Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8485

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2308 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de uitspraken van de CRvB van 9 en 22 november 2011 is bijstandsverlening aan niet met een Nederlander gelijkgestelde vreemdelingen categorisch uitgesloten. Beroep op de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 slaagt niet. Deze uitspraak ziet niet op de toepassing van de WWB, maar op een oordeel over een verzoek om verlening van kinderbijslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2308 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. W.G. Fischer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 januari 2011 een bijstandsuitkering toegekend. Eiseres heeft op 28 februari 2011 bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij als alleenstaande wordt aangemerkt en niet als alleenstaande ouder.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting op 15 juni 2011 geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld te onderzoeken of de aanvraag van 26 september 2011 in het dossier aanwezig is en te onderzoeken of er voor eiseres een recht op aanvullende bijstand kan bestaan over de periode van 26 juli 2010 tot 3 januari 2011 op basis van de jurisprudentie inzake kwetsbaarheid en het gelijkheidsbeginsel. Ook heeft de rechter verweerder in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over het recht van eiseres op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder over de periode van 3 januari 2011 tot 24 januari 2011.

Verweerder heeft bij brief van 12 augustus 2011 gereageerd. Eiseres heeft daarop bij brief van 1 oktober 2011 een reactie aan de rechtbank gezonden. Bij beslissing van 9 december 2011 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 15 februari 2012 gelijktijdig met de zaken met procedurenummers AWB 11/158 AKW, AWB 11/2814 AKW, AWB 11/3428 AKW, AWB 11/1854 WWB, AWB 11/5083 WWB en AWB 12/1539 WWB. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde bijgestaan door prof. [A]. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres, die de [buitenlandse] nationaliteit heeft, verblijft in Nederland met haar drie minderjarige kinderen, [B], geboren [2002], [C], geboren [2004] en [D], geboren [2007].

1.2. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf hier te lande als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking als bedoeld in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Mensenhandel). Bij besluit van

1 september 2010 is eiseres per 10 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb).

1.3. Bij besluit van 13 oktober 2010 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 verleend met ingang van 22 september 2010 onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire 2000, hoofdstuk B9.

1.4. Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van

3 januari 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande toegekend. Tegen de toekenning naar de norm van een alleenstaande heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij wenst een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder te ontvangen.

1.5. Bij besluiten van 27 januari 2011 is aan [B] en [C] met ingang van 24 januari 2011 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij ouder, mevrouw [eiseres] toegekend.

1.6. Bij besluit van 4 april 2011 heeft verweerder de norm van de bijstand met ingang van 27 januari 2011 gewijzigd naar een uitkering voor een alleenstaande ouder.

1.7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de ingangsdatum van de uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder gewijzigd in 24 januari 2011.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres over de periode van 3 januari 2011 tot 23 januari 2011 niet in aanmerking komt voor bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder omdat haar kinderen per 24 januari 2011 een verblijfsvergunning hebben gekregen. Voor die tijd ontving eiseres een financiële toelage van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) zodat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg staat.

2.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er nog drie aanvragen voor bijstand zijn die maken dat de uitkering met ingang van een datum gelegen vóór 3 januari 2011 zou moeten ingaan te weten de aanvragen van 26 juli 2010, 26 september 2010 en 4 december 2010. Voorts wenst zij vanaf die datum een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder te ontvangen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat vanaf het moment dat er verblijfsrecht bestaat, zij met haar kinderen gelijk hoort te worden behandeld als anderen die hier te lande rechtmatig verblijven. Eiseres doet in haar aanvullende gronden een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 juli 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BR1905. Op de gemeente rust de verplichting om haar te helpen met ingang van de datum aanvraag, aldus eiseres.

3. Wettelijk kader

3.1. In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In het tweede lid is bepaald dat met een Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt, de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

In het derde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur (amvb) andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde, voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, en zij aan de in die amvb gestelde voorwaarden voldoen.

3.2. In artikel 16, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van de paragraaf bijstand kan verlenen, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres met ingang 22 september 2010 beschikt over een verblijfsvergunning. De rechtbank constateert verder dat de kinderen van eiseres met ingang van 24 januari 2011 een verblijfsvergunning hebben verkregen.

4.2. In geschil is de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiseres en de voor haar geldende norm.

Ingangsdatum uitkering

4.3. Voor zover eiseres heeft betoogd dat de ingangsdatum van de uitkering 26 juli 2010 dient te zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de aanvraag om bijstand van 26 juli 2010 afgewezen bij besluit van 4 augustus 2010. Deze rechtbank heeft in dit verband op 2 mei 2011 uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard (AWB 10/5798 WWB). Deze aanvraag kan in deze zaak dan ook geen rol meer spelen. Voor het standpunt van eiseres zoals ter zitting naar voren gebracht dat er, naast de aanvraag voor bijzondere bijstand op 26 juli 2010 ook nog een aanvraag om algemene bijstand is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De rechtbank acht hierbij van belang dat een schriftelijk afschrift van deze aanvraag om algemene bijstand in het dossier ontbreekt. Daarbij is deze aanvraag ook bij verweerder niet bekend. Voorts wijst de rechtbank erop dat de gemachtigde van eiseres in de aanvraag van 26 september 2010 slechts één aanvraag van 26 juli 2010 noemt, waarop volgens de gemachtigde is beslist bij besluit van 4 augustus 2010. De rechtbank overweegt tenslotte dat het op de weg van eiseres had gelegen om op een eerder moment dan eerst in beroep van 3 mei 2011 bij verweerder te rappelleren, wanneer zij meende dat ten onrechte nog geen beslissing was genomen op haar aanvraag van 26 juli 2010.

4.4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat op de aanvraag van

26 september 2010 ten onrechte nog niet is beslist. De gemachtigde heeft daarbij vermeld dat in beginsel geen beletsel bestaat voor bijstandsverlening aan eiseres met ingang van

26 september 2010. De rechtbank begrijpt deze verklaring aldus dat verweerder niet meer achter de motivering van het bestreden besluit staat. De rechtbank zal dit besluit dan ook vernietigen en het beroep gegrond verklaren. Nu nog onduidelijkheid bestaat over de duur van de aanspraak van eiseres op een uitkering op grond van de Rvb ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Deze regeling vormt immers een aan de verlening van bijstand voorliggende voorziening. Verweerder zal een nieuwe beslissing dienen te nemen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

4.5 In het licht van het voorgaande behoeft de aanvraag van 4 december 2010 - wat daar ook van zij - naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer.

Norm uitkering

4.6 In geschil is of eiseres voorafgaand aan 24 januari 2011, de datum waarop aan in ieder geval twee van haar kinderen een vergunning tot verblijf is verleend, een uitkering diende te krijgen volgens de norm van een alleenstaande ouder. Niet in geschil is dat zij daar op grond van artikel 11 van de WWB geen recht op heeft. Aan de orde is of eiseres in verband met de kwetsbare positie van haar en haar kinderen toch in aanmerking komt voor een hogere uitkering.

4.7. In het licht van de uitspraken van de CRvB van 9 november 2011 en 22 november

2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummers BU4382 en BU6844) kan de vraag of eiseres en haar kinderen zijn aan te merken als kwetsbare personen die op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bijzondere bescherming genieten, in het kader van de WWB in het midden worden gelaten. De CRvB heeft in die uitspraken geoordeeld dat met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, thans tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen ook indien sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven.

Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.

4.8. De rechtbank begrijpt deze uitspraken aldus dat de bijstandsverlening aan niet met een Nederlander gelijkgestelde vreemdelingen categorisch is uitgesloten. Voor het standpunt van eiseres ter zitting dat deze uitspraken niet zien op de gevallen waarin een beroep wordt gedaan op artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM ziet de rechtbank geen aanknopingspunt in de genoemde uitspraken. Daarbij ligt deze lezing naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand nu op artikel 14 van het EVRM niet zelfstandig beroep kan worden gedaan.

4.9. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 overweegt de rechtbank dat deze uitspraak niet ziet op de toepassing van de WWB, maar op een oordeel over een verzoek om verlening van kinderbijslag. Ook dit beroep kan eiseres dus niet baten.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet al eerder dan 24 januari 2011 in aanmerking kwam voor een uitkering volgens de norm van alleenstaande ouder.

Conclusie

4.11. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte kan standhouden. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuwe beslissing dienen te nemen op de bezwaren van eiseres.

4.12. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 1311,- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting x € 437,- x wegingsfactor 1). Verweerder zal tevens het door eiseres gestorte griffierecht dienen te vergoeden.

4.13. Namens eiseres is verzocht om vergoeding van geleden schade. Nu dit verzoek om schadevergoeding in het geheel niet is onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1311,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ten bedrage van € 41,- aan eiseres vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J Tijselink, voorzitter,

mrs. H.B. van Gijn en J.H.M. van de Ven, leden, in aanwezigheid van

mrs. J.A. Lammertink en S. Leijen-Westra, griffiers.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.

de laatstgenoemde griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB