Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX0910

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
AWB 11-1276 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom tot verwijderen stacaravan. Bouwvergunningplicht. Onduidelijk op welke datum volgens verweerder de stacaravan op het perceel is gezet. Woningwet artikel 40 eerste lid a of b? Besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, opdracht nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1276 GEMWT

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.F. Mulder,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren,

verweerder,

gemachtigde mr. M.P. Boot.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser de stacaravan op het perceel aan [adres] te [plaats] dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per overtreding per week, met een maximum van € 30.000.

Bij besluit van 19 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. S. Boer. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 9 september 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Boer. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is sinds 1981 eigenaar van het perceel aan [adres] te [plaats], kadastraal bekend als [sectie] perceelnummer [perceelnummer] (het perceel). De buiteninspecteur Bouw- en Woningtoezicht van verweerder heeft op 10 mei 2010 geconstateerd dat zich op het perceel een recreatiewoning (de rechtbank begrijpt: een stacaravan) bevindt, zo blijkt uit het opnamerapport van 8 juni 2010. Daarop is op 21 juni 2010 een vooraankondiging van een last onder dwangsom gezonden. De last houdt in dat eiser de overtredingen, te weten de opslag van goederen en materialen en het geplaatst houden van een stacaravan, ongedaan dient te maken. Bij controle op 25 augustus 2010 is geconstateerd dat de stacaravan niet was verwijderd.

1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser gelast om binnen zes weken de stacaravan op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 5.000 per overtreding per week, met een maximum van

€ 30.000.

1.3. Op 10 januari 2011 heeft de commissie voor de bezwaarschriften geadviseerd het primaire besluit in stand te laten met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust. Met overneming van dat advies heeft verweerder in het bestreden besluit de oplegging van de last onder dwangsom gehandhaafd.

2. Juridisch kader

2.1. Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

2.2. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2.4. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Het Wijde Blik 2004” de bestemming “Natuurgebied”.

2.5. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan “Het Wijde Blik 2004” mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming in dit plan, naar de aard en omvang niet worden vergroot.

Op grond van artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan “Het Wijde Blik 2004” mag in afwijking van het eerste lid het gebruik van recreatiewoningen en ligplaatsen voor woonschepen en de daarbij behorende gronden, dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet voorzover het hierbij gaat om het gebruik als hoofdverblijf door bewoners die dit gebruik reeds uitoefenden voor de datum van ter inzage legging.

Op grond van artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan “Het Wijde Blik 2004” is het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.6. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de planvoorschriften bij het “Buitengebied Het Wijde Blik” mogen gronden en bouwwerken, die ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan gebruikt worden voor een doel, hetwelk krachtens artikel 32 is verboden, voor dit doel in gebruik blijven.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Eiser voert in de eerste plaats aan dat het bestreden besluit ten onrechte niet is genomen op grond van het op dat moment geldende recht, ex nunc. Verweerder heeft het primaire besluit en het bestreden besluit gebaseerd op artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 40 van de Woningwet. Deze artikelen zijn per 1 oktober 2010 vervallen.

3.2. De rechtbank overweegt dat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten (waaronder de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening) gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat deze wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het primaire besluit, de oplegging van de last onder dwangsom, dateert van 31 augustus 2010 en derhalve van vóór de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010. Dit betekent dat de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidden voordat die bij invoering van de Wabo werden gewijzigd van toepassing zijn. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

3.3. Eiser voert verder aan dat voor de stacaravan geen bouwvergunning is vereist, zodat van handelen in strijd met artikel 40 van de Woningwet geen sprake is. Voor zover artikel 40 van de Woningwet wel van toepassing zou zijn, voert eiser aan dat hij in het duister tast op welk onderdeel van artikel 40 van de Woningwet het bestreden besluit berust. Voor zover verweerder doelt op artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, kan het bestreden besluit volgens eiser geen stand houden. Sinds 1 april 2007 is in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet het verbod opgenomen om een bouwwerk zonder bouwvergunning in stand te laten. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 maart 2010 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BL7766). Eiser heeft het perceel in 1981 gekocht en er konden toen geen concrete aanwijzingen bestaan dat een bouwvergunningplicht bestond.

3.4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de stacaravan bouwvergunningplichtig is, omdat deze constructief met de grond is verbonden en een plaatsgebonden karakter heeft. Er is geen bouwvergunning verleend. De stacaravan is volgens verweerder opgericht in strijd met artikel 40 van de Woningwet. Voorts is het op grond van artikel 40 van de Woningwet verboden de stacaravan die is geplaatst zonder de vereiste bouwvergunning in stand te laten. Dit brengt mee dat het overgangsrecht van artikel 32 van het bestemmingsplan “Het Wijde Blik 2004” toepassing mist, aldus verweerder. Daar de stacaravan is geplaatst op gronden met de bestemming “natuurgebied”, is de stacaravan in strijd met het bestemmingsplan. Het gebruik van de gronden valt evenmin onder het overgangsrecht. Legalisatie van de bestaande situatie is in de optiek van verweerder niet mogelijk.

3.5. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden

a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning,

b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten,

tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Op grond van het tweede lid van dit artikel, is voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf geen bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

3.6. Niet in geschil is dat de stacaravan zonder bouwvergunning is geplaatst op het perceel.

3.7. Ter beoordeling van de rechtbank staat in de eerste plaats of voor de stacaravan destijds wel een bouwvergunning was vereist. De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is wanneer de stacaravan op het perceel is gezet. Volgens eiser stond deze er al in de jaren ’50. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009 (LJN: BK0850). In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de stacaravan op het perceel is geplaatst in of omstreeks 1987. De juistheid van het ene, dan wel het andere standpunt kan naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bouwvergunningplicht in het midden blijven. In de jaren ’50 is de Woningwet 1901 van toepassing. In de jaren ’80 geldt de Woningwet 1962. Op grond van beide wetten is het verboden te bouwen zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders. Naar het oordeel van de rechtbank is de stacaravan een bouwwerk gelet op het plaatsgebonden karakter van de stacaravan en diens constructie. Voorts valt de stacaravan niet onder de wettelijke uitzonderingen op de bouwvergunningplicht voor bouwwerken. Uit het plaatsgebonden karakter van de stacaravan volgt voorts dat deze – anders dan eiser betoogt – niet kan worden aangemerkt als een kampeermiddel in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, onder 1 van de Kampeerwet (oud), zodat ook geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de stacaravan in overeenstemming met de Kampeerwet (oud) zou zijn geplaatst en om die reden niet bouwvergunningplichtig zou zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voor de stacaravan in de jaren ’50 en in de jaren ’80 een bouwvergunning was vereist. Deze beroepsgrond van eiser faalt.

3.8. Eisers beroep op het overgangsrecht slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Ook als zou worden aangenomen dat de stacaravan onder het bouwovergangsrecht valt, zoals eiser betoogt, laat dit onverlet dat het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschaft of anderszins de bouw of de situatie legaliseert. Ook het beroep van eiser op het gebruiksovergangsrecht kan hem naar het oordeel van de rechtbank niet baten, omdat een illegaal gebouwd en sindsdien illegaal in stand gelaten bouwwerk niet valt onder het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik.

3.9. De rechtbank constateert verder dat uit het primaire besluit en het bestreden besluit niet blijkt welk onderdeel van artikel 40 van de Woningwet daaraan ten grondslag is gelegd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op 1 september 2011 toegelicht dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Ter zitting van 25 januari 2012 heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet.

3.10. Voor zover verweerder de last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van onderdeel a van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft niet gesteld dat eiser de stacaravan zelf op het perceel heeft neergezet. Verweerder gaat er, gezien het hiervoor overwogene, kennelijk van uit dat de stacaravan ten tijde van de verkrijging van het perceel in 1981 al op het perceel stond. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daaraan artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet ten grondslag is gelegd, in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

3.11. De rechtbank overweegt, voor zover verweerder de last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van onderdeel b van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 1981 het perceel heeft verworven. Volgens verweerder stond op dat moment de stacaravan reeds op het perceel. Verweerder verwijst voor de onderbouwing van de last onder dwangsom echter ook naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009 (LJN: BK0850). In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de stacaravan op het perceel is geplaatst in of omstreeks 1987. Verweerder hanteert dit ook als zijn standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt van verweerder in tegenspraak met het standpunt dat ten tijde van de verkrijging van het perceel de stacaravan reeds op het perceel stond. Deze twee standpunten zijn niet met elkaar in overeenstemming. De rechtbank is daarom van oordeel dat, voor zover verweerder aan het bestreden besluit artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet ten grondslag heeft gelegd, het bestreden besluit ook op dit punt in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

3.12. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

3.13. De rechtbank stelt vast dat zij bij deze stand van zaken zelf geen mogelijkheid heeft om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank overweegt dat het aan verweerder is om de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit is gebaseerd, zoals de datum waarop volgens verweerder de stacaravan op het perceel is gezet. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

3.14. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 1.092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen voor de nadere zitting x factor 1 x € 437,00). Voorts dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.092,50, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en S.J. Riem, leden, in aanwezigheid van

mr. S.P.M. van Boheemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB