Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8554

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
AWB 12-303 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De toename van arbeidsongeschiktheid na datum in geding valt buiten de omvang van de herbeoordeling. Berekening verdiencapaciteit. De proceskosten in bezwaar worden niet vergoed indien de wijziging van het besluit op bezwaar niet leidt tot een wijziging van het rechtsgevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/303 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. N.W.F.M Wohlgemuth Kitslaar,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. R.M.H. Rokebrand.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 20 april 2011 verlaagd naar 53%.

Bij besluit van 27 september 2011 (het primaire besluit II) heeft verweerder het primaire besluit I herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres opnieuw met ingang van 20 april 2011 verlaagd naar 53%.

Bij besluit van 14 december 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 20 april 2011 is verlaagd naar 53%, dat de hoogte van haar loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) hierdoor niet wijzigt en dat zij na 28 december 2011 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2. Bij het primaire besluit II heeft verweerder een aan het primaire besluit I gelijkluidend besluit genomen, met de aanvulling dat de inkomenseis voor de WGA-loonaanvullingsuitkering voor eiseres pas geldt vanaf 24 maanden na 20 april 2011 en dat de resterende verdiencapaciteit wordt vastgesteld op € 1.464,66.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, na de herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 70,78% en de verdiencapaciteit op € 919,59 en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

2. Juridisch kader

2.1. Ingevolge artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is hij, die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

2.2. Ingevolge artikel 60, derde lid, van de WIA geldt voor een verzekerde die op de dag dat recht op een WGA-uitkering ontstond slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% van het maatmaninkomen te verdienen, geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende verdiencapaciteit gedurende een periode van 24 kalendermaanden hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur is geweest. Overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de WIA heeft eiseres gedurende die periode aanspraak op een loonaanvullingsuitkering ter hoogte van de loongerelateerdeuitkering zoals bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder b, van de WIA.

2.3. In artikel 2 van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 is bepaald dat de resterende verdiencapaciteit als volgt wordt berekend:

1. Is de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbeid, dan wordt het mediane uurloon vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de maatgevende arbeid.

2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid als volgt vastgesteld:

a. De urenomvang wordt per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies.

b. Vervolgens wordt van de drie bij de schatting gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang aangehouden.

3. Is betrokkene op medische gronden minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar, dan wordt het eerste lid pas toegepast nadat het mediane uurloon overeenkomstig artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is gemaximeerd op het maatmaninkomen per uur.

2.4. In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Ter zitting is door verweerder bevestigd dat het primaire besluit II in de plaats is getreden van het primaire besluit I. Het primaire besluit I is hierbij ingetrokken. Eiseres heeft naar aanleiding van deze mededeling ter zitting haar beroep, tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit I, ingetrokken.

3.2. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de behandeling van de psycholoog ten volle in zijn herbeoordeling had moeten meenemen en met herbeoordeling had moeten wachten tot er duidelijkheid bestond over de medische problemen van eiseres.

3.3. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het systeem van de WIA volgt dat er bij de herbeoordeling in bezwaar dient te worden gekeken naar de medische situatie op de datum in geding, in dit geval 20 april 2011. De bezwaarverzekeringsarts dient bij deze herbeoordeling te kijken naar alle medische informatie die op de datum van de herbeoordeling bekend was over de medische situatie op de datum in geding. Alle medische gegevens van eiseres na de datum in geding, waaronder ook informatie over een eventuele toename van arbeidsongeschiktheid, hoeft de bezwaarverzekeringsarts niet in zijn herbeoordeling mee te nemen en valt daarom buiten de omvang van de herbeoordeling. Indien en voor zover eiseres meent dat zij na 20 april 2011 meer arbeidsongeschikt is geworden, kan zij afzonderlijk van dit geschil, om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid verzoeken. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat er, ongeveer 3 maanden, voor het einde van de uitlooptermijn van 24 kalendermaanden een herbeoordeling zal plaatsvinden om vast te stellen of de resterende verdiencapaciteit van eiseres gedurende de 24 kalendermaanden hoger is geweest dan 20% van haar maatmaninkomen per uur. Een eventuele toename van de arbeidsongeschiktheid kan ook dan aan de orde komen. Aan de hand van deze vaststelling zal het soort en de hoogte van de uitkering worden vastgesteld. De beroepsgrond onder 3.2. slaagt dan ook niet.

3.4. Eiseres heeft verder als beroepsgrond aangevoerd dat uit de overgelegde verklaringen van de behandelend sector blijkt dat zij niet in staat is om te re-integreren en dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader onderzoek te doen naar haar psychische problematiek.

3.5. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts alle beschikbare informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts, ondanks dat de behandeling bij de psycholoog na de datum in geding is gestart, ook de brief van de behandelend psycholoog heeft meegenomen en aan de hand daarvan preventief beperkingen heeft aangenomen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze beperkingen aangenomen omdat de psycholoog heeft vastgesteld dat er sprake is van chronische stress. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat op grond van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het uitgevoerde medische onderzoek. Tevens zijn er van de zijde van eiseres geen nieuwe medische stukken in het geding gebracht die een ander licht werpen op de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerder een onjuiste afweging van de bestaande informatie heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de resultaten van het onderzoek ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit.

3.6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de verdiencapaciteit op € 480 per maand had moeten vaststellen. Gelet op artikel 2 van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 heeft verweerder de verdiencapaciteit naar het oordeel van de rechtbank op de juiste wijze berekend. Immers, de bezwaararbeidsdeskundige heeft de resterende verdiencapaciteit, volgens het systeem van artikel 2 van de Beleidsregel uurloonschatting 2008, berekend: het mediane uurloon vermenigvuldigd met - de laagste urenomvang van de schatting gedeeld door de urenomvang van de maatgevende arbeid- . De verdiencapaciteit op basis van het mediane uurloon komt voort uit het mediane uurloon van € 10,57 bij een arbeidsomvang van 20 uur per week. Waarbij de resterende verdiencapaciteit per maand wordt berekend door:

€ 10,57 x 20 uur x 52,2 weken : 12 maanden = € 919,95 per maand. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

Proceskosten in bezwaar

3.7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat na de herbeoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid is bijgesteld van 53% naar 70,78% en de resterende verdiencapaciteit is bijgesteld van € 1.464,66 naar € 919,59, waardoor verweerder gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres. Verweerder heeft derhalve ten onrechte besloten dat de bezwaren ongegrond waren en heeft ten onrechte geweigerd de proceskosten in bezwaar te vergoeden, aldus eiseres.

3.8. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 10 februari 2012 (zie LJN: BV6637) en van 21 april 2010 (zie LJN: BM1917), op het standpunt gesteld dat de proceskosten in bezwaar niet vergoed hoeven te worden, omdat het primaire besluit II door de aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid niet is herroepen zoals bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is vastgesteld op 35-80% en dat de wijziging de eerste 24 kalendermaanden geen gevolgen heeft voor de vorm, inhoud of duur van de loonaanvullingsuitkering. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat de wijziging van de verdiencapaciteit deel uitmaakt van de motivering van het besluit en dus geen rechtsgevolgen heeft.

3.9. De rechtbank is van oordeel dat van “herroepen” in de zin van artikel 7:15 van de Awb slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2006 (zie LJN: AY8044). In het geval van eiseres was het primaire besluit gericht op de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% naar

35-80%. In bezwaar heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage en de resterende verdiencapaciteit gewijzigd. Nu de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage geen gevolg heeft voor de arbeidsongeschiktheidscategorie en de resterende verdiencapaciteit geen zelfstandig deelbesluit is (zie de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, LJN BJ7053), heeft verweerder in het besluit op bezwaar enkel de aan het primaire besluit II ten grondslag gelegde motivering gewijzigd. Het bestreden besluit strekt echter nog steeds tot verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% naar 35-80%. Nu er geen sprake is van een ander rechtsgevolg, is herroeping van het primaire besluit II niet aan de orde en heeft verweerder het verzoek om proceskosten in bezwaar op goede gronden geweigerd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door L.C. Bachrach, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. van Douwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB