Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
515921 - KG ZA 12-583
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen opheffing voorarrest op verzoek van eiser, eerlijk proces.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2012/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 515921 / KG ZA 12-583 SR/EB

Vonnis in kort geding van 8 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

gedetineerd in [locatie] te [plaats],

eiser bij dagvaarding van 8 mei 2012,

advocaat mr. J.P. Plasman te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Staat worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 30 mei 2012 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en De Staat tevens een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting was [eiser] met mr. Plasman aanwezig en, aan de zijde van De Staat, mr. B. Wind, officier van justitie in het Passage-proces, met mr. Veldhuis.

2. De feiten

2.1. Op 3 augustus 2006 is [eiser] aangehouden en vervolgens in voorarrest genomen in verband met verdenking van – kort gezegd – het medeplegen van de moord op Thomas van der Bijl. De voorlopige hechtenis is tot nu toe telkens verlengd.

2.2. De strafzaak terzake de moord op Van der Bijl heeft de zaaksnaam “[zaak 1]”. In september 2008 is [eiser] nog voor drie andere feiten gedagvaard, te weten voorbereidingshandelingen voor de moord op [A] (zaaksdossier “[zaak 2]”), voorbereidingshandelingen voor de moord op [B] (zaaksdossier “[zaak 3]”) en verdenking van deelname aan een criminele organisatie.

2.3. Op 25 juni 2008 heeft het Openbaar Ministerie in de [zaak 1]-zaak gevorderd dat de zaak van [eiser] zou worden afgesplitst van de zaken van vier van de overige [zaak 1]-verdachten om te worden gevoegd bij het Passage-proces, waarin elf verdachten terechtstaan in verband met een serie liquidaties in de Amsterdamse onderwereld. Onder voorzitterschap van mr. D. van den Brink heeft de rechtbank Amsterdam (hierna ook: de rechtbank) de vordering tot afsplitsing afgewezen. Het proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2008 luidt, voor zover van belang:

“(…)

De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

(…)

De vrees voor vooringenomenheid van de rechtbank is overigens ongegrond, omdat de inhoudelijke behandeling van de afgesplitste [zaak 1]-zaken door een andere combinatie dan de huidige zal worden gedaan.

(…)”

2.4. Op de zitting van 9 oktober 2008 in de zaak [zaak 1] heeft de rechtbank onder voorzitterschap van mr. F.C. Lauwaars op herhaalde vordering van het Openbaar Ministerie de zaak [eiser] alsnog afgesplitst van [zaak 1] en gevoegd bij het Passage-proces.

2.5. Op 9 oktober 2008 is een door [eiser] gedaan verzoek tot opheffing van zijn voorlopige hechtenis afgewezen door de rechtbank Amsterdam. Op 27 november 2008 heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep daartegen eveneens afgewezen.

2.6. In de strafzaken van de overige [zaak 1]-verdachten is op 27 oktober 2008 vonnis gewezen. Het vonnis tegen verdachte [C] luidt, voor zover relevant:

“(…) Verdachte heeft verklaard dat [eiser] begin of half januari 2006 met verdachte langs café De Hallen in Amsterdam reed en aan verdachte vroeg of hij in staat zou zijn om iemand te vermoorden. (…) Verdachte heeft verklaard dat [eiser] hem heeft verteld dat de te liquideren persoon de eigenaar van café De Hallen betrof. Volgens verdachte was [eiser] dus de opdrachtgever van de moord op Van der Bijl.

(…)

Ook houdt de rechtbank ten gunste van verdachte rekening met de omstandigheid dat (…) verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn rol bij het delict en de bij het delict betrokken personen. (…)”

2.7. De inhoudelijke behandeling van het Passage-proces is aangevangen op

9 februari 2009 ten overstaan van de rechtbank Amsterdam, onder voorzitterschap van mr. Lauwaars. Mr. Lauwaars verving mr. Van den Brink, die het proces tot dat moment had voorgezeten. Naar de huidige verwachting zal in het Passage-proces uitspraak worden gedaan eind 2012, begin 2013.

2.8. Op 10 februari 2009 heeft [eiser] een verzoek tot wraking van mr. Lauwaars ingediend, op de grond – samengevat weergegeven – dat mr. Lauwaars betrokken is geweest bij de veroordelingen van de medeverdachten in de [zaak 1]-zaak, welke zaak zag op hetzelfde feitencomplex als waarop een groot deel van de telastelegging tegen [eiser] in de Passage-zaak is gebaseerd. Bij beschikking van 10 februari 2009 is dit verzoek afgewezen.

2.9. Op 8 juli 2010 heeft de rechtbank Amsterdam een nieuw verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van [eiser] eveneens afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 12 oktober 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking luidt, voor zover van belang:

“(…) Hoewel het hof ziet dat de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak inmiddels bijzonder lang duurt, is het van oordeel dat gegeven de huidige wettelijke bepaling (artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, vzr.) alleen de wetgever een verruiming van de beroepsmogelijkheden tot stand kan brengen. De tekst van deze bepaling laat immers geen ruimte voor een uitleg als door de raadsman bepleit. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, kort gezegd, De Staat op straffe van een dwangsom te gebieden hem binnen drie dagen na betekening van dit vonnis in vrijheid te stellen, met veroordeling van De Staat in de proceskosten.

3.2. Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag, samengevat weergegeven, primair dat zijn detentie onrechtmatig is omdat hij al bijna zes jaar in voorarrest zit zonder dat hij nog mogelijkheden heeft om de beslissingen tot verlenging van zijn voorarrest in hoger beroep te laten toetsen.

Subsidiair voert [eiser] aan dat bij hem de objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat de voorzitter van de rechtbank in het Passage-proces vooringenomen tegenover hem staat en dat hij daardoor geen eerlijk proces krijgt. Ook meent hij dat de strafkamer in het Passage-proces bevooroordeeld is, nu deze kamer al zes jaar zijn voorarrest heeft verlengd. [eiser] is ervan overtuigd dat in het te zijner tijd in te stellen hoger beroep in zijn strafzaak zal worden geoordeeld dat het proces jegens hem niet eerlijk is geweest en daarom nietig is en dat hij in vrijheid zal worden gesteld. Volgens [eiser] zal de conclusie dan zijn dat zijn voorlopige hechtenis onrechtmatig is geweest. [eiser] stelt belang te hebben bij een voorlopig voorziening die nu reeds een einde maakt aan het onrechtmatige voorarrest.

3.3. De Staat voert verweer, waarop voor zover van belang hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden – buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De Staat voert primair als verweer dat [eiser] niet ontvankelijk is, omdat de vraag of de voorlopige hechtenis moet voortduren in het stelsel van strafvordering door de strafrechter dient te worden beantwoord. De mogelijkheid van [eiser] om bij de strafrechter op grond van artikel 69 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een verzoek in te dienen tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, is volgens De Staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die de toegang tot de voorzieningenrechter afsluit.

Dit verweer wordt verworpen. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat zijn voorlopige hechtenis uitzonderlijk lang duurt, inmiddels bijna zes jaar, en dat hij

geen beroepsmogelijkheden meer heeft tegen een verlenging van zijn voorlopige hechtenis, terwijl hij gegronde vrees heeft voor vooringenomenheid van de strafkamer die over zijn voorlopige hechtenis oordeelt, althans van de voorzitter van die kamer. Dit alles levert volgens [eiser] onrechtmatig overheidshandelen op.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] in dit specifieke geval in zijn vordering kan worden ontvangen nu het hier gaat om een uitzonderlijke situatie, waarin een verdachte geen mogelijkheden ziet om binnen het stelsel van strafvordering zijn vrees een oneerlijk proces te krijgen, te laten toetsen door een rechter die hij onpartijdig acht. Het enkele feit dat [eiser] deze vrees heeft, is, de bijzondere omstandigheden in aanmerking genomen, voldoende om hem ontvankelijk te verklaren. Hiermee wordt geen oordeel gegeven over de vraag of deze vrees gerechtvaardigd is.

4.3. [eiser] stelt primair dat het feit dat zijn voorarrest al zes jaar duurt zonder dat hij de mogelijkheid heeft de gerechtvaardigdheid daarvan ter toetsing voor te leggen aan een hogere rechter dan de strafkamer die zijn zaak behandelt, op zichzelf al onrechtmatig is.

[eiser] wordt in dit standpunt niet gevolgd. Het wettelijke systeem brengt mee dat een verdachte beperkte mogelijkheden heeft om van een verlenging van zijn voorlopige hechtenis in hoger beroep te komen. Wel kan de verdachte op grond van artikel 69 Sv op ieder moment aan de rechtbank opheffing van de voorlopige hechtenis vragen. Op deze wijze is gewaarborgd dat een verdachte die zich al geruime tijd in voorlopige hechtenis bevindt, zich tot een rechter kan wenden om het voortduren van zijn voorlopige hechtenis te laten toetsen. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) volgt niet dat een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt de mogelijkheid moet hebben tegen beslissingen over zijn voorlopige hechtenis in hoger beroep te kunnen gaan. Derhalve kan thans niet worden gezegd dat [eiser] een oneerlijk proces krijgt, omdat hij al vele jaren in voorlopige hechtenis zit en dat daarom invrijheidstelling al gerechtvaardigd is. Het voorgaande neemt niet weg dat het aanbeveling verdient dat, in het geval van een voorlopige hechtenis met een duur als die van [eiser], de wetgever de hoger beroepsmogelijkheden uitbreidt. Deze aanbeveling maakt de thans bestaande situatie echter niet zonder meer onrechtmatig. In dat verband is verder nog van belang dat het feit dat [eiser] zo lang onder het zwaardere regime van het huis van bewaring gedetineerd is (geweest), bij een eventuele veroordeling kan worden verdisconteerd in de op te leggen straf.

4.4. [eiser] heeft verder naar voren gebracht dat in zijn geval rekening moet worden gehouden met het feit dat zijn voorlopige hechtenis wordt beoordeeld door een rechter ten aanzien van wie bij [eiser] de objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat deze vooringenomen jegens hem is en dat hij daardoor een oneerlijk proces krijgt. Deze vrees is bij [eiser] ontstaan doordat in de vonnissen in de [zaak 1]-zaak onder voorzitterschap van mr. Lauwaars vergaande uitspraken zijn gedaan over de rol van [eiser] bij de moord op Thomas van der Bijl. Zo wordt in die vonnissen gesproken over “de opdrachtgever”, waarmee – daar zijn partijen het over eens – [eiser] wordt bedoeld. Verder is bij de strafbepaling van medeverdachte [C] in de [zaak 1]-zaak rekening gehouden met de omstandigheid dat [C] volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn rol bij het delict en de bij het delict betrokken personen. Dit wijst er volgens [eiser] op dat voor mr. Lauwaars al vast staat dat [eiser] opdracht tot de moord op Thomas van der Bijl heeft gegeven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat over het feit dat mr. Lauwaars vonnissen in de [zaak 1]-zaak mede heeft gewezen, al door de wrakingskamer is beslist. Van deze beslissing van de wrakingskamer staat geen hoger beroep open. Het beoordelen van dat feit door de voorzieningenrechter zou dan ook een verkapt hoger beroep betekenen, hetgeen in het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet is toegestaan. Overigens is de voorzieningenrechter met De Staat van oordeel dat uit het feit dat de rechtbank in de [zaak 1]-zaak [eiser] als opdrachtgever heeft genoemd, niet zonder meer volgt dat de rechtbank in de Passage-zaak tot het oordeel zal komen dat [eiser] opdrachtgever van de moord is. In de [zaak 1]-zaak heeft [eiser] immers geen gelegenheid gehad om de geloofwaardigheid van de verklaringen van zijn medeverdachten ter discussie te stellen. Indien [eiser] in de Passage-zaak alsnog de geloofwaardigheid van die verklaringen aanvecht, dient de rechtbank dat bij haar beoordeling te betrekken. Consequentie daarvan zou kunnen zijn dat aan [C] achteraf bezien wellicht ten onrechte strafkorting is gegeven. Niet aannemelijk is echter dat de rechtbank in de Passage-zaak, om die consequentie maar niet te aanvaarden, tegen haar overtuiging zal oordelen dat de verklaringen van de medeverdachten van [eiser] geloofwaardig zijn. Daarbij komt nog dat [eiser] niet uitsluitend door mr. Lauwaars wordt berecht, maar mede door twee andere rechters.

4.5. Verder voert [eiser] aan dat de strafkamer in het Passage-proces bevooroordeeld is en niet langer onbevangen naar zijn dossier kan kijken, omdat deze strafkamer zes jaar voorarrest toelaatbaar heeft geoordeeld. Ook om deze reden meent [eiser] dat hij geen eerlijk proces krijgt en dat zijn voorarrest daarom onrechtmatig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] dit verwijt aan de strafkamer in het Passage-proces nog niet aan de wrakingskamer heeft voorgelegd en dat [eiser] op deze grond een nieuw wrakingsverzoek kan indienen. Derhalve heeft [eiser] nog de mogelijkheid om zijn vrees dat hij een oneerlijk proces krijgt aan de orde te stellen bij een andere kamer dan de kamer die zijn voorarrest tot nu toe heeft verlengd. Onder deze omstandigheden is er thans onvoldoende grond om aan te nemen dat uiteindelijk geoordeeld zal worden dat [eiser] een oneerlijk proces krijgt en dat invrijheidstelling nu reeds gerechtvaardigd is. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van De staat tot op heden begroot op € 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.?