Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7279

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2166 BELEI
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ1246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder NWO wijst een verzoek van eiseres om een Vidi-subsidie af, omdat andere aanvragen hoger hebben gescoord. Indien een onderzoeksvoorstel op grond van het oordeel van terzake deskundige referenten en een eerste beoordeling van het onderzoeksvoorstel door de gebiedsoverschrijdende(GO)-commissie in eerste instantie op plaats 3 van de prioriteringslijst terecht komt en vervolgens na beoordeling door de GO-commissie, na het plaatsvinden van een presentatie, (sterk) daalt naar plaats 9, is nadere motivering van het oordeel aangewezen, zeker wanneer dat oordeel (op onderdelen) strijdig is met het referentenoordeel. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om naar aanleiding van het gemaakte bezwaar nader onderzoek te doen naar de achterliggende motivering van het oordeel van de GO-commissie, bijvoorbeeld door de leden van de GO-commissie opnieuw bijeen te roepen en nader te bevragen, dan wel door de voorzitter en de secretaris van de GO-commissie om nadere onderbouwing van het oordeel te verzoeken. Door dit na te laten heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en tevens onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2166 BELEI

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B. Eskes,

en

het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO),

verweerder,

gemachtigde mr. L.J.M. van der Valk.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om subsidie voor haar onderzoeksvoorstel ‘Patient intellectuals. An inquiry into patient knowledge’ afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 23 december 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder ter zitting aanwezig [A].

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Verweerder verstrekt subsidies in het kader van het programma Vernieuwingsimpuls. Dit programma bevat op diverse wetenschapsgebieden drie subsidievormen: Veni, Vidi en Vici. De subsidieprocedure bestaat uit twee fasen: een gebiedsfase en een domeinfase. In de gebiedsfase worden kort samengevat alle aanvragen op een bepaald gebied op kwaliteit beoordeeld en geprioriteerd, waarna verweerder de voor dat gebied beschikbare plaatsen toewijst aan de als hoogste geprioriteerde aanvragen. In de domeinfase wordt door elk gebied een beperkt aantal van de resterende aanvragen ingebracht in een gebiedsoverschrijdende vergelijking, waarna verweerder beslist over de toekenning aan de beste kandidaten uit de domeinfase.

1.2 Eiseres is werkzaam als onderzoeker bij het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Op 9 februari 2010 heeft zij bij het NWO-onderdeel “Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen en Ontwikkelingslanden” (WOTRO) een gebiedsoverschrijdende aanvraag voor een Vidi-subsidie ingediend voor het onderzoeksvoorstel getiteld ‘Patient intellectuals. An inquiry into patient knowledge’.

1.3 De aanvraag van eiseres is beoordeeld door drie referenten. Eiseres heeft op deze beoordelingen gereageerd. De Gebiedsoverschrijdende Vidi Commissie (hierna: GO-commissie) van het NWO heeft in een vergadering van 8 juli 2010, op basis van de aanvraag, de referentenoordelen en de reacties van de aanvragers hierop, 37 aanvragen in de categorie gebiedsoverschrijdend geprioriteerd. De GO-commissie heeft eiseres op plaats 3 van de voorlopige prioriteringslijst geplaatst met een score van 2,21. In het oordeel van de GO-commissie is, kort weergegeven, onder meer vermeld dat het onderzoeksvoorstel erg interessant, relevant en innovatief is en dat de commissie voor het interview nog vragen heeft over de exacte rol van de promovendi in het project. Eiseres is vervolgens, evenals de zeventien overige kandidaten met de beste prioritering, uitgenodigd voor een interview. De interviews met de aanvragers hebben plaatsgevonden op 30 en 31 augustus 2010. Van deze interviews zijn geen opnames of transcripten gemaakt.

1.4 De GO-commissie heeft de aanvragen en de interviews besproken in een vergadering van 30 en 31 augustus 2010. Eiseres is op plaats 9 van de definitieve prioriteringslijst geplaatst met een eindscore van 3,05. Het voorstel van eiseres komt daardoor niet rechtsreeks in aanmerking voor subsidie. Het gebiedsbestuur NWO-WOTRO heeft het oordeel van de GO-commissie overgenomen en verweerder geadviseerd het voorstel van eiseres te prioriteren op plaats 9. Verweerder heeft het advies gevolgd en het voorstel van eiseres voorgedragen aan het domeinpanel Vidi Alfa Gamma.

1.5 Het domeinpanel Vidi Alfa Gamma heeft in een vergadering van 22 oktober 2010 negentien voorstellen met elkaar vergeleken. Er zijn negen subsidiabele plaatsen beschikbaar. Het domeinpanel heeft de aanvraag van eiseres na vergelijking geprioriteerd op plaats 11 en verweerder dienovereenkomstig geadviseerd. Verweerder heeft het advies overgenomen en de aanvraag daarmee niet gehonoreerd.

1.6 Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft bij het primaire besluit het oordeel van de GO-commissie zoals totstandgekomen na het interview meegezonden. Hierin is onder meer vermeld dat eiseres in de presentatie tijdens het interview minder overtuigend is dan in het voorstel, dat het onderzoeksvoorstel erg interessant, innovatief en relevant is, maar dat het voorstel kentheoretisch beter kan worden onderbouwd. Verschillende begrippen worden niet voldoende geconceptualiseerd. De aio’s worden slechts beperkt betrokken bij de theorievorming, aldus het oordeel.

1.7 De commissie beroep- en bezwaarschriften NWO heeft, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit, bij advies van 18 februari 2011 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, kort samengevat omdat zonder transcript van het interview met de GO-commissie niet valt te achterhalen wie gelijk heeft. Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten dit advies niet over te nemen en is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft navraag laten doen bij de leden van de GO-commissie om te achterhalen wat in het interview aanleiding gaf voor de feitelijke uitkomst van de procedure. Vijf leden hebben hierop gereageerd. Verweerder heeft hun geanonimiseerde verklaringen bij het bestreden besluit gevoegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee het ontbreken van een transcript van het interview met de GO-commissie voldoende is ondervangen.

1.8 Eiseres heeft het bestreden besluit in beroep gemotiveerd betwist.

1.9 In beroep heeft verweerder de niet-geanonimiseerde verklaringen van de vijf leden van de GO-commissie overgelegd en de rechtbank verzocht toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 14 oktober 2011 heeft de rechtbank, in een andere samenstelling, dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft vervolgens besloten de niet-geanonimiseerde verklaringen niet te overleggen.

2. Juridisch kader

2.1 Ten aanzien van de onderhavige aanvraag is Titel 4.2 (Subsidies) van de Awb van toepassing. Subsidiëring van onderhavig onderzoek in het kader van de Vernieuwingsimpuls Vidi vindt plaats op grond van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Regeling subsidieverlening NWO van januari 2007.

2.2 In de brochure “Vernieuwingsimpuls. Subsidiebrochure 2010” heeft verweerder de achtergronden, het doel en de beoordelingsprocedure van de subsidie beschreven. Uit deze brochure blijkt onder meer dat de Vernieuwingsimpuls zich richt op persoonsgerichte stimulering in verschillende fasen van de carrière van gepromoveerde onderzoekers. De doelgroep voor de Vernieuwingsimpuls bestaat uit excellente onderzoekers met een opvallend en origineel talent en een grote fascinatie voor het doen van uitdagend en grensverleggend onderzoek. Er zijn drie subsidievormen: Veni, Vidi en Vici. De Vidi-subsidie, waarvan in het onderhavige geding sprake is, is gericht op de excellente onderzoeker die na zijn promotie al een aantal jaren onderzoek heeft verricht en daarbij heeft aangetoond vernieuwende ideeën te genereren en succesvol zelfstandig tot ontwikkeling te kunnen brengen. De selectie vindt volgens de Subsidiebrochure plaats op basis van drie criteria: (1) kwaliteit van de onderzoeker, (2) kwaliteit, innovatief karakter en wetenschappelijke impact van het onderzoeksvoorstel en (3) kennisbenutting.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een subsidie in het kader van de Vernieuwingsimpuls beleidsvrijheid toekomt. Dat betekent dat de rechter de aanwending daarvan terughoudend dient te toetsen. Slechts indien moet worden geoordeeld dat het algemeen bestuur niet in redelijkheid tot voormeld besluit heeft kunnen komen, dan wel dat het besluit is genomen in strijd met de wet of in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, is plaats voor vernietiging van dat besluit. Hieruit vloeit voort dat de rechter wel de zorgvuldigheid van de gevolgde selectieprocedure in zijn oordeel dient te betrekken (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2009, LJN: BH3950).

3.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres de beroepsgrond dat sprake is van (indirecte) discriminatie ter zitting heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond hoeft daarom geen bespreking meer.

3.3.1 Eiseres heeft – samengevat weergegeven – gesteld dat de gevolgde procedure bij de behandeling van haar aanvraag onvoldoende transparant is en dat hierdoor het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat het interview met de GO-commissie van doorslaggevende betekenis is geweest voor de afwijzing. De GO-commissie heeft onder meer geoordeeld dat het voorstel kentheoretisch beter kan worden onderbouwd en dat verschillende begrippen niet voldoende worden geconceptualiseerd. Volgens eiseres is dit niet aan de orde gekomen tijdens het interview. Nu verweerder geen bandopnames of transcript kan overleggen van het interview, is niet duidelijk wat tijdens dit interview heeft plaatsgevonden. Dit is niet te ondervangen door de geanonimiseerde verklaringen van de vijf GO-leden achteraf. Niet duidelijk is wat hen is gevraagd en wie wat heeft gezegd. Voorts zijn delen uit de antwoorden weggelaten. Eiseres heeft verder gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Twee van de drie referenten hebben in hun beoordeling aangegeven dat het voorstel “builds on solid theoretical foundations” en dat het “theoretical robust” is. De GO-commissie wijkt hiervan af door te stellen dat het voorstel kentheoretisch beter kan worden onderbouwd. Verweerder heeft weliswaar een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid, maar moet een dergelijke afwijking van een eerder oordeel, waardoor eiseres op de prioriteringslijst daalt van de derde naar de negende plaats, wel beter motiveren. Verweerder heeft dit evenwel niet gedaan, zodat de afwijzing onbegrijpelijk is.

3.3.2 Verweerder betwist – samengevat weergegeven – niet dat het interview met de GO-commissie inderdaad van grote betekenis is geweest voor het oordeel van de GO-commissie. Dit is volgens verweerder ook in lijn met de voorgeschreven procedure. Essentieel is het oordeel van de GO-commissie als zodanig over hetgeen is voorgevallen tijdens het interview. Dit oordeel komt tot stand tijdens de nabespreking van de voorstellen en de interviews, waarbij de verschillende aanvragers met elkaar worden vergeleken. De uitvoering van de gebiedsfase van de selectieprocedure wordt overgelaten aan de NWO-wetenschapsgebieden zelf, die terzake hun eigen beleid mogen volgen. Zij mogen ook zelf bepalen of zij de afgenomen interviews al dan niet opnemen. Bij de GO-commissie is het beleid dat geen opname of transcript van het interview wordt gemaakt. Om na te gaan of het eindoordeel van de GO-commissie, zoals opgenomen in het dossier, werkelijk het oordeel van de leden van de GO-commissie weergeeft, heeft verweerder navraag laten doen bij de leden. Een relevante samenvatting van de geanonimiseerde reacties is bij het bestreden besluit gevoegd en verduidelijkt slechts de motivering. De beoordelingsprocedure is volgens verweerder voldoende transparant en het besluit is voldoende zorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de bij het primaire besluit gegeven motivering in bezwaar is blijven staan. Volgens verweerder is sprake van een deugdelijke motivering van de afwijzing. Deze motivering is, mede gelet op de nadere uitleg in het kader van de bezwaarprocedure, ook voor eiseres, naar objectieve maatstaven gemeten, afdoende begrijpelijk. In bezwaar is namens NWO-WOTRO verweer gevoerd. Volgens verweerder volgt daaruit dat de minder gelukkige conceptualisatie, waarvan pas tijdens het interview bleek, niet kan worden losgezien van het oordeel dat de kentheoretische onderbouwing beter kan. Dit verklaart ook het verschil in perceptie over het al dan niet aan de orde geweest zijn van de kentheorie tijdens het interview.

3.3.3 De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming over subsidieaanvragen in het kader van de Vernieuwingsimpuls geschiedt door verweerder. Verweerder wordt in de gebiedsfase geadviseerd door het gebiedsbestuur, in het onderhavige geval door het bestuur van NWO-WOTRO. Het gebiedsbestuur NWO-WOTRO wordt op zijn beurt geadviseerd door de GO-commissie. In het onderhavige geval heeft het gebiedsbestuur NWO-WOTRO het oordeel van de GO-commissie over het voorstel van eiseres overgenomen en verweerder geadviseerd het voorstel van eiseres te prioriteren op plaats 9. In zijn vergadering van 6 oktober 2010 heeft verweerder besloten dit advies te volgen. Het voorstel van eiseres is vervolgens doorgestuurd naar de domeinfase. In de domeinfase wordt verweerder geadviseerd door een domeinpanel, in het onderhavige geval door het domeinpanel Vidi Alfa Gamma. Dit domeinpanel heeft verweerder geadviseerd het voorstel van eiseres te prioriteren op plaats 11, waardoor de aanvraag van eiseres niet zou worden gehonoreerd. In zijn vergadering van 17 november 2010 heeft verweerder dit advies overgenomen. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres van de afwijzing in kennis gesteld, waarbij ter onderbouwing het oordeel van de GO-commissie is meegestuurd. Naar aanleiding van het door eiseres gemaakte bezwaar en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften heeft verweerder navraag gedaan bij de leden van de GO-commissie. Vijf leden hebben hierop gereageerd.

3.3.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarop de afwijzing van het voorstel van eiseres berust. Daartoe is het volgende redengevend. In het bestreden besluit is het bij het primaire besluit meegestuurde oordeel van de GO-commissie gehandhaafd. Het oordeel van de GO-commissie is naar het oordeel van de rechtbank uiterst summier gemotiveerd. Indien een aanvrager in bezwaar komt tegen een afwijzingsbesluit en daarbij het oordeel van de GO-commissie gemotiveerd betwist, volstaat het niet dit oordeel nader te onderbouwen door middel van geanonimiseerde verklaringen. Dit wringt des te meer nu eiseres heeft aangevoerd dat twee van de afwijzingsgronden, namelijk de kentheoretische onderbouwing en de conceptualisatie van begrippen, niet aan de orde zijn geweest tijdens het interview en verweerder ervoor heeft gekozen geen opname of transcript van het interview te (laten) maken. Daarbij komt dat het oordeel van de GO-commissie over het ontbreken van voldoende kentheoretische onderbouwing niet begrijpelijk is in het licht van het oordeel van de referenten en de prioritering voor het interview. Twee van de drie referenten hebben in hun referentenoordeel het theoretische kader immers juist als sterk punt opgenomen. In het derde referentenoordeel staat over dit punt niets – ook niet in negatieve zin – vermeld. In de referentenoordelen is de conceptualisering verder niet als zwak punt vermeld. In het oordeel van de GO-commissie voorafgaand aan het interview is over de theoretische onderbouwing en de conceptualisatie van begrippen niets gezegd, terwijl in dit oordeel van een ander punt, de exacte rol van promovendi, wel melding is gemaakt. Indien een voorstel op grond van het oordeel van terzake deskundige referenten en een eerste beoordeling van het onderzoeksvoorstel door de GO-commissie in eerste instantie op plaats 3 van de prioriteringslijst terecht komt en vervolgens na beoordeling door de GO-commissie (sterk) daalt naar plaats 9, is nadere motivering van het oordeel aangewezen, zeker wanneer dat oordeel (op onderdelen) strijdig is met het referentenoordeel. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om naar aanleiding van het gemaakte bezwaar nader onderzoek te doen naar de achterliggende motivering van het oordeel van de GO-commissie, bijvoorbeeld door de leden van de GO-commissie opnieuw bijeen te roepen en nader te bevragen, dan wel door de voorzitter en de secretaris van de GO-commissie om nadere onderbouwing van het oordeel te verzoeken. Door dit na te laten heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en tevens onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

3.4 Eiseres heeft verder gesteld dat het lid van de GO-commissie dat tevens was afgevaardigd naar het domeinpanel Vidi Alfa Gamma, vooringenomen is geweest. Dit lid van de GO-commissie heeft het voorstel van eiseres op geen enkele wijze verdedigd in het domeinpanel, terwijl dat volgens eiseres wel zijn taak was. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken in het dossier, waaronder het verslag van het domeinpanel van 22 oktober 2010, niet blijkt van vooringenomenheid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting van 18 november 2011 heeft toegelicht dat leden van de GO-commisie in het domeinpanel niet tot taak hebben een voorstel te verdedigen. Het enkele feit dat het betreffende lid van de GO-commissie zich tijdens het interview kritisch heeft uitgelaten over de relevantie van het onderzoeksvoorstel, zoals eiseres ter zitting van 1 maart 2012 heeft vermeld, maakt niet dat anders wordt geoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

3.5 Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt waarom haar voorstel in de domeinfase zoveel is gezakt op de prioriteringslijst dat het uiteindelijk niet meer in aanmerking kwam voor financiering. Met name is onbegrijpelijk waarom het voorstel van eiseres eindigt op plaats 11, terwijl het als gelijkwaardig aan het voorstel dat op plaats 10 eindigde, werd beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag van het domeinpanel van 22 oktober 2010 blijkt dat de aldaar besproken voorstellen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen, waarna opnieuw een prioritering is aangebracht, waarbij het voorstel van eiseres buiten de subsidiabele voorstellen viel. Niet is gebleken dat deze afweging onzorgvuldig is geweest, dat de uitkomst kennelijk onredelijk is en dat verweerder het advies van het domeinpanel in redelijkheid niet heeft kunnen volgen. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

3.6 Gelet op hetgeen is overwogen bij rechtsoverweging 3.3.4, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheden het geschil finaal te beslechten. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

3.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

3.8 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 1.098,10 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting € 437,-- per punt, wegingsfactor 1, alsmede € 5,60 voor kosten openbaar vervoer eiseres).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1.098,10 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, voorzitter, mrs. L.H. Waller en A.C. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB