Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1365

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
462127 / HA ZA 10-1952
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

NovaCap. (1) Ondergang van commissionair in termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen. Bestuurders van fonds dat in dergelijke transacties belegde aansprakelijk tegenover schuldeiser commissionair? (2) Aansprakelijkheid ter zake van onttrekking van goederen (bollen en vorderingen tot afgifte daarvan) aan door schuldeiser ten laste van fonds gelegde beslagen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 462127 / HA ZA 10-1952

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND BOLROY MARKT B.V.,

gevestigd te Heiloo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND IRIS SELECT B.V.,

gevestigd te Heiloo,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H.B.M. FLORA VASTGOED 1 B.V. (voorheen HOLLAND BLUMEN MARKT HOLLAND BEHEER B.V.),

gevestigd te Heiloo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H.B.M. FLORA HOLDING B.V. (voorheen HOLLAND BLUMEN MARKT H.B.M. HOLDING B.V.),

gevestigd te Heiloo,

5. [A],

wonende te Heiloo,

e i s e r s in de hoofdzaak in conventie, v e r w e e r d e r s in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie, v e r w e e r d e r s in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam,

tegen

1. [B],

wonende te [plaats],

g e d a a g d e in de hoofdzaak in conventie, e i s e r in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie, e i s e r in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. M.H.J. Langerak te Utrecht,

2. [C],

wonende te [plaats],

g e d a a g d e,

advocaat mr. H.J. Tulp te Leeuwarden,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D] ZADEN EN BLOEMBOLLEN B.V.,

gevestigd te Hoogkarspel, gemeente Drechterland,

g e d a a g d e,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[E] CONTRACTTEELT B.V.,

gevestigd te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec,

niet verschenen,

g e d a a g d e.

Eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie, verweerders in het vrijwaringsincident, zullen hierna gezamenlijk HBM c.s. worden genoemd en ieder afzonderlijk HBM, HIS, HBM Beheer, HBM Holding en [A]. Gedaagde in de hoofdzaak in conventie, eiser in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie, eiser in het vrijwaringsincident, sub 1 zal hierna [B] worden genoemd. De overige gedaagden zullen hierna [C], [D] en [E] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2010 en 7 juni 2010;

- de mededeling van HBM c.s., ter rolle van 16 juni 2010, dat zij de zaak tegen de gedaagden [F] en [G] niet aanbrengen;

- het extract uit de minuten berustende ter griffie van deze rechtbank, waaruit blijkt dat de rolrechter op 7 juli 2010 heeft bepaald dat de conclusie van eis van 16 juni 2010 wordt geweigerd en dat een akte overlegging producties en akte wijziging/vermeerdering eis wel is toegestaan;

- de akte houdende overlegging producties, met producties;

- de akte houdende wijziging en vermeerdering van eis;

- de antwoordakte wijziging en vermeerdering van eis, van [D];

- de antwoordakte van HBM c.s.;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties, van [B];

- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van [B], van HBM c.s.;

- het extract uit de minuten berustende ter griffie van deze rechtbank, waaruit blijkt dat [B] is vergund om mr. [H] te Groningen in vrijwaring te doen dagvaarden tegen 30 maart 2011 en dat de beslissing omtrent de kosten is aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties, van [B];

- de conclusie van antwoord, met producties, van [C];

- de akte rectificatie productie tevens overlegging productie, met een productie, van [C];

- de conclusie van antwoord, met producties, van [D];

- het proces-verbaal van de op 24 juni 2011 gehouden comparitie met de daarin vermelde stukken;

- het tussenvonnis van 13 juli 2011;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte nadere toelichting ten aanzien van [B];

- het proces-verbaal van de op 28 oktober 2011 gehouden comparitie met de daarin vermelde stukken;

- de mededeling van HBM c.s., ter rolle van 7 maart 2012, dat zij de zaak tegen de (niet verschenen) gedaagden de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [I] Bloembollen B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] & Zn B.V., de vennootschap onder firma V.O.F. [K] Bloembollen, de vennootschap onder firma [L] en Zn, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Loonbedrijf [L] B.V., [M], [N], [O], [P], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SNS Bloembollen B.V. i.o., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Next Generation B.V. en [Q] intrekken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

SBC en Stichting SBC

2.1.1. In de eerste jaren van deze eeuw liep een groot deel van de transacties in de termijnhandel in bloembollen via Sierteelt Bemiddelings Centrum B.V. (hierna: SBC) en Stichting Derdengelden S.B.C. (hierna: Stichting SBC).

2.1.2. Op de dienstverlening door SBC en Stichting SBC was een reglement (hierna: het SBC-Reglement) van toepassing. Op grond van dat reglement werd op 31 oktober van elk jaar (de “valutadatum”) het totaal van de over het voorbije jaar door een bepaalde partij te betalen koopsommen (te vermeerderen met kosten) verrekend met het totaal van de over het voorbije jaar door die partij te ontvangen koopsommen (te verminderen met kosten). Partijen met een “negatieve positie” betaalden het saldo op 31 oktober aan Stichting SBC, partijen met een “positieve positie” ontvingen het saldo twaalf dagen later van Stichting SBC. Op “positieve posities” werd slechts betaald indien en voor zover Stichting SBC de betrokken koopsommen had ontvangen (de “een-op-een relatie”).

2.1.3. Bestuurders van SBC en Stichting SBC waren [R] (hierna: [R]) en [S] (hierna: [S]).

HBM c.s.

2.2.1. HBM c.s. zijn als (indirecte) aandeelhouders en/of (indirecte) bestuurders met elkaar verbonden.

2.2.2. Een of meer van HBM c.s. houden zich bedrijfsmatig bezig met de teelt van en de handel in bloembollen.

2.2.3. Een of meer van HBM c.s. hadden op 31 oktober 2003 een positieve positie bij SBC.

NovaCap-entiteiten

2.3.1. Op 24 april 2003 zijn opgericht NovaCap Agricola B.V. (hierna: Agricola), NovaCap Floralis Termijnfonds Beheer B.V. (hierna: de Beheerder) en Stichting Bewaarder NovaCap Floralis Termijnfonds (hierna: de Bewaarder).

2.3.2. In mei 2003 heeft de Beheerder een informatiememorandum (hierna: het prospectus) uitgebracht, getiteld “NovaCap Floralis Termijnfonds 2004”, dat, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

1. Inleiding

Het NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna ook te noemen ‘het Fonds’) is een Commanditaire Vennootschap die zal beleggen in vorderingen uit termijntransacties. Het Fonds (…) heeft een looptijd van 19 maanden. (…)

Het Fonds heeft een omvang van circa Euro 80 miljoen en heeft als doelstelling om, bij een aanvaardbaar risico, het vermogen van het Fonds voor de participanten te beheren en een zo aantrekkelijk mogelijk resultaat voor de participanten te realiseren.

Om de doelstelling van het Fonds te realiseren zal het Fonds namens de participanten beleggen in vorderingen die ontstaan uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen en met het resultaat van deze transacties het fondsvermogen doen groeien. Het behaalde resultaat zal op een van te voren bepaald tijdstip aan participanten worden uitgekeerd in de vorm van een al dan niet tussentijdse winstuitkering en een liquidatie-uitkering aan het einde van de looptijd van het Fonds.

Het Fonds zal beleggen in vorderingen die ontstaan uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen en neemt deze vorderingen over (…) van NovaCap Agricola B.V. (…). Agricola zal het door het Fonds ter beschikking gestelde vermogen, na aftrek van kosten, besteden aan de aankoop van termijnvorderingen waarna de vorderingen worden overgenomen door het Fonds.

(…)

4. Juridische structuur

(…)

De aankooptransacties en de levering alsmede de verkooptransacties vinden plaats in de periode mei tot en met september 2003. De leveringen en de afrekeningen met de kopers vinden plaats in de maanden september tot en met november van 2004. De termijntransacties hebben derhalve een duur van maximaal 18 maanden. In verband met een betalingstermijn van 1 maand heeft de belegging in het Fonds zodoende een looptijd van 19 maanden.

2.3.3. Op 23 juni 2003 is NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: het Fonds) opgericht. Beherend vennoot was de Beheerder.

2.3.4. Zelfstandig bevoegde bestuurders van Agricola en de Beheerder waren NovaCap Holding B.V. (hierna: NovaCap Holding) en [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1]). NovaCap Holding en [rechtspersoon 1] hielden respectievelijk 66,6% en 33,4% van de aandelen Agricola.

2.3.5. Enig bestuurder van NovaCap Holding was [rechtspersoon 2]. Enig bestuurder van die vennootschap was [B]. Enig bestuurder van [rechtspersoon 1] was [C].

2.3.6. Bestuurders van de Bewaarder waren [T] en [U].

SBC en Stichting SBC

2.4.1. Stichting SBC heeft op 31 oktober 2003 van partijen met een negatieve positie een bepaald totaalbedrag ontvangen. Stichting SBC heeft twaalf dagen later aan bepaalde partijen met een positieve positie een bepaald totaalbedrag betaald. Daarbij waren ook partijen met een positieve positie wier kopers op 31 oktober 2003 niet hadden betaald. Andere partijen met een positieve positie, onder wie een of meer van HBM c.s., wier kopers wel hadden betaald zijn door Stichting SBC niet betaald.

2.4.2. Op 3 december 2003 zijn SBC en Stichting SBC in staat van faillissement verklaard.

NovaCap-entiteiten versus onder anderen HBM c.s.

2.5.1. Na 31 oktober 2003 hebben partijen die volgens de administratie van SBC van Agricola hadden gekocht ontkend koopovereenkomsten met Agricola te zijn aangegaan. Tot die partijen behoorden een of meer van HBM c.s.

2.5.2. Eind 2003, begin 2004, hebben de NovaCap-entiteiten na daartoe verkregen verlof een groot aantal conservatoire beslagen gelegd ten laste van onder anderen HBM c.s. en hebben zij procedures tegen onder anderen HBM c.s. aanhangig gemaakt.

NovaCap-entiteiten

2.6.1. Per 1 februari 2005 is [rechtspersoon 1] als bestuurder van Agricola en de Beheerder vervangen door [V] (hierna: [V]).

2.6.2. Op 20 juli 2005 is NovaCap Holding afgetreden als bestuurder van de Beheerder.

HBM versus Agricola

2.7.1. Op 1 augustus 2005 en 3 augustus 2005 heeft HBM verlof gekregen tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van Agricola.

2.7.2. Vervolgens heeft HBM een aantal conservatoire beslagen ten laste van Agricola gelegd.

2.7.3. Agricola heeft, na daartoe door HBM te zijn gemaand, de door HBM in beslag genomen bloembollen in oktober 2005 doen opplanten door een aantal telers.

NovaCap-entiteiten

2.8. Op 8 december 2005 is Praktijkvennootschap [W] B.V. (hierna: [W]) aangetreden als bestuurder van de Beheerder.

HBM versus Agricola

2.9.1. Op 17 februari 2006 heeft HBM (opnieuw) verlof gekregen tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van Agricola.

2.9.2. Vervolgens heeft HBM (opnieuw) een aantal conservatoire beslagen ten laste van Agricola gelegd.

2.9.3. Het verzoekschrift en de processen-verbaal van beslaglegging zijn op 21 februari 2006 aan Agricola betekend.

HBM c.s. versus NovaCap-entiteiten

2.10.1. Op 21 april 2006 en 19 mei 2006 hebben HBM c.s. verlof gekregen tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van de NovaCap-entiteiten.

2.10.2. Vervolgens hebben HBM c.s. een aantal conservatoire beslagen ten laste van de NovaCap-entiteiten gelegd.

2.10.3. De verzoekschriften en de processen-verbaal van beslaglegging zijn aan de NovaCap-entiteiten betekend.

Agricola – [D]

2.11.1. Op 16 juni 2006 zijn Agricola (“Verkoper”) en [D] (“Koper”) een schriftelijke overeenkomst met elkaar aangegaan, die, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

OVERWEGINGEN:

? Een specificatie van de bollenkraam, die thans eigendom is van Verkoper, is aan deze overeenkomst gehecht als bijlage 1 (hierna: de “Bollenkraam”). Uit deze bijlage blijkt dat in totaal 25.906,1 RR² is opgeplant. (…)

? De verzorging van de Bollenkraam is door Verkoper ondergebracht bij Next Generation B.V. te Waarland en v.o.f. NS Bloembollen te Zwaagdijk (hierna: de “Telers”).

? De gehele kraam is thans opgeplant bij de Telers: deze koop/verkoop betreft louter gewas te velde.

? De Bollenkraam is vrij van beslagen. (…)

Koper wenst de Bollenkraam te kopen van Verkoper en Verkoper wenst de Bollenkraam aan Koper onder de navolgende voorwaarden:

1. Prijs

1.1 De waarde van de totale Bollenkraam is door partijen bepaald op € 1.203.100.

1.2 Koper neemt de door Verkoper aan de Telers verschuldigde vergoeding van teeltkosten ad € 31 per RR² voor zijn rekening. Het totaal van deze verplichting beloopt € 803.100 exclusief btw. Daarnaast is Koper een som van € 400.000 exclusief btw verschuldigd of € 424.000 inclusief btw.

1.3 Bij wijze van voorschot is op 27 mei 2006 € 50.000 door Koper aan Verkoper voldaan. Per saldo resteert te betalen een bedrag van € 374.000.

(…)

3. Levering

3.1 Levering wordt geacht te zijn geschied zodra (i) deze overeenkomst door partijen is getekend en (ii) betaling conform het in artikel 5 bepaalde door of namens Verkoper is ontvangen en (iii) aan de in artikel 6 bedoelde opschortende voorwaarde is voldaan.

(…)

5. Betaling

5.1 Betaling van het in paragraaf 1.3 bedoelde resterend saldo van de Koopsom geschiedt door overschrijving van door de Stichting Bewaarder NovaCap Floralis Termijnfonds aan te wijzen rekening. (…)

6. Opschortende voorwaarde

6.1 Deze overeenkomst kan niet eerder tot stand komen dan nadat Verkoper van Telers een schriftelijke bevestiging heeft ontvangen dat Telers instemmen met deze overdracht en Verkoper overigens volledig is gekweten voor al zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen Verkoper en Teler bestaande verbruikleenovereenkomst.

6.2 Deze overeenkomst kan niet eerder tot stand komen dan nadat Verkoper van zijn raadsman de bevestiging heeft ontvangen dat de Bollen vrij zijn van enig beslag.

De overeenkomst is namens Agricola ondertekend door [V] en [B].

2.11.2. Agricola (vertegenwoordigd door [V]) en [D] hebben in een overeenkomst van 13 juli 2006 onder meer vastgelegd dat de prijs door hen is bepaald op EUR 300.000,00 voor aftrek van teeltkosten en dat de levering inmiddels is geschied.

2.11.3. Bij e-mailbericht van 30 oktober 2007 heeft [D] aan de curatoren in het faillissement van de NovaCap-entiteiten (zie ook hierna onder 2.12) over de betaling van de koopsom het volgende geschreven:

- aan OMNI Whittington Insolvers te Den Haag is op 24 mei 2006 EUR 50.000,00 betaald en aan Wecheld Techniques B.V. te Ridderkerk is op 26 juni 2006 EUR 374.000,00 betaald (in totaal EUR 424.000,00);

- aan Next Generation te Waarland is EUR 376.500,00 betaald, EUR 426.600,00 is verrekend met diverse onderlinge leveranties van bloembollen met NS Bloembollen B.V. te Zwaagdijk (in totaal EUR 803,100,00).

NovaCap-entiteiten

2.12. In november 2006 respectievelijk december 2006 zijn de NovaCap-entiteiten in staat van faillissement verklaard.

HBM versus Agricola

2.13. Bij vonnis van 28 maart 2007 van de rechtbank Den Haag is Agricola veroordeeld om aan HBM in hoofdsom te betalen EUR 381.916,72, wegens verschuldigde royalty’s over het teeltseizoen 2003-2004.

NovaCap-entiteiten versus HBM c.s.

2.14. Het proces-verbaal van de op 23 oktober 2007 bij deze rechtbank gehouden comparitie van partijen in de zaak tussen de curatoren van de NovaCap-entiteiten als eisers in conventie/verweerders in reconventie en HBM c.s. als gedaagden in conventie/eisers in reconventie luidt, voor zover hier van belang:

Partijen komen ter gedeeltelijke beslechting van hun geschil in conventie, gelet op de reeds eerdere mededeling van curatoren dat zij de vorderingen van NovaCap c.s. intrekken, het volgende overeen: curatoren erkennen op grond van hun berekening van het geliquideerde tarief en op grond van hun berekening van aan de zijde van HBM c.s. gevallen proceskosten dat NovaCap c.s. hoofdelijk verschuldigd zijn uit hoofde van proceskosten in conventie het bedrag van EUR 35.000,00; curatoren verklaren dat NovaCap c.s. dit bedrag verschuldigd zijn.

HBM c.s. versus NovaCap-vennootschappen

2.15. Bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2010 zijn Agricola, de Beheerder en het Fonds (“de NovaCap-vennootschappen”), buiten bezwaar van de faillissementsboedels, hoofdelijk veroordeeld om aan HBM c.s. in hoofdsom te betalen EUR 8 miljoen. Daartoe is, voor zover hier van belang, overwogen:

HBM c.s. hebben, mede gelet op het bepaalde in artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de door de NovaCap-vennootschappen gelegde beslagen schade hebben geleden tot in elk geval EUR 8.000.000,00. Voldoende toegelicht en onderbouwd – en overigens ook door de NovaCap-vennootschappen onweersproken – is dat de ten laste van HBM c.s. gelegde beslagen op vrijwel al hun activa hun bedrijfsvoering in elk geval een tijdlang zo al niet onmogelijk dan toch zeer problematisch hebben gemaakt. Voldoende toegelicht en onderbouwd is verder dat HBM c.s. daardoor schade hebben geleden, deels onmiddellijk, deels (in het bijzonder in de vorm van gederfde winst) op termijn (en dan gedurende een reeks van jaren). Voldoende toegelicht en onderbouwd is ten slotte dat het daarbij gaat om in elk geval het zo-even vermelde bedrag. Bij dit alles wordt tevens in ogenschouw genomen dat het bedrijf van HBM c.s. het grootste bloembollenteeltbedrijf van Nederland is en dat de door de NovaCap-vennootschappen ten laste van de overige marktpartijen gelegde beslagen vrijwel de gehele markt, en daarmee de bron van inkomsten van HBM c.s., hebben platgelegd.

NovaCap-entiteiten

2.16. Op 12 juni 2007 zijn NovaCap Holding en [V] afgetreden als bestuurder van Agricola en zijn [W] en [V] afgetreden als bestuurder van de Beheerder.

3. Het geschil in de hoofdzaak in conventie

3.1.1. HBM c.s. vorderen bij dagvaarding dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

(i) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan HBM c.s. van EUR 8 miljoen, te vermeerderen met de daarover vanaf 1 januari 2004 tot de dag van algehele voldoening verschuldigde wettelijke rente;

(ii) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan HBM c.s. van geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de daarover vanaf 1 januari 2004 tot de dag van algehele voldoening verschuldigde wettelijke rente, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iii) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3.1.2. HBM c.s. vorderen na wijzigingen van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

(i) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan HBM c.s. van EUR 8 miljoen, te vermeerderen met de daarover vanaf 1 januari 2004 tot de dag van algehele voldoening verschuldigde wettelijke rente, althans ieder van [B], [C], [D] en [E] veroordeelt, zoveel als mogelijk hoofdelijk, tot voldoening aan HBM c.s. van het bedrag dat de rechtbank in goede justitie per gedaagde bepaalt, steeds te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 januari 2004, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

(ii) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan HBM c.s. van geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de daarover vanaf 1 januari 2004 tot de dag van algehele voldoening verschuldigde wettelijke rente, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iii) [B], [C], [D] en [E] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3.2. HBM c.s. leggen hieraan ten grondslag dat [B], [C], [D] en [E] op diverse wijzen, ook in groepsverband met elkaar en/of met onder anderen [R] en [S], onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. HBM c.s. hebben daardoor, zo stellen zij, schade geleden. Voor wat de schade betreft, merken HBM c.s. op, dat zij het (mede met het oog op de waarschijnlijke draagkracht van [B], [C], [D] en [E]) begrijpelijk zouden vinden als een veroordeling beperkt blijft tot EUR 2 miljoen en voor het overige wordt verwezen naar de schadestaatprocedure.

3.3. [B], [C] en [D] voeren verweer. [E] is niet verschenen.

3.4. Op de stellingen en verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

4. Het geschil in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie

4.1. [B] vordert, onder de voorwaarde dat HBM c.s. in conventie niet-ontvankelijk worden verklaard of alle vorderingen van HBM c.s. in conventie worden afgewezen, dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(i) voor recht verklaart dat HBM c.s. aansprakelijk zijn jegens [B] voor de schade welke [B] lijdt als gevolg van de nodeloos aan zijn zijde gemaakte (proces)kosten, waaronder mede begrepen de kosten aan rechtsbijstand, zulks ten behoeve van zijn verweer in deze procedure en dat HBM c.s. dientengevolge gehouden zijn deze kosten als schade aan [B] te vergoeden;

(ii) HBM c.s. veroordeelt tot vergoeding aan [B] van de door [B] geleden schade, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen bij wet;

(iii) HBM c.s. veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten ten belope van EUR 131,00 zonder betekening dan wel EUR 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2. [B] legt hieraan ten grondslag dat HBM c.s. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door in conventie kansloze vorderingen tegen hem in te stellen en in dat verband bovendien te procederen op een wijze die hem op onnodig hoge (proces)kosten heeft gejaagd.

4.3. HBM c.s. voeren verweer.

4.4. Op de stellingen en verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. De beoordeling in de hoofdzaak in conventie

5.1. HBM c.s. baseren hun vorderingen op, wat zijzelf noemen, een scala aan gedragingen van [B], [C], [D] en [E]. De rechtbank zal deze gestelde gedragingen behandelen aan de hand van de volgende onderdelen: (i) gedragingen vóór 31 oktober 2003 (de valutadatum van dat jaar), (ii) gedragingen ná 31 oktober 2003, met uitzondering van onttrekkingen van goederen aan beslag en (iii) onttrekkingen van goederen aan beslag. De rechtbank merkt daarbij op dat [D] en [E] alleen een rol spelen in onderdeel (iii) en dat [C] - volgens HBM c.s. zelf - in dat onderdeel juist geen rol speelt.

5.2. De rechtbank merkt alvast op dat zij, voor wat [E] betreft, de eiswijzigingen buiten beschouwing laat, gelet op het bepaalde in artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de mededeling van HBM c.s. dat zij de eiswijzigingen niet bij exploot aan [E] kenbaar hebben gemaakt.

5.3. De rechtbank merkt voorts alvast op dat [B] en [C], als indirect bestuurders van Agricola en de Beheerder, niet met die vennootschappen kunnen worden vereenzelvigd. Voor de aansprakelijkheid van bestuurders gelden andere, strengere criteria dan voor de aansprakelijkheid van vennootschappen. De voor de bestuurder geldende criteria komen er volgens vaste jurisprudentie op neer dat hem of haar een ernstig persoonlijk verwijt moet treffen. HBM c.s. stappen over dit vereiste regelmatig al te gemakkelijk heen.

5.4. De rechtbank merkt ten slotte alvast op dat, wil er sprake zijn van een groep in de zin van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW), meer nodig is dan twee personen die met elkaar samenwerken of anderszins met elkaar in verband kunnen worden gebracht. HBM c.s. miskennen dit consequent.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – inleiding

5.5. HBM c.s. nemen tot uitgangspunt dat het SBC-systeem, met al zijn ingebouwde voorwaarden en voorzieningen, op zichzelf garant stond voor een vlekkeloze afwikkeling van de diverse transacties. Voorwaarde was wel dat SBC en Stichting SBC hun eigen regels in acht namen. In het bijzonder was van belang dat de rechten en verplichtingen van de contracterende partijen consequent en deugdelijk werden geadministreerd. Die partijen, waaronder HBM c.s., vertrouwden daarop en mochten daarop vertrouwen. Zij waren voor wat de financiële afwikkeling van hun transacties betreft volledig afhankelijk van het naar behoren functioneren van SBC en Stichting SBC. Die afhankelijkheid manifesteert zich eens te meer bij partijen, als HBM c.s., die voor hun inkomen zijn aangewezen op die transacties, aldus HBM c.s.

De stellingen van HBM c.s. komen erop neer dat [B] en [C] als bestuurders van Agricola en de Beheerder, en als feitelijke bestuurders (naast [R] en [S]) van SBC, geen, althans onvoldoende rekening hebben gehouden met het gerechtvaardigde belang van (onder anderen) HBM c.s. bij een naar behoren functionerende bloembollenmarkt en, in het bijzonder, een naar behoren functionerend SBC-systeem. Integendeel, [B] en [C] hebben zich ingelaten met activiteiten die, naar zij wisten of behoorden te weten, voor de marktpartijen, als HBM c.s., alleen maar nadelige consequenties konden hebben.

5.6. HBM c.s. baseren hun stellingen betreffende de periode vóór 31 oktober 2003 voor een groot deel op bouwstenen die zij, naar zijzelf stellen, ná die datum hebben verzameld.

De rechtbank maakt hierbij aanstonds de kanttekening dat – waar een vooropgezet plan van [B] en [C] om HBM c.s. schade te berokkenen niet is gesteld of gebleken – de afzonderlijke gedragingen die [B] en [C] worden verweten steeds beoordeeld moeten worden in het licht van de omstandigheden ten tijde van hun (gestelde) handelen.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – het ruïneren van de bloembollenmarkt

5.7. HBM c.s. stellen in de eerste plaats dat [B] en [C] door het opzetten van de structuur voor het Fonds en het vervolgens met tientallen miljoenen euro’s betreden van de onderhavige termijnmarkt, die een omzet had van jaarlijks EUR 80 à 100 miljoen, de bloembollenmarkt hebben geruïneerd. Dit terwijl zij wisten, althans behoorden te weten, van de hiervoor, onder 5.5, vermelde afhankelijkheid van HBM c.s.

Naar het oordeel van de rechtbank lichten HBM c.s. deze stelling, tegenover het gemotiveerd verweer van [B] en [C], niet voldoende toe. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Beleggers als het Fonds (en zijn beheerder) zijn in beginsel vrij in de keuze van hun structuur en hun beleggingsobjecten. Het staat ieder vrij op zijn manier deel te nemen aan de markt voor een bepaald goed, een en ander binnen de grenzen van het recht. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de komst van een kapitaalkrachtige belegger, in het onderhavige geval het Fonds, een bepaalde markt, in het onderhavige geval de bloembollenmarkt, zou kunnen ruïneren. Ook niet wanneer daarbij de omvang van het Fondsvermogen en het risico op prijsstijgingen op deze specifieke markt met in beginsel een gelijkblijvende hoeveelheid bloembollen in aanmerking worden genomen. Die markt draait immers om de teelt van en de handel in bloembollen. Van een extra koper (die vervolgens een extra verkoper wordt) heeft die markt in beginsel niets te duchten, zolang deze zijn (financiële) verplichtingen nakomt. En daarvoor stond – zoals HBM c.s. zelf, zoals gezegd, tot uitgangspunt nemen – het SBC-systeem garant. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de enkele komst van het Fonds dat SBC-systeem zou (kunnen) ontwrichten, ook niet wanneer daarbij de omvang van zijn vermogen en het risico op prijsstijgingen in aanmerking worden genomen.

Het voorgaande betekent dat de enkele omstandigheid dat het voorzienbare effect van het toetreden van een nieuwe partij met veel vermogen op deze specifieke markt – ook gezien de manier waarop de al op die markt aanwezige partijen naar verwachting op die toetreding zullen reageren – is dat de bloembollenprijs zal stijgen, niet maakt dat het toetreden van de bloembollenmarkt door het Fonds een overtreding van een zorgvuldigheidsnorm tegenover de andere partijen op die markt is.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – het verrichten van ongedekte en onverzekerde aankopen

5.8. HBM c.s. stellen vervolgens dat [B] en [C] in strijd met de SBC-voorwaarden vanaf maart 2003 ten behoeve van het Fonds ongedekte en onverzekerde aankopen hebben laten verrichten door een anti-frontrunner, te weten [X](die handelde onder de naam [handelsnaam X]). Volgens HBM c.s. wisten [B] en [C], althans behoorden [B] en [C] te weten, dat het Fonds (nog) geen gelden had om dergelijke aankopen te voldoen. HBM c.s. onderstrepen opnieuw het belang van de naleving van de SBC-voorwaarden.

[B] en [C] voeren hiertegen in de eerste plaats aan dat het initiatief tot het inschakelen van een anti-frontrunner, die ten behoeve van het Fonds in oprichting aankopen deed, niet van hen, maar van [R] van SBC kwam. Wat hiervan zij, de rechtbank overweegt, in aansluiting ook op hetgeen hiervoor onder 5.7 is overwogen, dat voor een kapitaalkrachtige belegger als het Fonds een reëel risico is dat zijn enkele betreden van een bepaalde markt leidt tot prijsstijgingen op die markt. In dit verband is het inschakelen van een anti-frontrunner aanvaardbaar, ook wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat de betrokkene, in dit geval [X], zelf niet over het benodigde kapitaal beschikt. [X] handelde immers, zoals HBM c.s. zelf stellen, voor rekening en risico van Agricola (die nu juist wel over een aanzienlijk kapitaal zou gaan beschikken). Dat tegenover de aankopen door [X]/[handelsnaam X] aanvankelijk nog geen verkopen stonden, kan voorts niet als een onrechtmatige gedraging jegens HBM c.s. worden aangemerkt. Wat er zij van de verplichting uit het prospectus dat iedere aankoop direct moest worden gedekt door een verkoop op termijn, op die verplichting kunnen HBM c.s. geen beroep doen nu zij immers geen deelnemer waren in of anderszins gelieerd waren aan het Fonds. Verder geldt ook hier dat uiteindelijk het SBC-systeem zijn waarde zou (moeten) bewijzen. Opmerking verdient nog dat HBM c.s. zelf stellen (dagvaarding, nummer 26) dat zij zelf nimmer bloembollen hebben verkocht aan (of gekocht van) het Fonds of een voor rekening en risico van het Fonds optredende partij.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – de overcommitment

5.9. HBM c.s. stellen voorts dat [B] en [C] namens Agricola ruim méér verplichtingen zijn aangegaan dan het totale Fondsvermogen toeliet, onder meer door het bruto besteedbare fondsvermogen aan te wenden als netto besteedbaar fondsvermogen. Hierdoor kon het Fonds zijn verplichtingen jegens SBC en Stichting SBC niet nakomen en konden SBC en Stichting SBC vervolgens hun verplichtingen jegens HBM c.s. niet nakomen. Ook kon het Fonds zijn rechtstreekse verplichtingen jegens HBM c.s., de verschuldigde royalty’s over door HBM c.s. geteelde bloembollen, niet nakomen.

De rechtbank overweegt dat andermaal geldt dat het SBC-systeem zijn waarde zou (moeten) bewijzen. Daarnaast weerleggen HBM c.s. niet, althans niet voldoende gemotiveerd, het verweer van [B] en [C] dat een groot deel van de gestelde overcommitment (geoorloofde) “resttransacties” betreft, dat wil zeggen transacties om te voorkomen dat een deel van het vermogen van het Fonds onbelegd zou blijven doordat verkopers niet de overeengekomen hoeveelheid bollen konden leveren.

Met betrekking tot de royalty’s geldt – indien en voor zover deze niet via SBC en Stichting SBC zijn voldaan – dat niet voldoende is gesteld of gebleken dat [B] en [C] ten tijde van het aangaan van de desbetreffende transacties wisten of behoorden te weten dat Agricola, respectievelijk het Fonds, de royaltyverplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden.

Opmerking verdient ook hier nog dat HBM c.s. zelf stellen (dagvaarding, nummer 26) dat zij zelf nimmer bloembollen hebben verkocht aan (of gekocht van) het Fonds of een voor rekening en risico van het Fonds optredende partij.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – het leeghalen van Agricola

5.10. HBM c.s. stellen vervolgens dat [B] en [C] Agricola leeghaalden door het uitkeren van interim-dividend terwijl er geen sprake was van enige vrije reserve en dat HBM c.s. als schuldeisers van Agricola daardoor niet betaald hebben gekregen.

De rechtbank overweegt dat HBM c.s. vaag zijn over het moment waarop die uitkeringen zouden hebben plaatsgevonden en de hoogte daarvan. HBM c.s. maken aldus niet (voldoende) duidelijk dat [B] en [C], wetende of behorende te weten dat de schuldeisers van Agricola daardoor zouden worden benadeeld, de bedoelde uitkeringen hebben doen of laten plaatsvinden. Daar komt bij dat [B] en [C] onweersproken hebben aangevoerd dat de dividenduitkeringen door Agricola aan NovaCap Holding en [rechtspersoon 1] later zijn teruggedraaid, zodat niet kan worden volgehouden dat de schuldeisers van Agricola door de dividenduitkeringen in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – de fraude

5.11. HBM c.s. stellen voorts dat [B] en [C] zich hebben gedragen als feitelijke bestuurders van SBC, in het bijzonder ook om hun fouten als bestuurders van Agricola en de Beheerder te verdoezelen. Fouten die bijvoorbeeld bestonden uit het niet behoorlijk naleven van de in het prospectus opgenomen verplichtingen van Agricola en de Beheerder, zoals het slechts aangaan van gedekte aankopen (dat wil zeggen aankopen waartegenover verkopen tot minimaal hetzelfde bedrag stonden). HBM c.s. stellen in dit verband dat [B] en [C] actief en instrumenteel betrokken waren bij het saboteren en buiten werking stellen van de geautomatiseerde beveiligingen in de administratie van SBC. [B] en [C] waren ook betrokken bij het opmaken van valse koopbriefjes. Hierdoor werden niet-bestaande transacties op naam van een of meer van HBM c.s. gezet en kregen HBM c.s. de koopsommen waar zij recht op hadden niet betaald door Stichting SBC. Op grond van deze valse koopbriefjes zijn HBM c.s. – en dit was voor [B] en [C] voorzienbaar – ook besprongen door partijen, als het Fonds, die beweerden aan een of meer van HBM c.s. te hebben verkocht en hebben HBM c.s. zeer aanzienlijke kosten moeten maken voor hun verweer en onderzoek.

De rechtbank overweegt als volgt. Aan HBM c.s. kan worden toegegeven dat uit de processtukken blijkt van een intensieve samenwerking tussen met name [B] en [R]. Dat is in het licht van hun respectieve taak en verantwoordelijkheden echter niet onlogisch. Zij waren, ieder vanuit zijn eigen invalshoek, op elkaar aangewezen. Onmiskenbaar is er bij SBC in 2003 het een en ander misgegaan, waarbij in het bijzonder het loslaten van de een-op-een relatie kan worden genoemd. Niet, althans niet voldoende, gesteld of gebleken is echter dat [B], laat staan [C], daarbij de door HBM c.s. geschetste overheersende rol heeft gespeeld. Veeleer is [R], bestuurder van SBC met specifieke kennis en ervaring die [B] miste, zijn eigen gang gegaan en, naar het de rechtbank voorkomt, op enig moment de weg kwijtgeraakt. HBM c.s. menen aanwijzingen te hebben dat, naast [R], met name [B] een bedenkelijke rol heeft gespeeld, maar komen uiteindelijk – mede in het licht van het gemotiveerde verweer van [B] en [C] – niet veel verder dan suggesties. Aan de door HBM c.s. als productie 20 in het geding gebrachte verklaring van [R] (die erop neerkomt dat [B] hem rond 31 oktober 2003 heeft opgedragen een partij bloembollen van Agricola op naam van HBM c.s. te zetten) kan in dit verband geen, althans niet de door HBM c.s. bepleite, betekenis worden toegekend. [B] voert immers onweersproken aan dat [R] die verklaring vervolgens zonder meer heeft ingetrokken.

Gedragingen vóór 31 oktober 2003 – het nalaten HBM c.s. te waarschuwen

5.12. Op hetgeen hiervoor onder 5.11 is overwogen, strandt ook de stelling van HBM c.s. dat [B] en [C] ten onrechte hebben nagelaten HBM c.s. te waarschuwen voor de gevolgen van het saboteren van de SBC-administratie en het schenden van het SBC-reglement. Net zo min als uit de stellingen van HBM c.s. kan worden afgeleid dat [B] en [C] een overheersende rol hebben gespeeld in het loslaten van de een-op-een relatie door SBC, bieden die stellingen, in het licht van het daartegen gevoerde verweer, voldoende grondslag voor de gevolgtrekkingen dat [B] en [C] op de hoogte zijn geweest van het loslaten van de een-op-een relatie door SBC en dat zij hebben ingezien dat dit schadelijke gevolgen zou hebben voor HBM c.s. In dit verband is mede van belang dat Agricola en (de Beheerder van) het Fonds enerzijds en HBM c.s. anderzijds geen rechtstreekse relatie met elkaar hadden.

Gedragingen ná 31 oktober 2003 – het leggen van onrechtmatige beslagen

5.13. HBM c.s. stellen dat [B] en [C], terwijl zij als geen ander wisten dat de onderliggende vorderingen van de NovaCap-entiteiten op hen niet bestonden, onrechtmatig conservatoire beslagen ten laste van hen hebben gelegd en gehandhaafd. HBM c.s. hebben, zo stellen zij, door deze beslagen schade geleden en hebben zich onder meer genoodzaakt gezien gronden te verkopen.

Naar het oordeel van de rechtbank dichten HBM c.s. [B] en [C] meer zekerheid toe dan zij destijds hadden. De situatie na 31 oktober 2003 was onoverzichtelijk. Het Fonds was zijn financiële verplichtingen nagekomen, maar zag zich in zijn (toekomstige) inkomsten bedreigd. [B] en [C] dienden als bestuurders op te komen voor de belangen van het Fonds (en zijn participanten). De administratie van SBC wees onder meer in de richting van HBM c.s. De beslissing om conservatoire beslagen ten laste van HBM c.s. te leggen teneinde verhaalsmogelijkheden zeker te stellen, kan [B] en [C] dan ook niet persoonlijk worden verweten.

Gedragingen ná 31 oktober 2003 – het onrechtmatig entameren van procedures

5.14. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.13 is overwogen, kan evenmin worden geoordeeld dat [B] en [C] persoonlijk kan worden verweten dat procedures tegen HBM c.s. zijn geëntameerd. [B] en [C] hadden daarvoor destijds voldoende reden. De omstandigheid dat die procedures niet tot het door hen beoogde resultaat hebben geleid doet daaraan niet af. Slechts bij hoge uitzondering kan op grond van bijzondere feiten of omstandigheden worden vastgesteld dat een partij een andere partij onrechtmatig in rechte heeft betrokken. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden zijn niet, althans niet voldoende gesteld.

Groepsaansprakelijkheid

5.15. Uit het voorgaande volgt dat ook de stelling van HBM c.s. dat [B] en [C] als groep onrechtmatig jegens HBM c.s. hebben gehandeld niet kan slagen.

Onttrekkingen van goederen aan beslag

5.16. HBM c.s. stellen dat [B], [D] en [E] goederen aan beslag hebben onttrokken.

5.17. Voor wat [E] betreft, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen. De naam [E] komt, voor zover de rechtbank kan nagaan, alleen voor in het door HBM c.s. als productie 32 in het geding gebrachte beslagexploot van 3 augustus 2005. De door HIS, HBM Beheer, HBM Holding en [A] tegen [E] ingestelde vorderingen komen de rechtbank niet gegrond of rechtmatig voor nu het beslag alleen is gelegd door HBM. Hun vorderingen zullen dan ook bij eindvonnis worden afgewezen. HBM zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte toe te lichten en te onderbouwen hoeveel schade zij als gevolg van de gestelde onttrekking van goederen aan beslag door [E] heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat [B] en [D] bij deze onttrekking een rol hebben gespeeld.

5.18. Met betrekking tot [B] wordt het volgende overwogen.

De verwijten aan zijn adres spitsen zich toe op zijn rol rond de verkoop van een bollenkraam aan [D]. De desbetreffende bloembollen stonden toen te velde bij de telers NS Bloembollen en Next Generation. Van roerende-zakenbeslagen was aldus geen sprake. Bij NS Bloembollen was echter op 17 februari 2006 door HBM conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Agricola. De vordering van Agricola jegens NS Bloembollen tot afgifte van de te oogsten bloembollen aan haar was daarmee beslagen. Door de verkoop aan [D] zijn de rechten van HBM als beslaglegger geschonden. [B] kan daarvan een persoonlijk verwijt worden gemaakt. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de kwestie ‘beslag of geen beslag’ door onder anderen [B] uitdrukkelijk onder ogen is gezien, waarbij vooropstond dat de opbrengst aan de NovaCap-entiteiten ten goede diende te komen. Nu [B] wist dat de vordering van Agricola op NS Bloembollen onder het conservatoir derdenbeslag viel, hij die vordering niettemin aan [D] heeft verkocht en de opbrengst uit die verkoop niet viel onder enig door HBM ten laste van Agricola gelegd beslag, valt [B] een persoonlijk verwijt te maken van de onttrekking van de vordering op NS Bloembollen aan het beslag. Voor de schade is [B] jegens HBM aansprakelijk. Mede gelet op het bepaalde in artikel 6:97 BW begroot, althans schat, de rechtbank de schade op EUR 200.000,00. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bij NS Bloembollen en Next Generation ondergebrachte bloembollen gezamenlijk EUR 400.000,00 (EUR 1.203.100,00 minus EUR 803.100,00 teeltkosten) waard waren. Bij gebreke van aanknopingspunten voor een andere berekeningswijze gaat de rechtbank ervan uit dat de helft van de bollenkraam bij de teler NS Bloembollen te velde stond, zodat dit bedrag dient te worden gedeeld door twee. [B] zal worden veroordeeld aan HBM te voldoen EUR 200.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2006 (de datum van de verkoop aan [D]).

5.19. De jegens [D] ingestelde vorderingen dienen te worden afgewezen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Artikel 453a lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat een vervreemding van de zaak, tot stand gekomen nadat deze in beslag genomen is, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Lid 2 van die bepaling voegt daaraan toe dat rechten door een derde anders dan om niet verkregen, worden geëerbiedigd, mits de zaak in zijn handen is gekomen en hij toen te goeder trouw was. [D] heeft in elk geval anders dan om niet verkregen. Gesteld noch gebleken is dat de door haar betaalde prijs, die op zichzelf aanzienlijk is, geen reële was. In de considerans van de overeenkomst staat vermeld dat de bollenkraam vrij is van beslagen. Artikel 6.2 van de overeenkomst houdt niet het tegenovergestelde in. Het bevat slechts een voorbehoud aan de zijde van de verkoper. Op het daarop volgende groene licht van verkoper mocht [D] vertrouwen. De door HBM c.s. gestelde omstandigheid dat “iedereen” wist dat zij beslagen hadden gelegd, doet daaraan niet af. En ook de omstandigheid dat [D] aan derden diende te betalen is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat [D] wist of had moeten begrijpen dat de vordering van Agricola op NS Bloembollen beslagen was. Het gebeurt in de handel wel meer dat betaald moet worden aan een ander dan de contractuele wederpartij (aan een beheer- of zustervennootschap bijvoorbeeld). Next Generation en NS Bloembollen waren de in de overeenkomst vermelde telers aan wie de teeltkosten moesten worden voldaan.

Conclusies

5.20. [B] zal worden veroordeeld om aan HBM te betalen EUR 200.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2006. De overige jegens [B] ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen, net als de jegens [C] en [D] ingestelde vorderingen. De zaak tussen HBM c.s. en [E] zal worden verwezen naar de rol. Nu er, zoals is overwogen in 5.17 hiervoor, geen verband is tussen de verwijten die HBM c.s. aan [E] maken en de verwijten die zij aan [B], [C] en [D] maken, kunnen de beslissingen jegens [B], [C] en [D] reeds thans worden uitgesproken.

5.21. HBM c.s. zullen, als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan de zijde van [B], [C] en [D] gevallen kosten. Deze worden aan de zijde van ieder van hen begroot op EUR 6.422,00 (2 punten, tarief VIII) aan salaris advocaat en op EUR 1.188,00 ([B]), EUR 1.188,00 ([C]) respectievelijk EUR 4.951,00 ([D]) aan griffierecht.

6. De beoordeling in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie

Nu hiervoor is geoordeeld dat [B] zal worden veroordeeld tot betaling aan HBM van het bedrag van EUR 200.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2006, staat vast dat aan de voorwaarden waaronder [B] zijn vordering in reconventie heeft ingesteld niet is voldaan, zodat deze vordering verder onbesproken kan blijven. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen gronden aanwezig.

7. De verdere beoordeling in het incident

Bij het tussenvonnis van 16 februari 2011, waarbij [B] is vergund om mr. [H] te Groningen in vrijwaring op te roepen, is de beslissing omtrent de kosten aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. Gelet op de beslissingen in de hoofdzaak zullen de kosten van het incident worden gecompenseerd in dier voege dat ieder van partijen ([B] respectievelijk HBM c.s.) de eigen kosten draagt.

8. De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak in conventie tussen HBM c.s. en [B]:

- veroordeelt [B] tot betaling aan HBM van een bedrag van EUR 200.000,00 (tweehonderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2006 tot de algehele voldoening;

- veroordeelt HBM c.s. in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [B] begroot op EUR 7.610,00;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak in conventie tussen HBM c.s. en [C]:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt HBM c.s. in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [C] begroot op EUR 7.610,00;

in de hoofdzaak in conventie tussen HBM c.s. en [D]:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt HBM c.s. in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [D] begroot op EUR 11.373,00;

in de hoofdzaak in conventie tussen HBM c.s. en [E]:

- verwijst de zaak naar de rol van 13 juni 2012 opdat HBM c.s. een akte kunnen nemen als bedoeld in rechtsoverweging 5.17;

- houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie:

- verstaat dat het gevorderde geen behandeling behoeft;

in het incident:

- compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, mr. H.J. Fehmers en mr. M.R. Jöbsis en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.