volgt DAS de keuze van de verzekerde. (…)

(…)

ARTIKEL 6

GESCHILLENREGELING/BELANGENCONFLICT

ARTIKEL 6.1

GESCHILLENREGELING

(…)

1 Bij meningsverschil recht op beoordeling door advocaat

Als de verzekeringnemer het oneens blijft met het oordeel van DAS over de regeling van het geschil waarvoor hij een beroep op de verzekering heeft gedaan, dan kan hij DAS schriftelijk verzoeken dit meningsverschil voor te leggen aan een advocaat. DAS legt dan dit meningsverschil, met alle relevante stukken, voor aan de gekozen advocaat en verzoekt hem zijn oordeel te geven. (…) Het oordeel van de advocaat is bindend voor DAS. De kosten zijn voor rekening van DAS en komen niet ten laste van het eventueel van toepassing zijnde kostenmaximum.

2 Verdere behandeling overeenkomstig oordeel advocaat

De verlening van rechtsbijstand wordt door DAS voortgezet in overeenstemming met het oordeel van de advocaat, tenzij de verzekerde op dat moment te kennen geeft dat hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om de zaak voor eigen rekening en risico voort te zetten, zoals hierna onder punt 4 omschreven.

3 Overdracht aan externe deskundige

Als DAS de behandeling overdraagt aan een externe deskundige, mag de opdracht niet aan de advocaat die (…) het bindende oordeel heeft gegeven, of aan een kantoorgenoot van deze

advocaat, worden verstrekt.

4 Zaaksbehandeling voor eigen rekening en risico van verzekerde

Als de verzekerde zich niet met het oordeel van de advocaat kan verenigen, kan hij de zaaksbehandeling voor eigen rekening en risico voortzetten. Wordt hij daarbij alsnog geheel of gedeeltelijk in het gelijk gesteld, dan betaalt DAS alsnog de redelijk gemaakt kosten van rechtsbijstand, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.5.”

1.3. [A] c.s. heeft in november 2005 een geschil bij DAS gemeld. De zaak is door DAS in behandeling genomen en behandeld door haar medewerker mr. [C] (hierna: mr. [C]).

1.4. Mr. [C] heeft [A] c.s. in juni 2006 geadviseerd dat hij zelf naar de hoorzitting zou kunnen gaan, die in zijn zaak zou worden gehouden (hierna: de hoorzitting).

1.5. [A] c.s. heeft naar aanleiding van het hiervoor onder 1.4 vermelde advies van mr. [C] aanspraak gemaakt op de overeengekomen geschillenregeling. Mr. [C] heeft de zaak, in het kader van de geschillenregeling, op verzoek van [A] c.s. voorgelegd aan mr. [D] (hierna: mr. [D]).

1.6. Mr. [D] heeft mr. [C] bij e-mail van 28 juni 2006, bij wege van bindend advies, (onder meer) geschreven het niet eens te zijn met het standpunt van mr. [C] dat [A] c.s. zelf naar de hoorzitting zou kunnen gaan en het op dit punt niet eens te zijn met haar wijze van behandeling van de zaak.

1.7. Mr. [C] heeft namens DAS bij e-mail van 29 juni 2006 opdracht aan mr. [D] gegeven om de belangen van [A] c.s. tijdens de hoorzitting te behartigen. Zij heeft daarbij vermeld dat DAS na deze hoorzitting de behandeling van de zaak zou voortzetten.

1.8. Mr. [D] heeft mr. [C] bij e-mail van 4 juli 2006, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“U heeft in uw e-mail van 29 juni laten weten, dat u na de hoorzitting de behandeling weer zelf wilt voortzetten. Ik heb dit besproken met cliënten en met dit standpunt zijn cliënten het niet eens. Ik verneem ook graag, waaraan u het recht ontleent om de behandeling slechts partieel over te dragen. Wat mij betreft kan deze discussie op dit moment achterwege blijven totdat Burgemeester en Wethouders op het bezwaar hebben beslist.”

1.9. Mr. [C] heeft mr. [D] bij e-mail van 5 juli 2006 geantwoord dat de opdracht aan hem om ter hoorzitting de belangen van [A] c.s. te behartigen coulancehalve was gegeven en niet op een verplichting van DAS berustte. Mr. [C] heeft er daarbij op gewezen dat overeenkomstig de toepasselijke polisvoorwaarden de rechtsbijstand door DAS wordt verleend en dat dit niet verandert doordat een beroep op de geschillenregeling is gedaan.

1.10. [A] c.s. heeft op 4 december 2006 een machtiging aan mr. [E] (medewerker van DAS en de opvolgend zaaksbehandelaar van mr. [C], hierna: mr. [E]) getekend om in hun zaak hun belangen te behartigen in de beroepsprocedure bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch en heeft deze aan DAS gezonden.

1.11. Mr. [E] heeft ten behoeve van [A] c.s. werkzaamheden verricht in de hiervoor onder 1.10 vermelde beroepsprocedure.

1.12. Mr. [D] heeft mr. [E] bij e-mail van 10 april 2007, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“Clienten hebben mij vorige week gebeld en meegedeeld, dat zij deze zaak verder door ons kantoor willen laten behandelen. Mede ook gelet op de eerdere ervaringen met DAS Rechtsbijstand in dit dossier vinden clienten het niet juist, dat u de behandeling van deze zaak weer overgenomen hebt, waar u aanvankelijk ons kantoor gevraagd had de belangen van clienten verder te behartigen, te meer nu de zaak intern bij u weer is overgedragen. Clienten vinden dat u de behandeling van deze zaak aan ons kantoor moet overlaten.”

1.13. Mr. [E] heeft mr. [D] bij brief van 11 april 2007 (onder meer) geschreven dat zij bereid was de verdere behandeling van de zaak aan het kantoor van mr. [D] over te dragen, maar dat DAS de daarmee gepaard gaande kosten niet zou vergoeden.

1.14. [A] c.s. heeft zijn zaak vervolgens door het kantoor van mr. [D] laten behandelen. Hiervoor is hem door het kantoor van mr. [D] totaal EUR 13.288,09 gedeclareerd.

1.15. [A] c.s. heeft DAS verzocht de door hem gemaakte advocaatkosten te vergoeden. DAS is hiertoe niet overgegaan.

2. De vordering en het verweer

2.1. [A] c.s. vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DAS veroordeelt:

1. tot betaling van EUR 13.288,09, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. tot vergoeding van EUR 904,--, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te bepalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. in de kosten van deze procedure, inclusief de gevorderde nakosten, met uitdrukkelijke bepaling dat DAS wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis zal hebben betaald.

2.2. [A] c.s. legt – onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en de in het geding gebrachte stukken – aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Primair brengen de redelijkheid en billijkheid met zich dat, wanneer een zaak getoetst wordt binnen de geschillenregeling en het advies wordt gegeven en gevolgd om de zaak te verwijzen, DAS deze zaak niet meer aan zich mag houden. Subsidiair handelt DAS onrechtmatig jegens [A] c.s. door vast te houden aan de verzekeringsovereenkomst, die in strijd is met Europese regelgeving. Zo is de verzekeringsovereenkomst in strijd met artikel 4:67 Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en artikel 4 van de “Richtlijn van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering” (87/344/EEG, Pb L 185/77, hierna: de Richtlijn). Meer subsidiair is DAS toerekenbaar jegens [A] c.s. tekortgeschoten, doordat zij niet de zorgvuldigheid van een goed verzekeraar heeft betracht en niet over de nodige deskundigheid beschikte. Verder heeft DAS, naar de kantonrechter begrijpt eveneens meer subsidiair, ten onrechte [A] c.s. er niet op gewezen dat hij een vrije advocaatkeuze had, onder vergoeding door DAS van de kosten onder de verzekeringsovereenkomst. DAS is verder toerekenbaar tekortgeschoten door de facturen van de advocaat van [A] c.s. niet te voldoen. De hiervoor vermelde grondslagen leiden ertoe, naar de kantonrechter begrijpt ieder afzonderlijk, dat DAS de door [A] c.s. gemaakte advocaatkosten van EUR 13.288,09 aan [A] c.s. dient te vergoeden.

[A] c.s. is genoodzaakt geweest om buitengerechtelijke kosten te maken, die hij mede gelet op rapport Voorwerk II begroot op EUR 904,--. Subsidiair maakt [A] c.s. ter zake van buitengerechtelijke kosten aanspraak op een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen bedrag. DAS is gehouden deze kosten aan [A] c.s. te vergoeden.

Tot slot maakt [A] c.s. aanspraak op vergoeding van nakosten van EUR 205,--, zonder betekening van het vonnis, en op EUR 273,--, indien het vonnis aan DAS moet worden betekend.

2.3. DAS voert verweer tegen de vordering.

2.4. Op de stellingen van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. In deze zaak is de vraag aan de orde of DAS jegens [A] c.s. gehouden is om de door hem gemaakte advocaatkosten te vergoeden.

3.2. In de kern komt het geschil tussen partijen erop neer, dat [A] c.s. van mening is dat hem op grond van artikel 4:67 Wft en artikel 4 Richtlijn het recht toekomt zelf een advocaat te kiezen en dat de vervolgens door hem gemaakte advocaatkosten door DAS zouden moeten worden vergoed. DAS stelt zich – samengevat – op het standpunt dat in het onderhavige geval de vrije advocaatkeuze op grond van voormelde artikelen aan [A] c.s. slechts toekomt, wanneer cumulatief:

1. door DAS een externe advocaat moet worden aangezocht; en er

2. sprake is van een gerechtelijke of administratieve procedure.

DAS stelt zich op het standpunt dat, nu zij geen opdracht heeft gegeven voor de gedeclareerde werkzaamheden, zij niet tot vergoeding van de gemaakte advocaatkosten gehouden is.

3.3. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat blijkens de considerans de Richtlijn enerzijds tot doel heeft de vrije vestiging van verzekeringsmaatschappijen te vergemakkelijken en anderzijds de belangen van de verzekeringsnemers te beschermen door met name eventuele belangenconflicten zoveel mogelijk te voorkomen en de oplossing van geschillen tussen verzekeraars en verzekerden mogelijk te maken. Tegen deze achtergrond wordt in artikel 4 Richtlijn, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 4

1. In elke overeenkomst inzake rechtsbijstandverzekering moet uitdrukkelijk worden bepaald dat

a) indien een advocaat of andere persoon die volgens het nationaal recht gekwalificeerd is, wordt gevraagd de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen, de verzekerde vrij is om deze advocaat of andere persoon te kiezen;

b) de verzekerde vrij is om een advocaat of, indien hij daar de voorkeur aan geeft en voor zover het nationale recht zulks toestaat, een andere gekwalificeerde persoon te kiezen om zijn belangen te behartigen wanneer zich een belangenconflict voordoet.”

3.3.1. Artikel 4:67 Wft, dat de implementatie vormt van de Richtlijn, luidt, voor zover hier van belang:

“1. Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking uitdrukkelijk wordt bepaald dat het de verzekerde vrij staat een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige te kiezen indien:

a. een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen; of

b. zich een belangenconflict voordoet.”

3.3.2. Tussen partijen staat vast dat zich hier niet het geval van artikel 4 lid 1 sub b Richtlijn en artikel 4:67 lid 1 sub b Wft voordoet. Deze leden van de betreffende artikelen spelen bij de beoordeling van het geschil geen rol en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.

3.3.3. Bij de beoordeling wordt verder vooropgesteld, dat Delta Lloyd een rechtsbijstandsverzekering aanbiedt waarbij DAS (in beginsel) rechtsbijstand in natura verleent door inschakeling van haar eigen medewerkers (zie artikel 5.1 polisvoorwaarden, hiervoor onder 1.2 vermeld). Weliswaar kan DAS besluiten om aan een externe advocaat of een andere externe deskundige (een deel van) de behandeling van de zaak over te dragen, maar overeenkomstig artikel 5.3 polisvoorwaarden is uitsluitend DAS tot het geven van die opdracht bevoegd. De verzekeringsovereenkomst is derhalve geen kostenverzekering, waarbij [A] c.s. steeds aanspraak zou kunnen maken op het voor rekening van DAS kiezen van zijn eigen advocaat.

3.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 tot en met 3.3.3 is overwogen, deelt de kantonrechter (in navolging van het Gerechtshof Amsterdam, 26 juli 2011,

LJN: BR5339) de zienswijze van DAS, dat artikel 4:67 lid 1 sub a Wft zo moet worden gelezen, dat bij een rechtsbijstandsverzekering in natura als de onderhavige, het recht op vrije advocaatkeuze niet reeds ontstaat op het moment dat wordt besloten dat ten behoeve van de verzekerde een gerechtelijke of administratieve procedure wordt gevoerd, maar dat daarvoor nodig is een besluit van de rechtsbijstandverzekeraar dat de zaak niet (langer) door een rechtshulpverlener in loondienst (niet zijnde advocaat) van de rechtsbijstandverzekeraar, maar door een externe rechtshulpverlener zal worden behandeld. Immers, pas dan doet zich de mogelijkheid voor van een belangenconflict zoals de Richtlijn met artikel 4 lid 1 sub a heeft willen trachten te voorkomen. De Richtlijn bevat geen aanwijzingen dat het de rechtsbijstandverzekeraar niet is toegestaan om in het kader van een rechtsbijstandverzekering in natura in een gerechtelijke of administratieve procedure zelf de zaak van haar verzekerde te behandelen.

Naast in voormeld arrest van het hof vindt de kantonrechter steun voor haar oordeel in de wetsgeschiedenis van artikel 60 Wet toezicht verzekeringsbedrijf (hierna: Wtv) (ter implementatie van artikel 4 Richtlijn en dat is opgegaan in artikel 4:67 Wft). Over de vraag hoe de woorden “wordt verzocht” uit artikel 4 lid 1 sub a Richtlijn moeten worden gelezen, hebben de toenmalige minister van justitie en minister van financiën in de memorie van toelichting opgemerkt dat, behoudens het geval dat er sprake is van een juridische kostenverzekering, de vraag wanneer een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige moet worden ingeschakeld ter beoordeling van de verzekeraar staat (Kamerstukken II, 1988/1989, 21 076, nr. 3 bladzijde 4). Met betrekking tot artikel 4:67 Wft heeft de toenmalige minister van financiën bij de behandeling van dit artikel opgemerkt, dat het evenals artikel 60 van de Wtv bepaalt, dat in de verzekering moet worden opgenomen dat het de verzekerde vrij staat in de in het artikel genoemde omstandigheden een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige te kiezen. Het moment van inschakelen van een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige als bedoeld in onderdeel a staat volgens de minister ter beoordeling van de rechtsbijstandverzekeraar (Kamerstukken II, 2005/2006, 29 708, nr. 19 bladzijde 541).

3.5. Uit hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, volgt dat – anders dan [A] c.s. betoogt – artikel 5 van de polisvoorwaarden niet in strijd is met artikel 4 lid 1 sub a Richtlijn en artikel 4:67 lid 1 sub a Wft. Noch de Richtlijn, noch de Wft staat eraan in de weg dat in het kader van een rechtsbijstandverzekering in natura in een gerechtelijke of administratieve procedure DAS zelf de zaak van haar verzekerde behandelt. DAS heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zij in het onderhavige geval pas de kosten voor (externe) rechtskundige bijstand hoeft te vergoeden, nadat door haar hiertoe opdracht aan een extern deskundige is verleend. [A] c.s. verwijt DAS daarmee ook ten onrechte dat zij hem niet heeft gewezen op de vrije advocaatkeuze. Zolang zij zelf, door middel van haar medewerkers (niet zijnde advocaat), de zaak kon behandelen, behoefde DAS [A] c.s. hier niet op te wijzen.

3.6. [A] c.s. wordt ook niet gevolgd in zijn opvatting dat uit het Eschig-arrest (Hof van Justitie EG, 10 september 2009, C-199/08) volgt dat de vrije advocaatkeuze ook geldt in het geval geen verplichte procesvertegenwoordiging is vereist, zoals bijvoorbeeld bij een kantongerechtprocedure. [A] c.s. wijst er in dit verband op dat het Hof van Justitie spreekt over “rechtshulpverlener” en niet de bewoordingen van artikel 4 lid 1 sub a Richtlijn gebruikt, “een advocaat of andere persoon die volgens het nationale recht gekwalificeerd is”. Naar de kantonrechter begrijpt heeft dit volgens [A] c.s. tot gevolg dat hij ook steeds aanspraak kan maken op een eigen advocaat wanneer zijn zaak wordt behandeld door een medewerker van DAS (niet zijnde een advocaat). Voor deze opvatting van [A] c.s. is in het arrest geen aanknopingspunt te vinden. Daarnaast spreekt het Hof van Justitie EG in het op het Eschig-arrest volgende arrest Gebhard Stark-D.A.S. Österreichische Allegemeine Rechtsschutzversicherung AG (Hof van Justitie EG, 26 mei 2011, C-293/10) in het kader van de Richtlijn niet langer over rechtshulpverlener, maar gebruikt het de bewoordingen uit de Richtlijn. De kantonrechter houdt het er derhalve voor dat het Hof van Justitie EG door het gebruik van het woord rechtshulpverlener in het Eschig-arrest geen ruimere betekenis heeft bedoeld te geven dan uit de bewoordingen uit de Richtlijn volgt. Daar komt bij dat artikel 4 Richtlijn in verband dient te worden gelezen met artikel 3 lid 2 Richtlijn, waarin aan de Lid-Staten de keuze wordt gelaten om in de nationale wetgeving maatregelen te nemen die leiden tot regelgeving voor rechtsbijstandverzekeringsmaatschappijen. In lid 2 onder a), b) en c) worden aan de Lid-Staten drie alternatieven gelaten. Onder c) wordt de mogelijkheid gegeven: “de onderneming neemt in de overeenkomst de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de polis het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat van zijn keuze of, voor zover het nationale recht zulks toestaat, een ander gekwalificeerd persoon”. De alternatieven onder a) en b) geven de mogelijkheid een onderneming te verplichten om personeel dat zich met rechtsbijstandverzekering kortweg gescheiden te houden van ander personeel of een andere gelieerde onderneming die in andere branches van verzekering werkzaam zijn (alternatief onder a)), dan wel voor rechtsbijstandverzekering juridisch zelfstandige ondernemingen op te zetten (alternatief onder b)). De Commissie verdedigt in de zaak Eschig (zie overwegingen 33 en 34 van het arrest), dat het in artikel 4 lid 1 sub a) Richtlijn neergelegde beginsel van de vrije keuze van de rechtshulpverlener enkel van toepassing is op het in artikel 3 lid 2 sub c) Richtlijn bedoelde geval. Indien artikel 4 lid 1 sub a van de richtlijn van toepassing was op alle in artikel 3 lid 2 bedoelde oplossingen, de alternatieven onder a) en b) irrelevant zouden zijn en slechts louter aanvullende bepalingen zouden vormen, aangezien de in artikel 3 lid 2 sub c) van de richtlijn genoemde oplossing steeds zou worden toegepast. In de Nederlandse situatie, waarin de wetgever de mogelijk van artikel 3 lid 2 sub c) niet heeft gekozen, kan derhalve artikel 4 lid 1 sub a) Richtlijn niet op alle werkzaamheden van medewerkers (niet advocaten) bij de rechtsbijstandverzekeraars worden toegepast. De kantonrechter oordeelt dat in het geval de rechtsbijstandverzekeraar voldoet aan het in de nationale wetgeving ingevolge artikel 3 lid 2 Richtlijn gekozen alternatief, uit artikel 4 lid 1 onder a) niet volgt dat er altijd vrije advocaatkeuze is in geval een gerechtelijke of administratieve procedure wordt gevoerd.

3.7. [A] c.s. heeft betoogd dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat, wanneer een zaak is getoetst binnen de overeengekomen geschillenregeling en het advies wordt gegeven en gevolgd om de zaak te verwijzen, DAS de zaak niet meer aan zich mag houden.

Overwogen wordt dat DAS aan mr. [D] op 29 juni 2006 opdracht heeft gegeven om [A] c.s. ter hoorzitting van 3 juli 2006 te vertegenwoordigen. DAS heeft daarbij medegedeeld dat zij na deze hoorzitting de behandeling van de zaak zelf zou voortzetten (zie hiervoor onder 1.7). Anders dan [A] c.s. heeft gesteld volgt uit het bindend advies van mr. [D] niet dat de zaak zou moeten worden verwezen, waarbij de kantonrechter “verwijzen” begrijpt als de behandeling van de zaak overdragen. [A] c.s. heeft daarnaast, mede gelet op hetgeen partijen onder artikel 6.1 sub 2 polisvoorwaarden zijn overeengekomen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden DAS de zaak na de hoorzitting niet meer aan zich kon houden. Een algemeen, niet onderbouwd beroep op de redelijkheid en billijkheid (waarbij [A] c.s. ook niet duidelijk heeft gemaakt of hij daarbij het oog heeft op de aanvullende of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) is hiertoe onvoldoende. Het betoog treft dus geen doel.

3.8. Ook de grondslag dat DAS toerekenbaar is tekortgeschoten doordat zij niet de zorgvuldigheid van een goed verzekeraar heeft betracht en doordat zij niet over de nodige deskundigheid beschikte treft geen doel. Immers, wat verder ook zij van de juistheid van deze stelling, is DAS nimmer in verzuim geraakt, zodat geen schadeplichtigheid aan haar zijde is ontstaan. Integendeel, [A] c.s. is ook na het bindend advies verder gegaan met DAS als zijn rechtshulpverlener, zoals blijkt uit het feit dat hij aan mr. [E] de hiervoor onder 1.10 vermelde machtiging heeft gegeven. Gesteld noch gebleken is dat [A] c.s. daarbij enig voorbehoud heeft gemaakt ter zake van schadeplichtigheid aan de zijde van DAS.

3.9. [A] c.s. heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat DAS onrechtmatig handelt door in haar polisvoorwaarden op te nemen dat het uitbesteden van de zaak aan een externe deskundige niet mag plaatsvinden aan het kantoor dat het bindend oordeel in het kader van de geschillenregeling heeft gegeven. Volgens [A] c.s. is dit in strijd met artikel 4 lid 1 sub a Richtlijn en met artikel 4:67 lid 1 sub a Wft.

Dit standpunt van [A] c.s. kan echter reeds niet tot het door hem beoogde resultaat leiden, omdat niet is gesteld of gebleken dat sprake was van een situatie waarin het voor DAS – overeenkomstig de polisvoorwaarden – noodzakelijk was om de zaak aan een externe advocaat of andere externe deskundige uit te besteden en zij geweigerd heeft de zaak uit te besteden aan het kantoor dat het bindend advies heeft gegeven. Van de verplichting tot het aan [A] c.s. meedelen dat hij een vrije advocaatkeuze had, is in dat geval evenmin sprake.

3.10. De slotconclusie is dat DAS niet gehouden is de geclaimde kosten van [A] c.s. aan hem te vergoeden. De vordering tot betaling van de declaraties zal derhalve worden afgewezen. Dientengevolge zal ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

3.11. [A] c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van DAS tot op heden begroot op EUR 600,-- (2 punten x tarief EUR 300,--) aan salaris gemachtigde.

4. DE BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen af;

II. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van DAS tot op heden begroot op EUR 600,--;

III. verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C.M.E. de Koning, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter