Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
AWB 11-2814 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koppelingswet. Weigering kinderbijslag aan derdelander die niet rechtmatig in Nederland verblijft en van wie het kind de Nederlandse nationaliteit heeft. Beroep op de arresten Ruiz Zambrano en Dereci slaagt niet. De weigering kinderbijslag toe te kennen heeft niet tot gevolg dat het kind feitelijk wordt verplicht Nederland of de EU te verlaten. Geen schending bepalingen EVRM en IVRK. Evenmin recht op kinderbijslag op grond van uitspraak CRvB 15 juli 2011, nu niet is voldaan aan alle door de CRvB gestelde voorwaarden om tot doorbreking van het koppelingsbeginsel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2814 AKW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb),

verweerder,

gemachtigden J.Y. van den Berg en mr. G.J. Oudenes.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen.

Bij besluit van 6 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld op 22 augustus 2011. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Bij de beslissing tot schorsing heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij behoort tot de door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in rechtsoverweging 4.13 van de uitspraak van 15 juli 2011 (LJN BR1905) bedoelde groep van personen.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer op 15 februari 2012. De zaak is behandeld gelijktijdig met de zaken, geregistreerd onder de procedurenummers AWB 11/158 AKW, AWB 11/3428 AKW, AWB 11/1854 WWB,

AWB 11/5083 WWB, AWB 11/2308 WWB en AWB 12/1539 WWB. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, bijgestaan door prof. [A]. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres, geboren [1988], heeft de [buitenlandse] dan wel [buitenlandse] nationaliteit.

1.2. Zij verblijft sinds maart 2003 in Nederland.

1.3. Een verzoek van eiseres om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ is afgewezen.

1.4. Eiseres heeft twee kinderen, [B], geboren [2004], en [C], geboren [2010]. [B] verblijft in een pleeggezin. Hij ontvangt bijzondere bijstand. De voogdij over [B] berust bij de Stichting Nidos. [C] heeft sinds 13 oktober 2010 de Nederlandse nationaliteit. Zij ontvangt een bijstandsuitkering, bestaande uit een zogenoemde ‘baby-uitkering’.

1.5. De vader van [C] is [D]. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit.

1.6. Eiseres en [C] beschikken over opvang in een huis van instelling Cordaan in Amsterdam.

1.7. De aanvraag kinderbijslag betreft de periode van het vierde kwartaal van 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2011.

2. wettelijk kader

2.1. Bij de beoordeling van het beroep van eiseres is de volgende regelgeving van belang.

2.1.1. Artikel 6, tweede lid, van de AKW

Op grond van dit artikellid is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 niet verzekerd overeenkomstig de AKW.

2.1.2. Artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, welk artikel –voor zover hier relevant- luidt als volgt:

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

3. standpunten partijen

3.1. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op kinderbijslag. Hiertoe heeft zij een beroep gedaan op het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) en artikel 8 juncto 14 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar de mening van eiseres staat het belang van het kind voorop. [C] mag niet anders worden behandeld dan kinderen met Nederlandse ouders en haar komt op grond van het IVRK bijzondere bescherming toe. Tevens heeft eiseres een beroep gedaan op het arrest Ruiz Zambrano van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011 (te vinden op http://curia.europa.eu, onder zaaknummer C-34/09). De kinderbijslag is essentieel voor de dochter van eiseres om het effectieve genot te hebben van de aan haar status van unieburger ontleende rechten, aldus eiseres.

In reactie op het in de schorsingsbeslissing neergelegde verzoek van de rechtbank heeft eiseres gegevens verstrekt omtrent de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning. Eiseres heeft hierbij voorts gewezen op de volgende omstandigheden. Eiseres verblijft, met medeweten van de autoriteiten, zeer langdurig in Nederland. Eiseres heeft geen band met een ander land. Haar band met Nederland is permanent en niet doorbreekbaar. De Staat heeft welbewust een zorgplicht ten opzichte van de kinderen van eiseres op zich genomen. Eiseres valt dan ook onder de kring van personen waarop de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 betrekking heeft.

3.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, nader toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag. Hiertoe heeft verweerder het volgende overwogen. In dit geval is artikel 6, tweede lid, van de AKW, het zogenoemde koppelingsbeginsel, van toepassing. Eiseres heeft geen geldige verblijfstitel in de in geding zijnde kwartalen. Het beroep op artikel 14 van het EVRM slaagt niet, gelet op de uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AB2276. Van schending van artikel 8 van het EVRM is geen sprake. Dit artikel behelst geen verplichting om kinderbijslag te verstrekken. Artikel 27 van het IVRK is niet eenieder verbindende bepaling, aldus verweerder. Voor zover dat wel het geval is, leidt het artikel er niet toe dat kinderbijslag moet worden verstrekt, nu een recht daarop niet aan het kind zelf toekomt. Naar de CRvB in diverse uitspraken (onder meer de uitspraak van 24 januari 2006, LJN AV0197) heeft geoordeeld, heeft artikel 2 van het IVRK wel rechtstreekse werking. In de genoemde uitspraak van 24 januari 2006 heeft de CRvB in het kader van artikel 16, tweede lid, van de WWB van belang geacht dat voor betrokkenen geen enkel ander bestaansmiddel voorhanden was dan bijstand. Kinderbijslag heeft niet het karakter van een bodemvoorziening. Voorts wordt, anders dan bij bijstandsverlening het geval kan zijn, (het recht op) kinderbijslag niet aan het kind zelf toegekend. Verder wijst verweerder op het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK. Er is dan ook geen sprake van schending van een IVRK-bepaling. Verweerder is ten slotte van mening dat toetsing van een aanvraag of een besluit aan het arrest Ruiz Zambrano primair dient plaats te vinden bij de vaststelling van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het is niet aan de Svb om met een besluit over kinderbijslag (impliciet) een beslissing te nemen over het verblijfsrecht, aldus verweerder.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat het geschil het recht op kinderbijslag betreft gedurende het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011.

4.2. Niet is in geschil dat eiseres op grond van de nationaalrechtelijke bepalingen in de AKW dan wel de bepalingen in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Staatsblad 1998, 746) niet geldt als verzekerd ingevolge de AKW.

4.3. De rechtbank zal hierna op de afzonderlijke beroepsgronden ingaan.

Het beroep op het arrest Ruiz Zambrano

4.4. In het arrest Ruiz Zambrano heeft het Hof het volgende voor recht verklaard:

“Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen.”

4.5. In het nadien gewezen arrest van het Hof in de zaak Dereci, C-256/11, gewezen op 15 november 2011 (hierna het arrest Dereci, te vinden op http://curia.europa.eu) heeft het Hof een nadere uitleg gegeven van het arrest Ruiz Zambrano. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van belangrijkste aan de status van unieburger ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.

4.6. De rechtbank overweegt dat uit de arresten Ruiz Zambrano en Dereci niet een rechtstreeks verblijfsrecht voor de betrokken derdelander, ouder van een unieburger, voortvloeit.

4.7. De vraag die moet worden beantwoord is of eiseres aan deze rechtspraak een aanspraak op kinderbijslag kan ontlenen. Meer toegespitst op het door het Hof geformuleerde criterium is de vraag of het besluit van verweerder tot weigering van kinderbijslag ertoe leidt dat [C] feitelijk zal worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.

4.8. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende. [C] heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is burger van de unie en kan zich derhalve op de bij die status behorende rechten beroepen. Eiseres is derdelander. De rechtbank acht van belang dat [C] een bijstandsuitkering heeft. Tevens wordt voorzien in opvang en onderdak van eiseres en [C]. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in het standpunt dat de kinderbijslag nodig is om in het levensonderhoud te voorzien. Voorts kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat de vader van [C] de Nederlandse nationaliteit heeft en dat niet kan worden uitgesloten dat hij een bijdrage kan leveren in de verzorging en opvoeding van [C]. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het niet toekennen aan eiseres van kinderbijslag tot gevolg heeft dat [C] feitelijk wordt verplicht het grondgebied van Nederland of van de Unie als geheel te verlaten.

Het beroep op het IVRK

4.9. Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 27 van het IVRK. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2010, LJN BN2492) komt aan artikel 27 van het IVRK geen rechtstreekse werking toe. Voor zover eiseres tevens een beroep heeft willen doen op artikel 26 van het IVRK, is van belang dat Nederland bij dit artikel een voorbehoud heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres aan deze artikelen geen recht op kinderbijslag ontlenen.

Het beroep op artikel 8 en 14 EVRM

4.10. Eiseres heeft in het kader van het beroep op artikel 8 en 14 van het EVRM het volgende aangevoerd. Het privéleven van [C] dient eenzelfde bescherming te krijgen als het privéleven van andere Nederlandse kinderen. Dat recht is niet gewaarborgd als haar een bijdrage in de opvoeding wordt onthouden.

4.11. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) valt af te leiden dat het EVRM geen verplichting voor de staten bevat om te voorzien in een bepaalde uitkering. Indien een staat echter ervoor kiest om daarin te voorzien of om een sociaal voordeel toe te kennen, moet bij de toekenning daarvan worden voldaan aan alle verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien, waaronder de non-discriminatiebepaling neergelegd in artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

4.12. De CRvB heeft in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 15 juli 2011 geoordeeld dat van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake is en het onderscheid naar nationaliteit (en verblijfstatus) verenigbaar is met artikel 14 van het EVRM.

4.13. De CRvB heeft evenwel in deze uitspraak ook geoordeeld dat gelet op de uit het IVRK en het EVRM voortvloeiende zorgplicht van de staat ten aanzien van kinderen die op zijn grondgebied verblijven onder bepaalde omstandigheden de algemene uitsluiting van het recht op kinderbijslag op grond van het ontbreken van een verblijfsstatus niet een evenredig middel is om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken. Het gaat daarbij om ouders met hun kind(eren), die voor de overheid kenbaar, al langere tijd in Nederland verblijven, waarvan in ieder geval een zekere tijd rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, g of h van de Vw 2000 (hierna: procedureel rechtmatig verblijf), en die bovendien ten tijde in geding rechtmatig verblijf hadden. De Raad stoelde dit oordeel mede op de arresten van de Hoge Raad over ingezetenschap van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285).

4.14. Naar het oordeel van de rechtbank levert de door eiseres verstrekte informatie onvoldoende aanknopingspunten op voor het oordeel dat eiseres aan alle in de uitspraak van 15 juli 2011 genoemde voorwaarden voldoet. Eiseres heeft vanaf haar binnenkomst in Nederland gedurende een bepaalde periode, met medeweten van de nationale autoriteiten, in Nederland verbleven. Mogelijk (dit is door eiseres gesteld maar kan uit de gedingstukken niet worden opgemaakt) heeft zij als alleenstaande minderjarige asielzoeker beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Sinds de afloop daarvan heeft eiseres nimmer rechtmatig verblijf gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of l, van de Vw2000. Van procedureel rechtmatig verblijf in de kwartalen in geding is niet gebleken. In het geval van eiseres is sprake van een verblijfsduur in Nederland die aanmerkelijk korter is dan die van de personen wier situatie in de uitspraak van 15 juli 2011 is beoordeeld. Naar ter zitting door verweerder is toegelicht – en door gemachtigde van eiseres, die ook als gemachtigde betrokken was bij de in de uitspraak van 15 juli 2011 behandelde zaken, niet is weersproken - was in die laatste gevallen sprake van een verblijfsduur van meer dan tien jaar, welke duur mede tot het aannemen van ingezetenschap heeft geleid.

Conclusie

4.15. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep is ongegrond.

4.16. Gelet op de ongegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank geen aanleiding om het namens eiseres gedane verzoek om schadevergoeding, daargelaten dat dit niet kon worden geconcretiseerd, toe te wijzen. Dit verzoek wordt afgewezen.

4.17. Voorts bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter,

mrs. J.H.M. van de Ven en H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van

mrs. J.A. Lammertink en S. Leijen-Westra, griffiers.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.

de eerstgenoemde griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.