Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX0643

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
AWB 11-4098 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van één Wob-verzoek bestaande uit in ieder geval tien onderdelen. Verweerder heeft bij brief van 2 maart 2011 inhoudelijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beslist op dit Wob-verzoek. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat er geen dwangsom is verbeurd. Verweerder heeft verder terecht de bezwaren van eiseres tegen de brieven van 10 en 16 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard nu deze brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb maar een nadere toelichting zijn op het besluit van 2 maart 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4098 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. Y. Kuijt.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van

2 maart 2011 ongegrond en de bezwaren van eiseres tegen de brieven van 10 en 16 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak gezamenlijk, maar niet gevoegd met de zaak AWB 11/4102 WOB, ter zitting behandeld op 28 maart 2012. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres heeft bij brief van 31 december 2010 de Centrale verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) verzocht om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Zij heeft verzocht om alle informatie en documenten die direct of indirect betrekking hebben op de op de naam van eiseres opgemaakte beschikking en de daaraan ten grondslag liggende beweerlijke verkeersovertreding. Daarbij heeft zij een tiental documenten opgesomd waarop haar verzoek in ieder geval betrekking heeft.

1.2. Bij besluit van 21 januari 2011 heeft het CVOM het verzoek, voor zover het ziet op documenten die in het bezit van het CVOM zijn, toegewezen en de betreffende stukken openbaar gemaakt. Met betrekking tot de overige documenten heeft het CVOM het verzoek doorgezonden naar verweerder.

1.3. Bij brief van 1 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres een aantal bij naam genoemde documenten toegestuurd naar aanleiding van haar Wob-verzoek.

1.4. Bij brief van 28 februari 2011 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder nog niet op het Wob-verzoek zou hebben beslist.

1.5. Bij brief van 2 maart 2011 heeft verweerder eiseres op het adres van haar gemachtigde alwaar ze woonplaats heeft gekozen meegedeeld dat de documenten aangetekend aan haar thuisadres zijn verzonden, maar dat deze retour zijn gekomen omdat zij niet zijn afgehaald. Als bijlage bij deze brief heeft verweerder alsnog de betreffende documenten aan eiseres verzonden en haar bericht dat hiermee op het Wob-verzoek is beslist. Ook heeft verweerder eiseres bericht geen andere stukken in bezit te hebben en dat de ingebrekestelling daarom onterecht is verzonden.

1.6. Bij brief van 8 maart 2011 heeft eiseres verweerder bericht dat nog steeds niet is beslist op het Wob-verzoek. Voorzover verweerder meent met verzending van de stukken impliciet een beslissing te hebben genomen op het Wob-verzoek, is het besluit onvolledig, nu nog niet op alle onderdelen van het Wob-verzoek is beslist. Het betreft de volgende onderdelen van het Wob-verzoek, zijnde punt 4: akte van beëdiging, certificaat van bekwaamheid en besluit van aanstelling van alle betrokken verbalisanten en punt 8: indien gebruik is gemaakt van een kaliberatietabel, een kopie daarvan, alsmede het ijkrapport van het meetapparaat waarmee die kaliberatietabel is opgesteld. Eiseres heeft verweerder verzocht de gevraagde documenten alsnog binnen de geldende beslistermijn, te weten voor 15 maart 2011, openbaar te maken.

1.7. Bij brief van 10 maart 2011 heeft verweerder eiseres bericht alle in bezit zijnde documenten al openbaar te hebben gemaakt. Verweerder heeft meegedeeld dat de gevraagde akte van beëdiging niet van toepassing is, dat de bekwaamheid van verbalisanten niet per certificaat wordt vastgesteld en dat de ijktabel al is toegezonden.

1.8. Bij brief van 14 maart 2011 heeft eiseres verweerder bericht dat hij nog steeds in gebreke is met het beslissen op het Wob-verzoek. Eiseres heeft verweerder wederom verzocht om een document waaruit blijkt dat de betrokken verbalisant als opsporingsambtenaar is beëdigd en om het ijkrapport van het meetapparaat waarmee de al openbaar gemaakte kaliberatietabel is opgesteld (de zogenaamde NMi-verklaring).

1.9. Bij brief van 16 maart 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld met toezending van alle bij verweerder aanwezige stukken te hebben beslist op het Wob-verzoek van eiseres. Verweerder heeft eiseres wederom meegedeeld niet in bezit te zijn van een akte van beëdiging van de betrokken verbalisant, maar dat hij wel kon bevestigen dat de betrokken verbalisant beëdigd is. Ook heeft verweerder wederom verklaard niet in bezit te zijn van een ijkrapport (de NMi-verklaring) maar dat uit de reeds openbaar gemaakte kaliberatietabel kan worden opgemaakt dat het apparaat op 9 juni 2010 is geijkt. Verweerder heeft geconcludeerd dat, nu de ter beschikking zijnde documenten op 2 maart 2011 en daarmee binnen twee weken na de ingebrekestelling aan eiseres en gemachtigde zijn verzonden, tijdig is beslist op het Wob-verzoek en er geen dwangsom is verbeurd.

1.10. Gemachtigde heeft namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de brieven van 2, 10 en 16 maart 2011. Bij brief van 14 april 2011 en e-mailbericht van 22 april 2011 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij haar bezwaar mondeling wil toelichten. Van deze gelegenheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt.

1.11. Bij brief van 12 mei 2011 heeft eiseres verweerder wederom in gebreke gesteld, ditmaal vanwege de impliciete weigering om de verbeurde dwangsommen vast te stellen. Bij brief van 31 mei 2011 heeft verweerder de ontvangst van de brief van 12 mei 2011 bevestigd en eiseres verwezen naar zijn brief van 16 maart 2011. Verweerder blijft bij het standpunt dat er geen dwangsom is verbeurd.

1.12. Bij brief van 17 juni 2011 heeft eiseres verweerder nogmaals in gebreke gesteld vanwege het niet nemen van een dwangsombesluit. Bij brief van 23 juni 2011 heeft verweerder de ontvangst van de brief van 17 juni 2011 bevestigd en eiseres verwezen naar zijn brieven van 16 maart 2011 en 31 mei 2011. Verweerder blijft bij het standpunt dat er geen dwangsom is verbeurd.

1.13. Tegen de brieven van 31 mei 2011 en 23 juni 2011 heeft gemachtigde namens eiseres bezwaar gemaakt.

1.14. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 2 maart 2011 ongegrond verklaard. Verweerder meent dat de brief van 2 maart 2011 een besluit is op het Wob-verzoek van eiseres en dat met dat besluit binnen de wettelijke termijn aan het Wob-verzoek van eiseres tegemoet is gekomen. Alle gevraagde documenten die verweerder ter beschikking had, zijn namelijk al openbaar gemaakt. Er is dan ook geen dwangsom verbeurd, aldus verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verder de bezwaren van eiseres tegen de brieven van 10 en 16 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft overwogen dat deze brieven niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die brieven zijn geen beslissingen neergelegd die zijn gericht op rechtsgevolg, maar is slechts antwoord gegeven op de vragen van eiseres.

2. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder diende op negen Wob-verzoeken van eiseres te beslissen maar heeft eigenlijk nooit een besluit genomen in de zin van de wet. Wel heeft verweerder op 2 maart 2011 een aantal documenten toegestuurd, welke toezending in de meest welwillende lezing kan worden beschouwd als volledige beslissing op de Wob-verzoeken 1, 3, 5, 6, 7, 9 en 10. Ondanks herhaald aandringen bleef verweerder in gebreke met het nemen van een beslissing op de Wob-verzoeken 4 en 8, waarmee documenten werden gevraagd die wel degelijk bestaan. Zodoende heeft verweerder dwangsommen verbeurd.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

3.1. In tegenstelling tot eiseres is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van één Wob-verzoek, bestaande uit in ieder geval tien onderdelen. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 2 maart 2011 inhoudelijk heeft beslist op het Wob-verzoek van eiseres en dat verweerder dit ook heeft gedaan binnen twee weken na de dag waarop de beslistermijn afliep. Dat onder deze brief geen bezwaarclausule is opgenomen, maakt niet dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft bij dit besluit de documenten waarover hij beschikte openbaar gemaakt. De stelling van eiseres dat verweerder de documenten behorend bij onderdelen 4 en 8 van het Wob-verzoek wel in zijn bezit heeft maar deze weigert openbaar te maken, leidt – wat daar ook van zij – niet tot de conclusie dat verweerder niet tijdig een beslissing heeft genomen op het Wob-verzoek.

3.2. Namens eiseres is overigens ter zitting meegedeeld dat zij weliswaar geen besluit van verweerder heeft gekregen over het openbaar maken van de documenten genoemd in de onderdelen 4 en 8 van haar Wob-verzoek, maar dat zij geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van haar Wob-verzoek op die punten. De boete voor de vermeende verkeersovertreding is door verweerder immers niet gehandhaafd. Desgevraagd is verklaard dat het eiseres in deze procedure vooral gaat om het innen van een dwangsom. Zoals de rechtbank al in rechtsoverweging 3.1 heeft geoordeeld, heeft verweerder tijdig beslist op het Wob-verzoek van eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat er geen dwangsom is verbeurd. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 maart 2011 is daarom op goede gronden ongegrond verklaard.

3.3. Voor zover het beroep van eiseres zich ook richt tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaren tegen de brieven van 10 en 16 maart 2011, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat deze brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb omdat zij niet gericht zijn op enig rechtsgevolg maar een nadere toelichting betreffen op het besluit van 2 maart 2011. Volgens verweerder moet in de bewoordingen ‘Derhalve constateer ik dat de ingebrekestelling onterecht is verzonden’ in het besluit van 2 maart 2011 worden gelezen dat bij dit besluit reeds tijdig is beslist op het Wob-verzoek en dat verweerder dus geen dwangsom verbeurt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de brieven van 10 en 16 maart 2011 niet als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn aan te merken, omdat deze niet zijn gericht op rechtsgevolg. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen deze brieven dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.

3.4. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB