Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX0934

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/451 WET, AWB 12/453 WET, AWB 12/455 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft bij besluiten klachten van passagiers over vermeende overtredingen van KLM van Verordening (EG) nr. 261/2004 gegrond verklaard, maar de verzoeken om naar aanleiding daarvan handhavend tegen KLM op te treden, afgewezen. Niet-ontvankelijkverklaring van het daartegen door KLM gemaakte bezwaar houdt in rechte stand. De bezwaren van KLM waren uitsluitend gericht tegen de gegrondverklaringen van de klachten (en niet tegen de weigering om handhavend tegen KLM op te treden). De gegrondverklaringen van de klachten zijn geen zelfstandige appellabele besluiten en kunnen niet worden gezien als onderdeel of van fase van een handhavingstraject. Dat KLM mogelijk een belang heeft bij het maken van bezwaar tegen de gegrondverklaringen van de klachten, leidt onder die omstandigheden niet tot de conclusie dat haar bezwaar toch ontvankelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/451 WET, AWB 12/453 WET, AWB 12/455 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigden mrs. P.J.F. Huizing en P.V. Eijsvoogel,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder,

gemachtigden mrs. A. Maeradji en G.H.H. Bisschoff

Procesverloop

Op 16 september 2010, 22 september 2010 en 18 november 2010 heeft verweerder (onder meer) klachten van passagiers betreffende vermeende overtredingen van eiseres van artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 261/2004 (Verordening) gegrond verklaard, maar de verzoeken om naar aanleiding daarvan handhavend tegen eiseres op te treden, afgewezen.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 16 december 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar artikel 7, eerste lid, van de Verordening heeft overtreden, zodat de klachten van de passagiers gegrond zijn, maar dat de verzoeken om naar aanleiding daarvan handhavend tegen eiseres op te treden, moeten worden afgewezen, omdat de vluchten waar de klachten betrekking op hebben, zijn uitgevoerd vóór het zogenoemde Sturgeon-arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2009 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BK4714).

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de inzet van eiseres van deze bezwaarprocedures niet is gelegen in het bestrijden van de gegrondverklaringen van de klachten en de weigering om handhavend op te treden als zodanig, maar in het bestrijden van bepaalde aspecten van de motivering van de weigering om handhavend op te treden. Volgens verweerder kunnen de gegrondverklaringen van de klachten slechts als onderdeel van de motivering van die weigering worden beschouwd. Bij het wijzigen van die motivering heeft eiseres volgens verweerder geen procesbelang.

3. Eiseres heeft zich in beroep uiteindelijk op het standpunt gesteld dat haar bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eiseres heeft in dit verband gesteld dat haar procesbelang is gelegen in de omstandigheid dat zij reputatieschade lijdt door de gegrondverklaringen van de klachten. Daarbij zijn die gegrondverklaringen, waarin de verwerping van buitengewone omstandighedenverweren besloten liggen, relevant voor de uitkomst van de civiele procedures, die de betreffende (klagende) passagiers in deze zaken aanhangig hebben gemaakt of nog kunnen maken. Als eiseres niet tegen de gegrondverklaringen bezwaar zou maken, zou de civiele rechter die als bindende oordelen kunnen aanmerken bij de beoordeling van de schadevergoedingverzoeken.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de bezwaren van eiseres niet waren gericht tegen de weigeringen van verweerder om in de voorliggende gevallen handhavend tegen haar op te treden. De bezwaren waren uitsluitend gericht tegen de gegrondverklaringen van de klachten van de passagiers. De gegrondverklaringen van de klachten vormen evenwel geen zelfstandige appellabele besluiten. Er worden daarmee - anders dan bijvoorbeeld bij besluiten tot handhavend optreden - immers geen rechtsgevolgen in het leven geroepen of beoogd door verweerder. Nu in de voorliggende gevallen is geweigerd om handhavend op te treden, kunnen de gegrondverklaringen van de klachten ook niet kunnen worden gezien als onderdeel of fase van een traject tot handhavend optreden jegens eiseres. Of eiseres een belang heeft bij het maken van bezwaar tegen de gegrondverklaringen van de klachten kan onder die omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat de door haar gemaakte bezwaren desalniettemin ontvankelijk zijn.

4.2. Gezien het voorgaande heeft verweerder de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal de beroepen dan ook ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van

M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB