Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7391

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
AWB 12-11 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding door ambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, bij de behandeling van een klacht die jegens eiser was ingediend, onrechtmatig heeft gehandeld. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheids- en betamelijkheidsnormen uit artikel 6:162 van het BW door geen hoor en wederhoor toe te passen, onvoldoende onderzoek naar de klacht te hebben verricht, de collega’s van eiser te hebben geïnformeerd over de klacht en de klacht ten grondslag te hebben gelegd aan een negatieve beoordeling van eiser. In een nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder zich uit te laten over de overige vereisten van artikel 6:162 van het BW, te weten de toerekenbaarheid, de schade, de causaliteit, en voorts het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het BW ten aanzien van de geschonden zorgvuldigheidsnorm(en).

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2013/16

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/11 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.J.M. Scheen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A.A. Boes-Kouwenoord.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 23 december 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten van partijen

1.1. Eiser is werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen in de functie van Kwaliteitsmedewerker Bijzondere Doelgroepen aan het IJsbaanpad te Amsterdam.

1.2. Op 18 november 2010 heeft de teammanager van eiser, de heer [A] (hierna: [A]), een melding van een collega van eiser, mevrouw [B] (hierna: klaagster), ontvangen over het gedrag van eiser. Op 23 november 2010 heeft [A] hierover een gesprek gevoerd met klaagster, in aanwezigheid van de heer [C], adviseur arbeid en organisatie (hierna: [C]). Klaagster heeft in dat gesprek aangegeven dat eiser jegens haar ongewenst gedrag heeft vertoond.

1.3. [A] heeft zijn leidinggevende, ad interim manager bijzondere doelgroepen, de heer [D] (hierna: [D]), over de melding (hierna: de klacht) geïnformeerd. [D] heeft vervolgens met klaagster gesproken.

1.4. Op 20 december 2010 hebben [D] en eiser, in aanwezigheid van [A], een gesprek gevoerd over de klacht. [D] heeft eiser in dat gesprek opdracht gegeven met het ongewenste gedrag onmiddellijk te stoppen en eiser verboden om, vooralsnog, contact te hebben met klaagster.

1.5. Bij brief van 27 december 2010 heeft [D] de inhoud van het gesprek van 20 december 2010 vastgelegd. In de brief heeft [D] tevens aan eiser aangegeven dat de brief moet worden opgevat als een laatste waarschuwing en dat bij herhaling van genoemd gedrag hij niet zal aarzelen om de directie te verzoeken om disciplinaire maatregelen te nemen.

1.6. Bij brief van 29 december 2010 heeft eiser [D] verzocht om de berisping en de laatste waarschuwing in te trekken. Hij heeft daarbij onder meer aangegeven dat er bij de afhandeling van de klacht ten onrechte geen wederhoor is toegepast en dat het zwaartepunt is gelegd bij enkele eenzijdige belastende verklaringen van klaagster. Volgens eiser is niet ingegaan op de vraag of deze verklaringen wel waar zijn en daarom is het contactverbod onheus en beschadigend. Een contactverbod, berisping op het gedrag en de laatste waarschuwing zonder wederhoor lijken hem in strijd met de elementaire normen voor behandeling van personen. Tot slot heeft eiser aangegeven dat hij bereid is om de feiten te (laten) onderzoeken en dat hij een onderzoek met vertrouwen tegemoet ziet.

1.7. Bij brief van 29 december 2010 heeft eiser de directeur van de Dienst Werk en Inkomen, mevrouw [E] (hierna: [E]), gevraagd aan te geven op welke wijze de klacht behandeld gaat worden. Tevens heeft hij haar verzocht de brief van [D] van 27 december 2010 en de daarin vervatte berisping op zijn gedrag in te trekken. Hij heeft verder vermeld dat de overige drie teamleden in zijn bijzijn door [A] zijn geïnformeerd over de klacht. Tevens heeft hij aangegeven dat de brief van 27 december 2010 een laatste waarschuwing bevat, maar dat hij niet eerder is gewaarschuwd en dus niet eerder in gebreke is geweest. Vervolgens heeft hij zijn visie op de inhoud van het gesprek op 20 december 2010 weergegeven. Zijn kant van het verhaal en het verhaal van zijn collega’s is niet gehoord. Tot slot heeft eiser aangegeven dat hij bereid is om de feiten te (laten) onderzoeken en dat hij een onderzoek met vertrouwen tegemoet ziet.

1.8. Bij brief van 6 januari 2011 heeft [D], mede namens [E], gereageerd op de brieven van eiser van 29 december 2010. Hij heeft het verzoek van eiser om de brief van 27 december 2010 in te trekken afgewezen en aangegeven dat, nu eiser niet eerder is gewaarschuwd, de aanduiding ‘laatste’ in ‘een laatste waarschuwing’ als niet geschreven moet worden beschouwd. [D] heeft in de brief opgemerkt dat het een mondelinge klacht betreft en dat, nu geen sprake is van een schriftelijke klacht, de procedure van hoofdstuk 19 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) niet gevolgd hoeft te worden. Er wordt volstaan met het doen van een melding bij de Interne Accountantsdienst (IAD) en daar wordt gekeken of er mogelijk sprake is van een integriteitsschending, aldus [D], en daarover zal op korte termijn waarschijnlijk duidelijkheid zijn.

1.9. Bij brief van 12 januari 2011 heeft eiser de Directie Juridische Zaken van verweerder verzocht om de brief van 27 december 2010 van [D] in te trekken en op zijn verzoek om intrekking een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen. Eiser heeft van de brief een kopie aan [E] en [D] gestuurd.

1.10. Bij brief van 16 februari 2011 heeft [D] aan de secretaris van de bezwaaradviescommissie, naar aanleiding van het bezwaar van eiser van 12 januari 2011, zijn visie op de gang van zaken weergegeven. Hij heeft daarin aangegeven dat hij, nadat hij in november 2010 door [A] was geïnformeerd over de klacht, uitgebreid met klaagster heeft gesproken en dat hij daarna heeft overlegd met mevrouw [F] van bedrijfsmaatschappelijk werk, met [A] en met [C]. Gezamenlijk zijn zij tot de conclusie gekomen dat de klacht zeer serieus genomen moesten worden, aldus [D], en heeft hij eiser geconfronteerd met de klacht in het gesprek op 20 december 2010.

1.11. Bij brief van 18 februari 2011 heeft klaagster haar klacht op schrift gesteld.

1.12. Bij brief van 23 februari 2011 heeft eiser nogmaals aan [D] gevraagd hoe de klacht afgehandeld zal worden. Hij heeft ook aangegeven dat niet duidelijk is gemaakt wat er precies wordt onderzocht, en dat de procedure van hoofdstuk 19 van de NRGA gevolgd zou kunnen worden.

1.13. Bij brief van 28 februari 2011 heeft [D] aan eiser laten weten dat klaagster niet van plan is om een klacht in te dienen conform de procedure uit hoofdstuk 19 van de NRGA. Met de aan eiser verstuurde waarschuwingsbrief van 27 december 2010 beschouwt klaagster persoonlijk de zaak als afgehandeld, aldus [D]. Vervolgens heeft hij opgemerkt dat hij vanuit goed werkgeverschap heeft besloten deze kwestie als afgedaan te beschouwen en dat dit betekent dat er geen onderzoek plaats zal vinden door de IAD.

1.14. Bij brief van 4 maart 2011 heeft eiser [E] verzocht om een reactie – op korte termijn - op zijn brief van 23 februari 2011. Hij heeft in zijn brief onder andere het volgende aangegeven: “Er zijn helaas ook tot op heden geen structuren binnen DWI waarbinnen ondergetekende eventueel met hulp van zijn collega’s ter invulling van het verweer op de klacht gehoor kon vinden. Het wordt aan u als directielid, op grond van de Arbo-wet en goed werkgeverschap, overgelaten of u de bovenstaande gebeurtenissen binnen DWI gepast acht.” Verder heeft eiser aandacht gevraagd voor de instructie over vorming van het personeelsdossier en verwezen naar het kopje beoordelingen, ‘afspraken en strafoplegging’, waar staat vermeld dat schriftelijke waarschuwingen niet in het kerndossier worden bewaard en de wettelijke bewaartermijn 10 jaar na uitdiensttreding is. Eiser heeft vervolgens de vraag gesteld waar de correspondentie met een waarschuwing, nu die niet in het kerndossier wordt bewaard, dan wel wordt bewaard en wie bevoegd zijn tot inzage.

1.15. Tijdens de hoorzitting die op 15 maart 2011 is gehouden in het kader van de bezwaarprocedure over de brieven van 27 december 2011 en 6 januari 2011 van [D] aan eiser, heeft eiser, zo blijkt uit het verslag, kenbaar gemaakt dat de geloofwaardigheid van de klacht jegens hem onderzocht had kunnen worden en dat hij van mening is dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn kant van de zaak naar voren te brengen. Uit het verslag blijkt tevens dat zowel eiser als [D] openstaan voor een gesprek, waarbij eiser heeft opgemerkt dat hij het graag via een onafhankelijke commissie zou willen afhandelen.

1.16. Bij brief van 18 april 2011 heeft [D] eiser meegedeeld dat het contactverbod met klaagster niet langer geldt, maar dat eventuele contacten uitsluitend een zakelijk doel dienen te hebben.

1.17. Bij brief van 3 mei heeft eiser een verzoek om schadevergoeding ingediend bij verweerder, omdat het handelen van de werkgever kan worden aangemerkt als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke verplichting of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dan wel enig ander algemeen rechtsbeginsel. De onrechtmatigheid van het handelen is volgens eiser gelegen in het niet onderzoeken van de klacht, de waarschuwing en het contactverbod, een op onderdelen negatieve beoordeling, de lange tijd van onzekerheid, de klacht zonder zijn zienswijze versturen naar de commissie en de klacht eerst ter inzage doen laten toekomen bij stukken van het verweer van de werkgever op het bezwaarschrift, het laat en niet op datum beantwoorden van brieven, het niet aanwezig zijn van een structuur binnen DWI voor het mogen geven van een zienswijze op een klacht, en de negatieve dossieropbouw van het personeelsdossier met niet onderzochte documenten. Eiser verzoekt tevens om een vergoeding voor schade wegens verstoring van zijn rust op het werk en privé, het aangedane leed en aantasting van goede naam en eer. Eiser heeft het bedrag van de schadevergoeding begroot op €1000,00 en verzoekt tevens om compensatie voor de verlofuren die hij heeft opgenomen om zich te laten adviseren in het geschil rond de klacht.

1.18. Bij het primaire besluit heeft verweerder, nadat [E] op 11 juli 2011 een gesprek met eiser heeft gevoerd over zijn verzoek, het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met enige regelgeving en dat verweerder geen onrechtmatige handelingen tegenover eiser heeft verricht. De klacht is wel degelijk onderzocht en op informele wijze behandeld, aldus verweerder. Verweerder heeft oplossingsgericht gehandeld en klaagster overgeplaatst naar een ander kantoor. Daarvan heeft eiser geen nadeel, aldus verweerder. Bovendien is er geen sprake van zodanig ernstig geestelijk letsel dat een financiële vergoeding zou moeten worden gegeven. Nu klaagster niet voor een formele klachtbehandeling heeft gekozen, en dus de procedure uit hoofdstuk 19 van de NRGA niet is gevolgd, heeft verweerder gekozen voor een informele afhandeling. Dat betekent ook dat er geen uitgebreid onderzoek (door externen) is uitgevoerd, maar een korte vorm van hoor-wederhoor is toegepast door de leidinggevende van eiser, tijdens het gesprek op 20 december 2010.

1.19. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de Bezwaarschriftencommissie, het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder geen wettelijke verplichting heeft geschonden, nu geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 19.1 van de NRGA en het bestuursorgaan bovendien de vrijheid toekomt, indien een klacht wordt ingediend, te trachten deze op informele wijze op te lossen. Ook is niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 6:163 van het BW nu het te ver gaat om te oordelen dat de klachtenregeling tevens strekt ter bescherming van de schade die eiser zegt te hebben geleden. De – niet onderbouwde – schade had eiser immers misschien ook geleden indien de klachtenregeling wel was gevolgd. Verweerder heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld en komt dus niet toe aan de vraag of sprake is van toerekenbaarheid, schade en causaliteit. Tevens heeft verweerder voldoende zorgvuldig gehandeld ten aanzien van de melding bij de IAD. Eiser is op juiste wijze en tijdig geïnformeerd over de stand van zaken, aldus verweerder. Eiser is op 20 december 2010 in de gelegenheid gesteld mondeling te reageren op de klacht en vervolgens is er uitvoerig gecorrespondeerd over de situatie. De normen van zorgvuldigheid zijn ook op dat punt in acht genomen, aldus verweerder.

1.20. Eiser heeft in beroep aangevoerd – kort weergegeven – dat verweerder bij de afhandeling van de klacht niet heeft voldaan aan de plicht om niet vooringenomen of partijdig te handelen, en dat verweerder niet voldoende onderzoek naar de klacht heeft gedaan, en niet heeft voldaan aan de verplichting om ook de belangen van de beklaagde werknemer te beschermen. Er is daarbij sprake geweest van handelen of nalaten in strijd met een wettelijke verplichting, met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor, en rechtszekerheid die ook aan eiser toekomt. Er waren, anders dan waartoe een goed werkgever verplicht is, geen structuren waarbinnen eiser gehoor kon vinden voor zijn verweer tegen de klacht. Het vertrouwen in eiser is als gevolg van de klacht verloren. Eiser heeft aangevoerd dat hij daardoor schade geleden, zowel materiële als immateriële schade. De geëiste vergoeding voor immateriële schade als gevolg van onder andere gezondheidsklachten en aantasting van de goede naam en eer bedraagt €1000. Voor de reiskosten die eiser heeft gemaakt in verband met juridisch advies heeft eiser € 75 geëist.

Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn verzoek om compensatie van verlofuren intrekt.

1.21. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat geen sprake is van handelen in strijd met een wettelijke plicht en ook niet van handelen in strijd met de andere elementen van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2. Inhoudelijke beoordeling

2.1 De rechtbank stelt voorop dat, nu sprake is van een verzoek om schadevergoeding door een ambtenaar wegens feitelijk handelen van verweerder, het besluit van verweerder op dat verzoek aangemerkt kan worden als een zelfstandig schadebesluit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het handelen van verweerder bij de afhandeling van de klacht van eiser als schadeveroorzakend kan worden aangemerkt. Voor het antwoord op die vraag moet worden getoetst of is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6:162 en 6:163 van het BW.

2.2. In artikel 6:162 van het BW is in het eerste lid bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2.3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de wijze waarop de klacht jegens eiser is behandeld als onrechtmatig handelen door verweerder is aan te merken in de zin van artikel 6:162 van het BW. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van strijd met zowel een wettelijke plicht als met een aantal zorgvuldigheidsnormen.

2.4. De rechtbank overweegt dat, conform het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 9 november 2011, verweerder niet verplicht was hoofdstuk 19 van de NRGA toe te passen, nu klaagster geen schriftelijke klacht, als bedoeld in artikel 19.1 van de NRGA, heeft ingediend. De rechtbank acht aannemelijk dat klaagster met het op schrift stellen van de klacht in februari 2011 niet heeft bedoeld een formele klacht in te dienen, maar dat zij de klacht alleen op schrift heeft gesteld ten behoeve van de behandeling van het bezwaarschrift van eiser van 12 januari 2011. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder door het niet toepassen van de klachtenregeling uit hoofdstuk 19 van de NRGA niet in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht.

2.5. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het handelen van verweerder bij de afhandeling van de klacht als onrechtmatig kan worden aangemerkt, omdat dat handelen in strijd is met de betamelijkheids- of zorgvuldigheidsnormen, zoals bedoeld in artikel 6:162, tweede lid van het BW. Verweerder gaat hier in het bestreden besluit aan voorbij. Alle handelingen die verweerder heeft verricht naar aanleiding van de klacht, zoals af te leiden uit de overwegingen 1.2 tot en met 1.16, leiden de rechtbank tot de conclusie dat verweerder aan eiser onvoldoende gelegenheid en structuur heeft geboden voor het toepassen van hoor en wederhoor. Dat hoofdstuk 19 van de NRGA niet gevolgd hoefde te worden, betekent niet dat verweerder niet gehouden was de klacht, die voor eiser diffamerend werkt en pijnlijk is, op zorgvuldige wijze af te handelen. Dat verweerder voor een informele wijze heeft gekozen, neemt niet weg dat verweerder ook dan aan eiser voldoende gelegenheid had moeten bieden om zijn kant van het verhaal te doen. Eiser heeft zijn visie op de inhoud van de klacht (ten overstaan van anderen) alleen tijdens het gesprek op 20 december 2010 kunnen geven. Op dit gesprek was hij echter niet voorbereid, want hij is, zoals [D] heeft aangegeven, tijdens dat gesprek voor de eerste keer geconfronteerd met de klacht. Anders dan verweerder stelt, heeft hiermee geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Dit is des te meer een gemis, daar in dit gesprek direct de maatregel van contactverbod is opgelegd, en eiser naar aanleiding van het gesprek een waarschuwing heeft gekregen, met alle gevolgen van dien.

Verder blijkt uit het samenstel van handelingen dat verweerder heeft verricht naar aanleiding van de klacht, dat verweerder de klacht ook verder, naast het feit dat eiser niet is gehoord, niet voldoende heeft onderzocht. Niet is gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de visie en ervaring van teamgenoten met wie zowel klaagster als eiser nauw samenwerkten. Tevens ontbreken gegevens van de bedrijfsmaatschappelijk werkster over klaagster, waardoor geen goed zicht is op de emotionele stabiliteit van klaagster en de waarde die aan haar verklaringen kan worden toegekend. Niet is gebleken of en hoe verweerder deze gegevens heeft betrokken bij de afhandeling van de klacht. De klacht was aanvankelijk naar de IAD doorgestuurd ter behandeling, maar uit het bestreden besluit blijkt dat de IAD de klacht niet in behandeling heeft gehad en ter zake dus ook geen onderzoek heeft gedaan. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan naar de inhoud van de klacht.

2.6. Dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheidsnormen heeft gehandeld blijkt voorts uit de door verweerder onweersproken stelling van eiser dat zijn directe collega’s zijn geïnformeerd over de klacht. Met de schadelijke gevolgen die dit voor de reputatie van eiser zou kunnen hebben en de negatieve invloed die dit op de werksituatie zou kunnen hebben, heeft verweerder daarbij geen rekening gehouden. Tot slot heeft verweerder de twee brieven aan eiser (die van 27 december 2010 en 6 januari 2011) waarin de waarschuwing is verwoord en die volgens verweerder geen rechtsgevolg hebben, wel in het personeelsdossier gevoegd. Deze brieven hebben vervolgens als grondslag gediend voor een negatieve beoordeling van eiser. Over deze negatieve beoordeling van eiser heeft deze rechtbank in haar uitspraak van 15 december 2011 geoordeeld dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beoordeling van eiser op voldoende gronden berust. In het kader van de voorliggende zaak, acht de rechtbank het onzorgvuldig jegens eiser dat de klacht, die niet voldoende is onderzocht en die wel aan collega’s bekend is gemaakt, - deels – aan die beoordeling ten grondslag is gelegd.

2.7. Gelet op hetgeen in 2.5 en 2.6 is overwogen, is de rechtbank van oordeel, dat verweerder bij de behandeling van de klacht onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van een rechtvaardigingsgrond, zoals bedoeld in artikel 6:162, tweede lid, van het BW.

2.8. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder zich nog niet heeft uitgelaten over overige vereisten van artikel 6:162 van het BW, te weten de toerekenbaarheid, de schade, de causaliteit, en voorts het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het BW ten aanzien van de geschonden zorgvuldigheidsnorm(en). De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van – in het bijzonder de overwegingen 2.5, 2.6 en 2.7 van – deze uitspraak. In het nieuwe besluit zal verweerder zich tevens uit moeten laten over de toerekenbaarheid, de schade, de causaliteit, en het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 van het BW ten aanzien van de geschonden zorgvuldigheidsnorm. De rechtbank voegt hieraan toe dat verweerder -als althans tot de conclusie wordt gekomen dat aan de overige vereisten van artikel 162 en 163 van het BW is voldaan- , alvorens een nieuwe beslissing te nemen, bij eiser nadere gegevens dient op te vragen ter onderbouwing van de gestelde schade.

2.9. Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke met toepassing ven het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 874 (een punt voor het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting, € 437 per punt, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 302 (zegge: driehonderd en twee euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874 (zegge: achthonderd vierenzeventig), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Breimer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB