Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/5426 WWB en AWB 11/5428 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting bijstand. Procesbelang. Korte hersteltermijn. Het kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat eiser op de hoogte was van de oproep om bij verweerder te verschijnen. Beroep gegrond.

Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Eiser heeft gedurende de periode in geding zijn verblijf verplaatst naar de woning van eiseres om voor haar te kunnen zorgen. Hiermee is sprake van gezamenlijk hoofdverblijf. Uit de verklaringen van eisers blijkt dat tevens sprake is van wederzijdse zorg. Het bieden van huisvesting en bijbehorende voorzieningen moet daarbij gezien worden als het bieden van zorg. Eiser heeft niet uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afgezien van toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden. Dit is door verweerder niet onderkend in het terugvorderingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/5426 WWB en AWB 11/5428 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. S. van Andel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. S.S. Kissoentewari.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser [B] (hierna: eiser) vanaf 26 juli 2011 opgeschort (het primaire besluit I).

Bij besluit van 8 augustus 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres [A] (hierna: eiseres) per 21 februari 2011 beëindigd (lees: ingetrokken) (het primaire besluit II).

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser per

21 februari 2011 ingetrokken en bepaald dat eiser over de periode van 21 februari 2011 tot en met 31 juli 2011 de teveel betaalde uitkering ten bedrage van € 4.773,28 dient terug te betalen (het primaire besluit III).

Bij afzonderlijke besluiten van 2 november 2011 heeft verweerder de afzonderlijke bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit I (eiseres) en het bestreden besluit II (eiser)).

Eisers hebben ieder voor zich beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Verweerder heeft voor beide zaken gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 23 maart 2012.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. van Andel. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. S.S. Kissoentewari.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eisers ontvangen elk afzonderlijk een uitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande, vermeerderd met een toeslag van 20%.

1.2. Op 6 juni 2011 heeft een medewerker van Werkplein Zuid/Oud-West van de Dienst Werk en Inkomen van verweerder (hierna: DWI) aan de dienst Handhaving van DWI bericht dat aan eiser gerichte post retour komt met op de envelop de melding dat de brievenbus te vol zit. Naar aanleiding van deze mededeling heeft een handhavingsmedewerker telefonisch contact opgenomen met eiser. Eiser heeft tijdens dit gesprek verklaard dat hij wel woont op het opgegeven uitkeringsadres aan de [adres] in [plaats], maar dat hij daar vaak niet is.

1.3. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiser. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport van bevindingen, afgesloten op 2 augustus 2011. Het onderzoek heeft bestaan uit bestandsonderzoek, dossieronderzoek, huisbezoeken aan het opgegeven woonadres van eiser en aan het door eiseres opgegeven woonadres en het horen van eiser en eiseres.

1.4. In het rapport is vermeld dat een handhavingsmedewerker van verweerder op

25 juli 2011 een huisbezoek heeft gebracht aan het door eiser opgegeven woonadres aan de [adres]. Omdat er niet werd gereageerd op aanbellen, heeft de handhavingsmedewerker een oproepingsbrief in de brievenbus van de woning achtergelaten waarin eiser wordt opgeroepen voor een gesprek op het kantoor van verweerder op

26 juli 2011 en waarin hij tevens wordt verzocht om gegevens te overleggen. Eiser is niet verschenen op deze oproep.

1.5. Bij het primaire besluit I heeft verweerder het recht op bijstand van eiser opgeschort. Tevens heeft verweerder eiser opnieuw opgeroepen om te verschijnen voor een gesprek op 1 augustus 2011. Eiser heeft aan deze oproep gehoor gegeven en op

1 augustus 2011 op het kantoor van verweerder een verklaring afgelegd. Aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden aan het adres van eiser en aan het opgegeven woonadres van eiseres, [adres] in [plaats].

1.6. De bevindingen van het huisbezoek aan het adres van eiser en de verklaringen die eiser tijdens dit bezoek en op kantoor van verweerder heeft afgelegd, zijn voor verweerder aanleiding geweest om ook een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapport van bevindingen, afgesloten op 4 augustus 2011. Het onderzoek heeft bestaan uit bestandsonderzoek, dossieronderzoek, het hiervoor onder 1.5 genoemde huisbezoek aan het woonadres van eiseres en het horen van eiser en eiseres.

1.7. Naar aanleiding van de bevindingen uit beide rapporten heeft verweerder bij de primaire besluiten II en III het afzonderlijke recht van eisers op uitkering ingetrokken vanaf 21 februari 2011, omdat eisers met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. In het geval van eiser heeft verweerder tevens de teveel betaalde bijstand ten bedrage van

€ 4.773,28 teruggevorderd. Eisers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I, II en III.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek blijkt dat eisers vanaf 21 februari 2011 hun gezamenlijk hoofdverblijf hebben in de woning van eiseres aan de [adres] in [plaats]. Voorts is volgens verweerder ook gebleken van wederzijdse zorg voor elkaar, zodat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Eisers kunnen hierdoor niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt en hebben ieder geen recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Omdat eisers niet aan verweerder hebben gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voeren, hebben zij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden waardoor verweerder gerechtigd was de bijstandsuitkeringen in te trekken en, zoals verweerder in het geval van eiser heeft gedaan, terug te vorderen.

2.2. Met betrekking tot de intrekking hebben eisers, kort weergegeven, aangevoerd dat zij niet hebben verklaard dat eiser vanaf 21 februari 2011 bij eiseres woonde. Volgens eisers kon eiseres aanvankelijk nog voor zichzelf zorgen. Pas toen de gezondheid van eiseres achteruit ging, is eiser meer voor eiseres gaan zorgen. Volgens eisers heeft verweerder dan ook niet bewezen dat zij reeds vanaf 21 februari 2011 hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van eiseres. Voorts is aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederzijdse zorg. Eiser verrichtte namelijk alle huishoudelijke taken omdat eiseres wegens haar ziekte hiertoe niet in staat was. Dit betekent volgens eisers dat alleen sprake was van eenzijdige zorg en dat aldus niet is voldaan aan het begrip gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB.

2.3. Met betrekking tot de opschorting van de uitkering heeft eiser aangevoerd dat het opschortingsbesluit niet rechtmatig is. Eiser heeft niet tijdig kunnen reageren op de oproep van 25 juli 2011 om op 26 juli 2011 op kantoor van verweerder te verschijnen, omdat hij deze oproep pas op 26 juli 2011 aan het einde van de dag onder ogen kreeg. De door verweerder gehanteerde termijn om op kantoor te verschijnen is onredelijk kort en het kan eiser niet worden verweten dat hij hieraan niet tijdig heeft kunnen voldoen.

3. Wettelijk kader

3.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang – wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

3.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3.3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

3.4. In artikel 54, eerste lid, van de WWB is bepaald dat verweerder het recht op bijstand kan opschorten indien de belanghebbende gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent. In het tweede lid is bepaald dat het college mededeling van de opschorting doet aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3.5. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

3.6. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

3.7. Op grond van artikel 6.1, derde lid, van de Beleidsregels WWB, kan van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4. Inhoudelijke beoordeling

Vaststelling perioden in geding

4.1. Met betrekking tot de uitkering van eiser heeft verweerder de bijstand ingetrokken over een afgebakende periode, namelijk van 21 februari 2011 tot en met 31 juli 2011. Met betrekking tot de bijstand van eiseres stelt de rechtbank vast dat de intrekking hiervan zich niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste jurisprudentie bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, dat wil zeggen de periode van 21 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011.

Intrekking

4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het criterium dat eiser en eiseres gedurende de perioden in geding hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van eiseres in de [adres]. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat eiser op 1 augustus 2011 heeft verklaard dat hij sinds vier à vijf maanden zes dagen per week bij eiseres verbleef, en dat eiseres heeft verklaard dat eiser sinds de aanvang van haar kuur op

21 februari 2011 bij haar verblijft. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat geen sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf gedurende de gehele perioden in geding. Uit de verklaringen blijkt dat eiser en eiseres elk afzonderlijk hebben verklaard dat eiseres op 21 februari 2011 is gestart met een kuur voor hepatitis B en dat eiser vanaf deze datum bij eiseres is gaan wonen in haar woning aan de [adres] om voor eiseres te zorgen. Gezien de duur van dit verblijf kan niet gezegd worden dat het hier gaat om een tijdelijk verblijf. Anders dan eisers hebben betoogd, moet worden geacht dat eiser gedurende de perioden in geding zijn verblijf heeft verplaatst naar de woning van eiseres (zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Raad van 28 februari 2006, LJN: AX8553).

4.4. Voor zover eisers thans op de door hen afgelegde verklaringen terugkomen, overweegt de rechterbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een handhavingsmedewerker afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Daarom wordt weinig betekenis toegekend aan het achteraf intrekken van een dergelijke verklaring (zie onder andere Raad 6 mei 2008, LJN: BD1879). Eisers hebben hun verklaringen per bladzijde ondertekend. Eisers hebben aangekruist dat zij kennis hebben genomen van de verklaringen zoals die door de handhavingsmedewerkers zijn opgeschreven en dat deze overeenkomen met hetgeen zij mondeling hebben verklaard. Voorts blijkt uit de verklaringen dat de handhavingsmedewerkers hebben geïnformeerd bij eiser en eiseres of zij onder invloed van drugs of medicijnen verkeerden en of zij in staat waren om een gesprek te voeren, en dat beiden hebben geantwoord dat zij niet onder invloed waren en dat zij in staat waren om een verklaring af te leggen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om van bovenstaande vaste lijn af te wijken en gaat uit van de verklaringen van eisers en eiseres. De beroepsgrond van eisers dat geen sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf slaagt gelet op het voorgaande niet.

4.5. Voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding is vervolgens

bepalend of er voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze zorg kan volgens de

Raad blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten (zie onder meer de uitspraak van 7 juli 2008, LJN: BD6631). Buiten de financiële verstrengeling kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. De Raad stelt daarbij voorop dat bij de afweging van alle ten aanzien van de leefsituatie van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden de aard en het motief van de relatie tussen betrokkenen en de eigen - op een subjectieve beleving gebaseerde - waardering van hun leefsituatie buiten beschouwing dienen te blijven.

4.6. Eisers hebben betoogd dat sprake is van eenzijdige zorg, omdat eiser alle huishoudelijke taken verrichtte.

4.7. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Uit de door eiser en eiseres afgelegde verklaringen volgt immers dat eiser gedurende de perioden in geding heeft gezorgd voor eiseres wegens gezondheidsproblemen en dat eiser gedurende deze periode bij eiseres is gaan wonen. Ook staat vast dat eiser en eiseres gezamenlijk aten en gezamenlijk de was deden, waarbij in het midden kan blijven wie de wasmachine bediende omdat, zoals eisers ter zitting ook hebben toegelicht, zowel de kleding van eiser als die van eiseres samen in een wasbeurt werden gewassen.

4.8. De rechtbank is verder van oordeel dat, zoals de Raad in de uitspraak van 22 maart 2011 heeft overwogen (LJN: BP9654) het bieden van huisvesting met bijbehorende voorzieningen door eiseres aan eiser, gezien moet worden als het bieden van zorg. Daarbij zijn de motieven die voor eisers hebben geleid tot het bieden van die zorg – in dit geval de omstandigheid dat eiseres een kuur volgde voor hepatitis B en niet voor zichzelf kon zorgen – niet van belang. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet

4.9. Nu gelet op het voorgaande aan zowel het vereiste van gezamenlijk hoofdverblijf als het vereiste van wederzijdse zorg is voldaan, was sprake is van een gezamenlijke huishouding. Aangezien eisers verweerder van het voeren van een gezamenlijke huishouding niet op de hoogte hebben gesteld, hebben zij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstandsuitkeringen van eiser en eiseres in te trekken. De bestreden besluiten I en II kunnen dan ook voor zover betrekking hebbend op de intrekking standhouden.

4.10. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaren. De rechtbank zal om deze reden het verzoek van eiseres om schadevergoeding afwijzen. De rechtbank ziet in het geval van eiseres geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Terugvordering

4.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat verweerder bevoegd was de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen, zoals verweerder in het geval van eiser bij het bestreden besluit II ook heeft gedaan. Het is in dat geval aan eiser om aannemelijk te maken dat aan hem, in het geval hij zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de perioden in geding (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden zou zijn verstrekt (zie in gelijke zin de uitspraak van de Raad van 3 mei 2011, LJN: BQ4873).

4.12. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij subsidiair aanspraak heeft gemaakt op bijstand naar de norm voor gehuwden en dat verweerder hiermee ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

4.13. Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat eisers zouden hebben afgezien van dergelijke aanspraken omdat zij tegenover de handhavingsmedewerkers hebben verklaard dat zij geen bijstand wensen te ontvangen naar de norm voor gehuwden, kan niet standhouden. Hetgeen eisers hebben verklaard tegenover de medewerkers van verweerder heeft immers plaatsgevonden in de context van en ten tijde van het huisbezoek waarbij eisers ervan uit gingen dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden. Uit de verklaringen kan dan ook niet worden geconcludeerd dat eiser uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk heeft afgezien van toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden.

4.14. Verweerder heeft het voorgaande niet onderkend bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om de teveel aan eiser verstrekte bijstand terug te vorderen. Gelet op het standpunt van eiser en de omstandigheid dat de financiële situatie van eiser en eiseres bekend is, is het aan verweerder om te bezien tot welk bedrag eiser samen met eiseres aanspraak had kunnen maken en tot welk bedrag ten onrechte bijstand is verleend. De rechtbank zal het beroep van eiser voor zover gericht tegen de terugvordering dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit II vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.15. De rechtbank ziet gelet op het hiervoor vastgestelde gebrek in het bestreden besluit II geen mogelijkheid tot finale geschillenbeslechting en zal verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij dient verweerder ook te beslissen op het verzoek om schadevergoeding van eiser.

Opschorting

4.16. Met betrekking tot de opschorting van de bijstand van eiser is ter zitting de vraag aan de orde gekomen of eiser bij de beoordeling van zijn beroep procesbelang heeft nu de periode waarin de uitkering is opgeschort is gelegen in de periode waarin zijn uitkering is ingetrokken.

4.17. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser aan het dwangmiddel opschorting gevolg heeft gegeven door zijn verzuim te herstellen en op

1 augustus 2011 op kantoor van verweerder te verschijnen, zoals weergegeven in 1.5, niet kan leiden tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar of beroep tegen de opschorting. Een andere opvatting zou te zeer afbreuk doen aan de effectiviteit van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep. Eiser zou dan immers om een inhoudelijke beslissing op het bezwaar of beroep te kunnen verkrijgen, genoodzaakt zijn om de hem geboden herstelmogelijkheid ongebruikt te laten en daarmee zijn recht op bijstand op het spel te zetten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het processueel belang niet is komen te vervallen (zie ook de uitspraak van de Raad van

4 november 2008, LJN: BG4603).

4.18. Eiser heeft aangevoerd dat de door verweerder in de oproepingsbrief van

25 juli 2011 genoemde termijn om de volgende dag op kantoor van verweerder te verschijnen onredelijk kort is.

4.19. Op grond van de gedingstukken staat vast dat een handhavingsmedewerker van verweerder op 25 juli 2011 omstreeks 13.15 uur een bezoek heeft gebracht aan het huisadres van eiser. Omdat er niet werd gereageerd op aanbellen, heeft de handhavingsmedewerker een oproepingsbrief in de brievenbus van de woning achtergelaten waarin eiser wordt opgeroepen om op 26 juli 2011 om 13.30 uur op kantoor van verweerder te verschijnen. Eiser is niet verschenen op deze oproep. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit I de bijstand van eiser opgeschort en tevens eiser opnieuw opgeroepen om op

1 augustus 2011 op kantoor van verweerder te verschijnen. Eiser heeft aan deze oproep gehoor gegeven.

4.20. De rechtbank stelt vast dat bij verweerder bekend was dat eiser een volle brievenbus had. Dit is immers, zoals hiervoor onder 1.2 is vermeld, geconstateerd door een medewerker van Werkplein Zuid/Oud-West van DWI en doorgegeven aan de dienst Handhaving. De rechtbank stelt vast dat dit ook het geval was toen de handhavingsmedewerkers hebben geprobeerd een eerste huisbezoek bij eiser af te leggen op 25 juli 2011. In het rapport van bevindingen van 2 augustus 2011 wordt namelijk vermeld dat de handhavingsmedewerker de oproepingsbrief van 25 juli 2011 in de brievenbus van eiser heeft moeten duwen omdat deze vol was. Voorts staat vast dat bij verweerder bekend was dat eiser niet vaak in zijn woning verbleef. Dit heeft eiser immers zelf verklaard aan de handhavingsmedewerker tijdens het in 1.2. genoemde telefoongesprek. Ten slotte heeft eiser, daarnaar gevraagd ter zitting, verklaard dat hij de envelop met daarin de oproepingsbrief van 25 juli 2011 niet vóór het gesprek op 26 juli 2011 in handen heeft gehad.

4.21. Geoordeeld wordt dat onder deze omstandigheden niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen dat eiser, gelet op de zeer korte hersteltermijn, op de hoogte was of kon zijn om aan de in de brief van 25 juli 2011 vervatte oproep om bij verweerder te verschijnen gehoor te geven. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de rechtbank niet ten nadele van eiser uitwerken in die zin dat hem wordt tegengeworpen dat hij de hersteltermijn verwijtbaar ongebruikt heeft laten verstrijken (zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Raad van 5 juni 2007, LJN: BA7275). Dit betekent dat verweerder niet op deze grondslag de bijstandsuitkering op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB heeft mogen opschorten. Deze beroepsgrond slaagt dan ook.

4.22. De rechtbank zal het beroep van eiser voor zover gericht tegen de opschorting dan ook gegrond verklaren. Het bestreden besluit II komt wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Awb ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Nu aan het primaire besluit I hetzelfde gebrek kleeft en herstel niet mogelijk is, zal de rechtbank het primaire besluit I herroepen.

4.23. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 874,00 in bezwaar (één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het verschijnen ter hoorzitting) en € 874,00 in beroep (één punt voor het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat eiser heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, dient verweerder deze kosten te voldoen aan de griffier. Verweerder dient tevens het door eiser betaalde griffierecht van € 41,00 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I ongegrond;

- wijst het verzoek van eiseres om schadevergoeding af;

- verklaart het beroep van eiser tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij de bijstandsuitkering van eiser wordt teruggevorderd en opgeschort;

- herroept het primaire besluit I van 26 juli 2011;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van beroep van eiser tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB