Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX0915

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
AWB 09/4603 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het UWV dient na een strafontslag zelfstandig te toetsen of sprake is van een dringende reden en verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4603 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.M. van der Lee,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Kniesmeijer.

Tevens heeft als belanghebbende aan het geding deelgenomen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

Dienst Stadstoezicht,

hierna: de werkgever

gemachtigde J. Schabracq.

Procesverloop

Op 28 december 2010 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak), welke in kopie aan deze uitspraak is gehecht. Wat in de tussenuitspraak is overwogen maakt deel uit van deze uitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om een nader gemotiveerd standpunt in te nemen over de dringende reden van het ontslag van eiser en dit standpunt aan eiser en de werkgever te sturen. Bij brieven van 7 april 2011 en 14 april 2011 heeft de rechtbank van verweerder een nadere motivering ontvangen over de dringende reden van het ontslag. Eiser heeft hierop bij brief van 9 juni 2011 gereageerd. Na heropening van het onderzoek bij beslissing van 18 oktober 2011 heeft de werkgever zijn reactie gegeven op de stukken van verweerder en eiser.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 17 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Zowel verweerder als de werkgever hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1.1. Centraal in deze zaak staat het incident dat heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2008. Dit incident was voor de werkgever aanleiding om eiser strafontslag aan te zeggen. Het beroep tegen dit strafontslag is door deze rechtbank en laatstelijk op 12 januari 2012 door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ongegrond verklaard (zie LJN: BV1336).

1.2. Aan de orde is thans de vraag of eiser door dit strafontslag verwijtbaat werkloos is geworden of dat de gang van zaken rond het incident op 24 oktober 2008 niet, of althans niet in overwegende mate, aan eiser kan worden verweten.

Juridisch kader

2.1. In de tussenuitspraak is reeds verwezen naar de reeks van uitspraken van de CRvB van 18 februari 2009, waarin een toetsingskader is gegeven in zaken waarin een dringende reden voor ontslag speelt. Daarbij heeft de CRvB overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, de wijze waarop het dienstverband is geëindigd niet doorslaggevend is. Het strafontslag in het geval van eiser is daarmee wel een indicatie voor de aanwezigheid van een dringende reden, maar niet doorslaggevend.

2.2. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW dient eveneens beoordeeld te worden of aan eiser ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

2.3. Daarnaast is van belang dat artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien het verwijtbaar werkloosheid worden van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW aan de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, verweerder de uitkering gedeeltelijk weigert door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Het nader onderzoek

3.1 Na de tussenuitspraak heeft verweerder de aan het strafontslag ten grondslag gelegde onderzoekresultaten bij de werkgever opgevraagd en overgelegd, waaronder het onderzoeksrapport dat de heer [A] in zijn hoedanigheid van integriteitmedewerker heeft opgesteld op 15 januari 2009. Daarnaast heeft verweerder contact opgenomen met mevrouw [B], de heer [C], de heer [A] en de heer [D]. Een afschrift van het telefonisch onderhoud met mevrouw [B] op 1 maart 2011 heeft verweerder bijgevoegd. Daarnaast heeft verweerder bijgevoegd een e-mailbericht van de heer [C] van 3 maart 2011 waarin hij antwoord geeft op de vragen van verweerder en een e-mailbericht van de heer [A] van 10 maart 2011 waarin hij aangeeft geen uitspraken meer te kunnen of te mogen doen namens zijn voormalig werkgever Stadstoezicht. Ten slotte heeft verweerder een e-mailbericht van de heer [D] bijgevoegd waarin hij reageert op de door verweerder gestelde vragen. Op grond van deze gegevens heeft verweerder bij brief van 7 april 2011 een nadere motivering gegeven van zijn bestreden besluit. Hij blijft ook na dit onderzoek bij zijn standpunt dat hij eisers aanvraag om een werkloosheidsuitkering terecht heeft afgewezen aangezien sprake was van een dringende reden, dat eiser die dringende reden verweten kan worden en eiser derhalve verwijtbaar werkeloos is geworden. De omstandigheden van eisers geval doen niet af aan deze conclusie, aldus verweerder.

Bij brief van 15 april 2011 heeft verweerder in aanvulling hierop nog een advies van 25 maart 2009 afkomstig van Hoofd Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam overgelegd, waarin in lijn met de onderzoeksbevindingen van de heer [A] wordt geadviseerd aan eiser een onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen. Hieruit blijkt volgens verweerder dat het onderzoek dat de heer [A] heeft verricht niet onzorgvuldig is geweest. De werkgever heeft zich bij deze conclusies van verweerder aangesloten.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder thans voldoende eigen onderzoek heeft verricht naar de vraag of het incident op 24 oktober 2008 een dringende reden opleverde voor het gegeven ontslag. Het is niet waarschijnlijk dat verder onderzoek - mede gelet op het tijdsverloop - meer helderheid zal verschaffen over zaken die onduidelijk zijn gebleven.

3.3. De rechtbank zal de omstandigheid dat de heer [A] mogelijk een dubbelrol heeft gespeeld - nu hij enerzijds bij het incident op 24 oktober 2008 betrokken was en anderzijds als integriteitsmedewerker het onderzoeksrapport van 15 januari 2009 heeft opgesteld - buiten beschouwing laten. Het is niet aannemelijk geworden dat de door verschillende betrokkenen overgelegde verklaringen in het onderzoeksrapport niet juist zijn weergegeven. Eiser is het niet eens met de manier waarop zijn eigen verklaring in het onderzoeksgesprek van 25 november 2008 is weergegeven, maar dat is duidelijk aangegeven in datzelfde onderzoeksrapport en de aantekeningen van zijn advocaat zijn daarin opgenomen.

3.4. Verweerders onderzoeksresultaten en de reacties hierop van eisers kant en van de kant van de werkgever tezamen geven een voldoende nauwkeurig beeld van het incident en de betrokkenheid van de verschillende partijen hierbij. De rechtbank gaat daarbij uit van het volgende: Eiser had op 24 oktober 2008 avonddienst van 13:45 uur tot 23:15 uur. Op de dienstlijst stond dat eiser samen met een collega met de auto met nummer 314 zijn dienst mocht uitvoeren. De auto met nummer 314 was niet beschikbaar en zou pas omstreeks 14:45 uur terugkeren (zie onderzoeksrapport van 15 januari 2009 en het hierin opgenomen verslag van de dagdienstcoördinator, de heer [E], van 14 november 2008). Eiser heeft toen zijn teamleider de heer [C] gevraagd of hij de auto mocht gebruiken die bestemd was voor de teamleiders. Dat was de auto met nummer 312. Dat heeft de heer [C] geweigerd omdat deze auto bestemd was voor de teamleiders en paraat diende te blijven voor het geval een teamleider zou moeten uitrukken (zie e-mail van de heer [C] van 3 maart 2011 en het onderzoeksrapport van 15 januari 2009). Vervolgens begon om 14:00 uur de dienst van mevrouw [B]. Eiser heeft haar dezelfde vraag gesteld. Ook zij weigerde eiser de auto van de teamleiders mee te geven. Mevrouw [B] gaf aan dat eiser en zijn collega op de scooter moesten gaan. Vervolgens is tussen eiser en mevrouw [B] een discussie ontstaan over het al dan niet gebruiken van de auto 312. Uiteindelijk heeft mevrouw [B] eiser meegedeeld dat zij het als werkweigering zou bestempelen wanneer eiser niet met de scooter zijn dienst zou draaien en dat hij dan maar naar huis moest gaan. Eiser is hierop naar buiten gegaan (zie verklaring van mevrouw [B] van 24 oktober 2008 in het onderzoekrapport van 15 januari 2009, die in zoverre niet afwijkt van wat eiser daarover ter zitting heeft verteld). Na een afkoelingsperiode van ongeveer een half uur heeft eiser zich eerst telefonisch gemeld bij de heer [E] en is vervolgens naar binnen gegaan. De heer [E] heeft daarover in voormeld verslag van 14 november 2008 verklaard dat eiser om ongeveer 14.45 naar de balie kwam en hem vroeg “of er nog een auto voor hem heb, want hij wou gewoon de straat opgaan.” Op dat ogenblik kwam, aldus de verklaring van de heer [E], de heer [F] binnen om de sleutel van auto 314 op te hangen. De heer [F] heeft daarbij gezegd dat hij van mevrouw [B] de sleutel niet aan eiser mocht geven.

3.5. Toen mevrouw [B] eiser vervolgens binnen aantrof, heeft zij niet zelf met hem gesproken, maar de heer [A] erbij geroepen. De heer [A] heeft eiser apart genomen met mevrouw [B] erbij. Hij heeft eiser gevraagd om het pand te verlaten. Eiser weigerde echter naar huis te gaan zonder een schriftelijke bevestiging dat hij geschorst was. De heer [A] en mevrouw [B] hebben dit geweigerd. Omdat eiser bleef volharden in zijn weigering heeft de heer [A] de politie ingeschakeld, die eiser uiteindelijk heeft aangehouden en heeft meegenomen (zie verklaring van de heer [E] van 14 november 2008).

Weging van de feiten

4.1. Naar aanleiding van onder 3.4 en 3.5 weergegeven omstandigheden overweegt de rechtbank het volgende. Allereerst bevestigt de rechtbank het standpunt van verweerder en de werkgever dat eiser zijn werk met de scooter had moeten uitvoeren op het moment dat duidelijk was dat de auto 314, waarop hij was ingeroosterd, niet beschikbaar was bij aanvang van zijn dienst. De vraag of eiser dat sowieso had moeten doen (ook als de auto wel beschikbaar was geweest) omdat de teamleider over dat soort zaken mag beslissen, kan daarom buiten beschouwing blijven. Ook volgt de rechtbank verweerder en de werkgever in hun stelling dat eiser – die naar zijn zeggen een discussie had willen voeren over het gebruik van dienstauto’s aangezien dat in de Ondernemingsraad aan de orde was geweest - deze discussie niet op dat moment had moeten voeren. De houding van eiser moet derhalve ook naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als werkweigering. Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser, waarbij niet alleen zijn leeftijd en lange dienstverband een rol speelt, maar ook het feit dat hij nog in de proeftijd van een eerder voorwaardelijk strafontslag liep.

4.2. Ter zitting is aan de orde gekomen dat indien eiser, nadat hij zich na de ‘afkoelingsperiode’ om ongeveer 14.45 uur bij de heer [E] gemeld had, gewoon op de scooter was gaan werken, het niet zo zou zijn gelopen. De rechtbank leidt hieruit af dat het strafontslag en alle gevolgen daarvan in dat geval, ook volgens de werkgever, mogelijk te vermijden was geweest. Van belang is echter dat eiser weliswaar ter zitting van 17 februari 2012 duidelijk heeft verklaard dat hij na die afkoelingsperiode bereid was om op de scooter te gaan werken, maar dat uit de verklaringen van anderen, meer in het bijzonder van de heer [E], niet blijkt dat hij dat toen ook met zoveel woorden heeft gezegd. Ook uit de verslagen van de verschillende gesprekken die eiser nadien heeft gevoerd wordt dit niet uit zijn mond opgetekend. Uit wat eiser daarover zelf heeft gezegd en uit het verslag van de heer [E] acht de rechtbank echter aannemelijk dat eiser, toen hij weer naar binnen kwam, bereid was om op de scooter te gaan werken. Daarbij speelt een rol dat hij nog in een proeftijd van voorwaardelijk strafontslag liep en dus waarschijnlijk ontslag zou volgen als hij naar huis zou gaan. Daarbij slaat de rechtbank tevens acht op de omstandigheid dat de heer [C] in zijn e-mail van 3 maart 2011 heeft verklaard dat hij weet hoe eiser kan reageren en dat volgens hem eiser na het uitrazen gewoon weer aan het werk zou zijn gegaan. Doordat op dat moment de auto 314 binnenkwam en deze toch niet voor eiser beschikbaar bleek is echter niet komen vast te staan dat eiser met zoveel woorden heeft gezegd dat hij ook wel op de scooter weg wilde.

4.3. Uit alle verklaringen in onderlinge samenhang bezien wordt echter eveneens duidelijk dat eiser ook niet de gelegenheid heeft gehad zijn bereidheid om op de scooter aan het werk te gaan kenbaar te maken. Ook volgens haar eigen verklaringen heeft mevrouw [B], toen zij eiser weer binnen zag, zonder zelf met eiser te praten de heer [A] gehaald. De beslissing om eiser naar huis te sturen en maandag verder te praten was toen door hen beiden reeds genomen. Vervolgens is de zaak verder geëscaleerd. De rechtbank is echter van oordeel dat de wijze waarop mevrouw [B] en de heer [A] hebben gehandeld toen eiser weer binnen bleek te zijn tot onnodige escalatie van het geschil heeft geleid. Hoewel auto 314 inmiddels weer beschikbaar was, had mevrouw [B] – zo hebben zowel eiser al de heer [E] verklaard – uitdrukkelijk verboden deze alsnog aan eiser mee te geven. Kennelijk hield mevrouw [B] er rekening mee dat eiser alsnog binnen zou komen om te gaan werken. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat een dergelijk verbod tot de bevoegdheid van mevrouw [B] behoorde, heeft het escalererend gewerkt. Ook acht de rechtbank mede door haar eigen verklaringen aannemelijk dat mevrouw [B] eiser geen ruimte bood om het conflict met haar uit te praten of in ieder geval te zeggen dat hij op de scooter weg wilde, maar meteen wegliep om de heer [A] erbij te roepen. Vervolgens is de eerder door hen beiden genomen beslissing dat eiser naar huis moest en er pas maandag verder gepraat zou worden aan eiser verteld. Doordat de heer [A] vervolgens de politie erbij heeft gehaald is het conflict nog verder, naar het oordeel van de rechtbank onnodig, geëscaleerd.

Conclusie

5.1. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser verwijtbaar werkeloos is geworden, maar dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW. Nu het strafontslag voorkomen had kunnen worden en het mede aan de werkgever – althans mevrouw [B] en de heer [A] – is te wijten dat dat niet is gebeurd en de situatie is geëscaleerd, is er aanleiding de uitkering gedeeltelijk te weigeren. Op grond hiervan had verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, een beperkte maatregel moeten opleggen waarbij de weigering van de werkloosheidsuitkering wordt verlaagd naar 35 % van de volledige werkloosheidsuitkering over een periode van 26 weken.

5.2. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit geen stand kan houden en verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen.

Proceskostenveroordeling

6.1. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van een nadere reactie en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting).

6.2. Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1311,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van de Does, rechter,

in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze einduitspraak (en de aangehechte tussenuitspraak) kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB