Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX0651

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
AWB 11-224 GEMWT en AWB 11-773 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ7675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is - gelet op de nadere motivering van verweerder - van oordeel dat verweerder het belang van de beheersbaarheid van en verbetering van de waterhuishouding boven de (financiële) belangen van eiser heeft kunnen stellen. De rechtbank had eerder in de tussenuitspraak van 4 november 2011 overwogen dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat iedere verslechtering ten opzichte van de vergunde situatie onacceptabel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/224 GEMWT en AWB 11/773 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.M. Smits,

en

het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV),

verweerder,

gemachtigden mr. I. Weidema en mr. J.B. Michels.

Procesverloop

Op 4 november 2011 heeft de rechtbank in deze zaken tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak), welke in kopie aan deze einduitspraak is gehecht. De inhoud van deze tussenuitspraak wordt geacht hier te zijn ingelast.

Bij brief van 7 december 2011 heeft verweerder op de tussenuitspraak gereageerd. Bij brief van 20 december 2011 heeft eiser op de brief van verweerder gereageerd.

De rechtbank heeft de zaken opnieuw ter zitting behandeld op 25 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is aan de zijde van eiser verschenen zijn vader, [vader van eiser]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Achtergrond

1.1. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de opgelegde last onder dwangsom alsmede de afwijzing van het verzoek om wijziging van de ontheffing, gehandhaafd.

1.2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afzien van het opleggen van een last onder dwangsom en wijziging van de verleende ontheffing.

1.3. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld hierover nader gemotiveerd een standpunt in te nemen. De rechtbank heeft daartoe in de rechtsoverwegingen 5.4. en 5.5. van de tussenuitspraak – kort gezegd – overwogen dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat iedere verslechtering ten opzichte van de vergunde situatie onacceptabel is. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin de relatieve verslechtering die het gevolg is van het niet-conform de ontheffing bouwen van de brug aangrijpen om alsnog door handhavend optreden de oprichting van de brug tegen te gaan.

Nadere standpunten partijen

2.1. Verweerder heeft bij brief van 7 december 2011 en ter nadere zitting van 25 april 2012 – kort gezegd – het navolgende standpunt ingenomen.

Uit onderzoek naar het watersysteem van de Kerkeindsche polder en polder Achttienhoven, is verweerder gebleken dat de afvoercapaciteit van het systeem beperkt is en daardoor te veel opstuwing veroorzaakt. De sloot waarover de brug is geplaatst is een lange en smalle watergang, waarin zich reeds meerdere kunstwerken bevinden die opstuwing veroorzaken. Om het functioneren van het watersysteem ter plaatse te verbeteren, is verweerder voornemens om de watergang, benedenstrooms van de brug, te verbreden.

Verweerder heeft aan eiser ontheffing verleend voor het aanbrengen van een brug, waarbij als uitgangspunt is genomen dat zo min mogelijk extra opstuwing als gevolg van het plaatsen van de palen mag plaatsvinden. Om die reden is ontheffing verleend voor een brug waarbij de palen tegen de beschoeiing aan worden geplaatst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat legalisatie van de brug van eiser strijdig zou zijn met de voorgestane verbreding van de watergang. Volgens verweerder dient er op de lange termijn een beheersbaar watergebied te bestaan, zodat precedentwerking moet worden voorkomen. Volgens verweerder wordt de vuistregel voor toelaatbare opstuwing van 0,3 cm, welke vuistregel niet is neergelegd in een beleidsregel, gehanteerd bij het opstellen van watergebiedsplannen. In gevallen waarbij in een afvoertraject reeds veel kunstwerken aanwezig zijn, wordt van de vuistregel afgeweken. Aan de weigering heeft verweerder (uiteindelijk) een belangenafweging ten grondslag gelegd, waarbij doorslaggevende betekenis is toegekend aan het waterhuishoudkundig belang van een zoveel mogelijk ongestoorde afvoer van water ten opzichte van de (financiële) belangen van eiser.

2.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld verweerder ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het waterkundige belang. Volgens eiser is de toename van de opstuwing als gevolg van de overtreding zeer gering, zeker in relatie tot de opstuwing van oude kunstwerken en afval dat niet wordt opgeruimd. Nu uit de berekeningen van eiser blijkt dat de opstuwing als gevolg van het plaatsen van de palen onder de vuistregel van verweerder blijft, had meer rekening moeten worden gehouden met zijn financiële belangen. Herbouw van de brug gaat minstens € 6.000,- kosten. Eiser heeft er ter zitting (nogmaals) op gewezen dat de brug om technische redenen niet in overeenstemming met de aan hem verleende ontheffing gebouwd kan worden.

Nadere beoordeling rechtbank

3.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een last onder dwangsom en had moeten overgaan tot wijziging van de verleende ontheffing. Daartoe overweegt zij het volgende.

3.2. Niet in geschil is dat de brug in de huidige situatie ongeveer 20% meer opstuwing van het water in de watergang veroorzaakt dan wanneer de brug conform de ontheffing was gebouwd. Uit de nadere toelichting van verweerder blijkt dat de watergang lang en smal is en voorts onderdeel uitmaakt van een watersysteem met een beperkte afvoercapaciteit. Zoals zijdens verweerder is betoogd is aan eiser daarom een ontheffing verleend die zo min mogelijk (extra) opstuwing teweeg brengt. Verweerder tracht juist maatregelen te treffen om het functioneren van het watersysteem ter plaatse te verbeteren, zodat te minder aanleiding bestaat om de huidige brug te laten bestaan. Gelet hierop mocht verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, zijn belang bij het voorkomen van opstuwing zwaar laten wegen. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op het belang van het voorkomen van precedentwerking.

3.3. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat tegenover de door verweerder gestelde belangen, het door eiser gestelde financiële belang onvoldoende gewicht in de schaal legt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij de kosten van herbouw van € 6.000,-, alhoewel zij hoog zijn, wel zal kunnen dragen. De rechtbank merkt bovendien op dat deze kosten gemaakt zullen worden in geval van herbouw door een derde, terwijl eiser zelf de huidige brug heeft gebouwd tegen lagere kosten.

De rechtbank constateert voorts dat verweerder eiser bij brief van 18 oktober 2011 heeft aangeboden om zorg te dragen voor de stalen balken die nodig zijn voor een geheel vrije overspanning over de watergang alsmede voor de benodigde wijziging van de bestaande keur. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat dit geen duidelijk aanbod betrof. Het financiële gevolg van de keuze van eiser om niet op dit aanbod in te gaan is dat alle kosten van herbouw nu bij eiser blijven.

3.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het belang van de beheersbaarheid van en verbetering van de waterhuishouding boven de (financiële) belangen van eiser heeft kunnen stellen. De omstandigheid dat verweerder als vuistregel voor toelaatbare opstuwing een hoogte van 0,3 cm hanteert, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder heeft toegelicht wordt deze praktische vuistregel gehanteerd bij het opstellen van watergebiedsplannen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

4.1. De rechtbank is van oordeel, gezien het voorgaande, dat verweerder bevoegd was om, door middel van het opleggen van een dwangsom, tot handhaving over te gaan. De rechtbank is niet gebleken dat handhavend optreden in het geval van eiser zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder daarvan had behoren af te zien. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid het verzoek van eiser tot wijziging van de aan eiser verleende keurontheffing heeft kunnen afwijzen.

4.2. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het beroep gegrond verklaren. Nu verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.3. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de kosten van rechtsbijstand in beroep ten laste van verweerder. Deze wordt begroot op € 1.529,50

(2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 23 september 2011, 0,5 punt voor een nadere schriftelijke reactie, € 437,- per punt).

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een punt voor het verschijnen ter zitting van 25 april 2012, nu de nadere motivering van de bestreden besluiten niet onrechtmatig kan worden geacht. Wel dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I en II;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.529,50, te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van

B.O. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB