Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9154

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
13/657051-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaarde van foslo- en andere herkenningen; invloed daarop van onder meer eerdere vertoning aan de getuige van beelden van de dader op televisie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/657051-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 16 mei 2012

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [1987],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] [plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadman mr. A. Boumanjal naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer A] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer A] is gevolgd en/of tegen die [slachtoffer A] heeft gezegd: "Ik maak je dood!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of (vervolgens) die [slachtoffer A] heeft laten struikelen/of een of meerdere ma(a)l(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen de zij/romp, althans in/tegen het lichaam, van die [slachtoffer A] heeft gestoken en/of gesneden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer A] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (steekwonden in de zij/romp), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer A] met dat opzet te volgen en/of (vervolgens) die [slachtoffer A] te laten struikelen en/of bovenop die [slachtoffer A] te springen en/of een of meerdere ma(a)l(en) die [slachtoffer A] (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt en/of een of meerdere ma(a)l(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen de zij/romp, althans in/tegen het lichaam, van die [slachtoffer A] te steken en/of te snijden;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer A] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet te volgen en/of (vervolgens) die [slachtoffer A] te laten struikelen en/of bovenop die [slachtoffer A] te springen en/of een of meerdere ma(a)l(en) die [slachtoffer A] (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt en/of een of meerdere ma(a)l(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen de zij/romp, althans in/tegen het lichaam, van die [slachtoffer A] te steken en/of te snijden;

2. hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B] (op zijn hoofd) heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer B] de woorden toegevoegd : "Kom naar buiten dan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of dreigend met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer B] heeft gestoken en/of gezwaaid, althans voornoemde [slachtoffer B] dat mes voorgehouden;

4. hij op of omstreeks 17 november 2010 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

(a) een jas toebehorende aan [slachtoffer A] en/of

(b) een jas toebehorende aan [slachtoffer B],

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte,

(a) heeft wegemaakt door voornoemde jas van het lichaam van die [slachtoffer A] te trekken en/of (vervolgens) mee te nemen en/of (vervolgens) af te geven aan [C] en/of

(b) heeft vernield en/of beschadigd door (met kracht) aan voornoemde jas te trekken en/of hangen (waardoor die jas is gescheurd).

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan (feit 1 primair, maar niet met voorbedachten rade) en beroept zich daarvoor in het bijzonder op de herkenning door politieambtenaren van foto’s van verdachte (de politieambtenaren [politieambtenaar F] en [politieambtenaar G]) of door getuigen van een foto van verdachte, aan hen getoond in een zogenoemde FOSLO confrontatie (de getuigen [slachtoffer B], [slachtoffer A], [getuige D] en [getuige E]). Weliswaar kan op de bewijswaarde van enige van de herkenningen wel iets worden afgedongen, maar zij moeten in samenhang worden beoordeeld, terwijl tevens van belang is dat verdachte geen sluitend alibi heeft.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. Zij stelt voorop dat er voor de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde geen ander bewijs is dan de vermelde herkenningen. De waarde van dit bewijs is echter van dien aard dat daaruit hoogstens mag worden geconcludeerd dat verdachte op de dader lijkt. Zowel de herkenningen door de politieambtenaren als die door de getuigen zijn zo weinig betrouwbaar dat op grond daarvan verdachte niet als de dader mag worden aangemerkt.

De deskundige dr. M. Sauerland heeft een daartoe strekkend deskundigenbericht uitgebracht ten aanzien van de herkenningen door de getuigen [getuige D] en [getuige E], maar dit moet ook gelden voor de herkenningen door de getuigen [slachtoffer B] en [slachtoffer A]. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen door gebruikmaking voor het bewijs van de herkenningen door laatstgenoemden getuigen, dan verzoekt de verdediging de deskundige te horen over de bewijswaarde van die herkenningen.

Ten aanzien van de herkenning door de getuige [slachtoffer B], bepleit de verdediging bovendien bewijsuitsluiting aangezien de politie deze getuige heeft verteld dat hij de juiste persoon had aangewezen voordat de raadsman van verdachte deze getuige (ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken) heeft kunnen ondervragen.

Verdachte heeft, aldus de verdediging ten slotte, wel degelijk een alibi. Volgens zijn familie was hij in de nacht van 16 op 17 november 2010 thuis na het vieren van het offerfeest op 16 november 2010.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1, primair, subsidiair en meer subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde:

3.3.1 In de nacht van 16 op 17 november 2010 heeft getuige [slachtoffer B] in de FEBO aan de Leidsestraat in Amsterdam ruzie gekregen met een jongen van Marokkaanse afkomst. [slachtoffer B] heeft de jongen geslagen en is vervolgens buiten de FEBO door die jongen geslagen en met een mes bedreigd. Diezelfde jongen heeft de jas van [slachtoffer B] stuk gemaakt. Voorts heeft die jongen de getuige [slachtoffer A] met een mes tweemaal in de zij gestoken en de jas van [slachtoffer A] aan een dakloze omstander overhandigd.

Bewakingscamera’s hebben van het incident in de FEBO en van waarschijnlijk het steken van [slachtoffer A] opnamen gemaakt. Daarop is een persoon te zien die de dader moet zijn geweest.

Deze persoon is onder meer te herkennen aan de jas die hij droeg, een jas met op de mouwen twee witte strepen.

De beelden van de camera die in de FEBO stond opgesteld, geven een scherp en duidelijk beeld van het gezicht van de dader.

Die beelden zijn vertoond in een door RTV Noord-Holland uitgezonden televisieprogramma dat is gezien door een aantal reeds door de politie gehoorde getuigen. Van die beelden zijn ook zogenoemde stills gemaakt die onder de politie zijn verspreid met de vraag wie daarover opheldering zou kunnen geven.

3.3.2 De politieambtenaar [politieambtenaar F] heeft naar aanleiding van het zien van deze “aandachtsvestiging” de bewegende beelden bekeken die met de camera’s zijn gemaakt en daarop verdachte herkend als de dader. De politieambtenaar [politieambtenaar G] heeft verdachte op de “stills” herkend als de dader.

Aan de beide slachtoffers ([slachtoffer B] en [slachtoffer A]) en aan de getuigen [getuige D], [getuige E] en [C] is een fotoverzameling getoond met daarbij een foto van verdachte (zogenoemde fosloconfrontaties). Behalve [C] hebben deze getuigen (ieder met meer of mindere stelligheid) de foto van verdachte aangewezen als die van de dader. [C] heeft niemand aangewezen.

3.3.3 De rechtbank heeft ter terechtzitting kunnen zien hoe verdachte eruit ziet en een deel van de beelden bekeken. Ook heeft de rechtbank ter terechtzitting het uiterlijk van verdachte vergeleken met de opgaven van het signalement van de dader en met nadere beschrijvingen die de getuigen [slachtoffer B] en [slachtoffer A] hebben gegeven van het gezicht van de dader (voordat zij met de fotocollectie werden geconfronteerd). Het een noch het ander heeft de rechtbank tot de overtuiging gebracht dat verdachte de dader is.

3.3.4. Bij gebreke van enig ander bewijs komt het dus aan op de waardering van de hiervoor onder 3.3.2 genoemde herkenningen. Daarbij laat de rechtbank voorshands nog buiten beschouwing welke waarde moet worden toegekend aan de verklaringen van de getuigen die verdachte heeft voorgebracht om het door hem opgegeven alibi te ondersteunen.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de herkenning door [slachtoffer B] van het bewijs moet worden uitgesloten, aangezien de mededeling door de politie aan de getuige [slachtoffer B] voor diens verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris dat [slachtoffer B] de dader had herkend uit de aan hem getoonde fotocollectie, niet tot gevolg heeft gehad dat op enige wijze aan het recht van de verdediging om deze getuige te ondervragen is tekort gedaan.

3.3.5.1 De getuigen [getuige D] en [getuige E] hebben, als gezegd, verdachte bij een foslo-confrontatie herkend. Voordien is aan de getuige [getuige E], toen hij in het aan de foslo’s voorafgaande politieonderzoek als getuige werd gehoord, een politiefoto van verdachte getoond, terwijl [getuige D] en mogelijk ook [getuige E] het genoemde televisieprogramma heeft gezien.

Over de waarde van deze herkenningen heeft de deskundige dr. Sauerland op 13 december 2011 een advies gegeven. Daaruit het volgende.

Bij de gebruikte fotoconfrontaties zijn de getuigen [getuige E] en [getuige D] blootgesteld aan de volgende invloeden.

- Het overdrachtseffect. Het zien van foto’s van de dader in het videomateriaal vóór de fotoconfrontatie is problematisch, aangezien dit het gevaar van het zogenaamde transference effect (het overdrachtseffect) met zich brengt. Dit houdt in dat getuigen de verdachte herkennen wanneer ze de fotoconfrontatie zien, maar zich niet realiseren dat de persoon in de fotoconfrontatie hen bekend voorkomt van de foto’s die ze eerder gezien hebben, in plaats van de plaats delict. Omdat beide getuigen aan beelden van de dader werden blootgesteld in het videomateriaal voordat de fotoconfrontaties werden gehouden, is hun identificatieverklaring minder betrouwbaar voor de zaak.

- Voorafgaande informatie dat een andere getuige iemand heeft herkend. Vóór de fotoconfrontatie werd [getuige E] door [getuige D] en [slachtoffer B] geïnformeerd dat ze dachten de verdachte in de fotoconfrontatie herkend te hebben. Dit is een probleem, omdat het ertoe geleid kan hebben dat [getuige E] geneigd was een keuze te maken. Hoewel men er vanuit gaat dat beslissingen tijdens fotoconfrontaties voornamelijk geleid worden door het herinneringsbeeld dat de getuige heeft van de dader, speelt een aantal sociale invloeden ook een rol. Voorafgaande informatie dat andere getuigen die dezelfde fotoconfrontatie te zien hebben gekregen, een keuze hebben gemaakt, is een van deze invloeden. De informatie dat een andere getuige iemand uit de fotoconfrontatie heeft geselecteerd, kan ook het vertrouwensoordeel dat een getuige maakt, beïnvloeden. Daarom kan in deze zaak niet worden aangenomen dat de getuigen volledig onafhankelijk waren toen ze hun keuze maakten uit de fotoconfrontatie.

- Crossraciale herkenning. De verdachte is van Marokkaanse afkomst, terwijl de getuigen van Nederlandse afkomst lijken te zijn. Dit betekent dat het zogenaamde crossraciale effect een rol kan hebben gespeeld bij deze herkenningen. Mensen vinden personen met een andere etnische afkomst allemaal veel meer op elkaar lijken dan personen met dezelfde afkomst als zijzelf. Als gevolg hiervan is de kans 1,6 keer groter om iemand ten onrechte te herkennen tijdens een fotoconfrontatie in het geval van een crossraciale situatie, in vergelijking met een situatie met iemand van dezelfde afkomst.

- De instructie over verandering in het uiterlijk. Dit is problematisch, omdat van dergelijke instructies is gebleken dat ze de kans dan een getuige een onschuldige verdachte of figurant kiest, toeneemt, terwijl de kans dat er een onschuldige verdachte wordt gekozen, ongewijzigd blijft.

- De perceptie van suggestieve instructies ([getuige E]).

De meeste van deze invloeden werken op zodanige wijze dat ze de kans verhogen dat de getuige een keuze maakt uit de fotoconfrontatie, zelfs als de gekozen persoon niet identiek is aan de werkelijke dader. Daarom concludeert dr. Sauerland dat het bewijs dat voortkomt uit de identificatieverklaringen van de getuigen [getuige E] en [getuige D] minder betrouwbaar is, in zodanige mate dat zij de rechtbank niet kan aanbevelen een gerechtelijke beslissing hierop te baseren.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en maakt deze tot de hare. Gelet op dit advies, acht de rechtbank de door [getuige E] en [getuige D] gedane herkenningen van verdachte niet zodanig betrouwbaar dat deze tot het bewijs kunnen bijdragen dat verdachte de dader is.

3.3.5.2 Ook [slachtoffer A] en [slachtoffer B] hebben, zoals gezegd, verdachte bij een foslo-confrontatie herkend.

Uit de verklaring van [slachtoffer B] blijkt dat hij op de televisie het genoemde programma heeft gezien waarin de met de bewakingscamera’s gemaakte beelden zijn vertoond. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij na de fotoconfrontatie telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer A]. In dat telefoongesprek heeft [slachtoffer B] tegen [slachtoffer A] gezegd dat hij dacht verdachte herkend te hebben. Nu met [slachtoffer B] de foslo-confrontatie op 20 december 2010 omstreeks 10:30 uur is gehouden en de foslo-confrontatie met [slachtoffer A] op dezelfde datum omstreeks 15:45 uur, is het heel goed mogelijk dat deze mededeling [slachtoffer A] heeft bereikt voordat laatstgenoemde met de fotocollectie werd geconfronteerd.

Ten aanzien van de getuige [slachtoffer B] staat derhalve vast dat ook hij is blootgesteld aan voor de betrouwbaarheid van zijn herkenning ongunstige beïnvloeding, door het door de deskundige dr. Sauerland genoemde “overdrachtseffect”, terwijl niet mag worden uitgesloten dat de getuige [slachtoffer A] is blootgesteld aan het eveneens voor de betrouwbaarheid van zijn herkenning ongunstige effect dat hij, zoals de deskundige het noemt, “voorafgaande informatie” heeft gekregen “dat een andere getuige iemand heeft herkend.” Bovendien geldt ook voor deze twee getuigen dat hun herkenning mogelijk onbetrouwbaar is door “crossraciale herkenning” en “de instructie over verandering in het uiterlijk”.

De rechtbank acht daarom ook deze herkenningen onvoldoende betrouwbaar om daarop een veroordeling te baseren.

3.3.5.3 Dit geldt ook voor de herkenningen door de verbalisanten [politieambtenaar F] en [politieambtenaar G].

Blijkens zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring heeft [politieambtenaar F] slechts in die zin contact met verdachte gehad dat verdachte een jongen is die zich steeds verwijdert wanneer [politieambtenaar F], zittend in een politieauto, op straat contact zoekt met groepjes jongeren. Daaruit leidt de rechtbank af dat [politieambtenaar F] nooit rechtstreeks contact met verdachte heeft gehad en hij verdachte dus onvoldoende kent om zijn herkenning betrouwbaar te doen zijn.

Voor [politieambtenaar G] geldt dit niet. Hij zegt verdachte heel goed te kennen. Aan zijn herkenning kleeft echter het gebrek dat [politieambtenaar G] blijkens het door hem opgemaakte proces-verbaal op het moment waarop hij de stills bekeek, ermee bekend was dat deze hem bekende persoon reeds als verdachte van de steekpartij was aangemerkt.

3.4 Het voorhanden bewijs is dus onvoldoende betrouwbaar om verdachte als dader aan te merken zodat vrijspraak moet volgen.

Een bespreking van het door verdachte opgegeven alibi kan daarom achterwege blijven en aan het verzoek de deskundige nadere vragen te stellen komt de rechtbank niet toe, nu de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan, niet is vervuld.

4. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade ingediend voor een bedrag van € 838,88 en voor de geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.500,-. De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade ingediend voor een bedrag van € 459,90 en voor de geleden immateriële schade voor een bedrag van € 600,-.

Nu verdachte van alle ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken en aan hem dus geen straf of maatregel zal worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn.

5. Beslissing

Verklaart het onder 1, primair, subsidiair en meer subsidiair, 2, 3, en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2012.

De jongste rechter is buiten staat

mede te ondertekenen.