Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7260

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
AWB 12-274 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toevoeging voor procedure over vergoeding contra-expertise à € 455 door COA. Verweerder wijkt af van advies Bezwarencommissie, afwijking onvoldoende gemotiveerd. Besluit vernietigd wegens schending art. 7:13 7e lid AWB, rechtsgevolgen in stand gelaten. Belang in de asielprocedure staat niet ter beoordeling. Geen sprake van zwaarwegende belangen of omstandigheden in de zin van artikel 4, zevende lid, van het Brt. Sterke afhankelijkheidsrelatie tot de wederpartij, het COA, onvoldoende aangetoond. Voor de asielprocedure is wel een toevoeging verkregen, daarom leidt onthouden van gesubsidieerde rechtsbijstand door een advocaat in dit geval niet tot kennelijke onrechtvaardigheid of onbillijkheid of het ontbreken van effectieve toegang tot het recht. Voor de procedure tegen het COA is vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/274 WRB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. E. van Kempen,

en

de Raad voor Rechtsbijstand, Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde E.J.W. Reijnders.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 29 december 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 2 april 2012 gevoegd behandeld met de zaken met de nummers AWB 12/270 WRB en AWB 12/273 WRB. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst, zodat afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Op 14 maart 2011 heeft mr. A.M. van Eik namens eiser een toevoeging aangevraagd voor het beroep tegen een besluit van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De zaak waarvoor de toevoeging is aangevraagd ziet op de weigering door het COA de kosten voor een contra-expertise documentenonderzoek ter hoogte van € 455 te vergoeden in de asielzaak van eiser.

1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het op geld waardeerbare belang in kwestie blijft beneden een bedrag van € 500. Evenmin is verweerder gebleken van een voldoende zwaarwegend ander en niet direct op geld waardeerbaar belang dat toevoeging rechtvaardigt.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Bezwarencommissie van 31 augustus 2011, het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder overweegt hiertoe het volgende. Verweerder verwijst naar een uitspraak in een, naar verweerders oordeel, vergelijkbare zaak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011 met procedurenummer AWB 10/5699. Uit deze uitspraak blijkt volgens verweerder dat terecht voor het niet vergoeden van de kosten van een contra-expertise geen toevoeging wordt verleend. Dat het asielverzoek zal worden afgewezen zonder contra-expertise acht de rechtbank volgens verweerder geen zwaarwegend belang. Verweerder overweegt dat het op geld waardeerbaar belang onder het bedrag van € 500 blijft en niet gebleken is van zwaarwegende belangen. De kosten van de rechtsbijstand staan niet in redelijke verhouding tot het belang van de zaak. De Bezwarencommissie heeft in gelijke zin geoordeeld in vergelijkbare zaken en verweerder beoogt een consistentie in de adviezen van de Bezwarencommissie.

1.4. In beroep heeft eiser aangevoerd dat eiser een onbepaald belang heeft. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat hij een zwaarwegend belang heeft. Verder heeft eiser aangevoerd dat het recht op een eerlijk proces, de verplichtingen onder het Unierecht en de beginselen van equality of arms in het gedrang komen, waardoor een effectieve toegang tot het recht niet gewaarborgd wordt. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd (en onzorgvuldig voorbereid) afwijkt van het advies van de Bezwarencommissie.

Wettelijk kader

2.1. Artikel 12, tweede lid onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) bepaalt dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

2.2. Artikel 4, tweede lid van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt) bepaalt dat rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies, als zijnde van onvoldoende belang, niet wordt verleend indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 500. Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid rechtsbijstand of een toevoeging kan worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

Inhoudelijke beoordeling

3.1. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat ten onrechte wordt uitgegaan van een belang dat beneden € 500 blijft, nu eiser een onbepaald belang heeft. Het belang van eiser is namelijk het verblijfsrecht in Nederland dat hij enkel kan verkrijgen door het uitvoeren van een contra-expertise in zijn asielzaak.

3.2. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in de zaak waarvoor eiser een toevoeging heeft gevraagd sprake is van een financieel belang van € 455. De rechtbank overweegt dat de procedure waarvoor een toevoeging is gevraagd, de procedure tegen het COA is. Die procedure ligt hier dan ook voor. In die procedure is de vraag aan de orde of de contra-expertise vergoed moet worden door het COA. Deze contra-expertise is een op geld waardeerbaar belang, namelijk € 455. Het belang dat eiser heeft in de asielprocedure staat hierbij niet ter beoordeling voor het belang van eiser bij de procedure tegen het COA. De wetgever heeft voor de situatie dat het belang van een rechtzoekende het aanwezige financieel belang te boven gaat een hardheidsclausule in de wet opgenomen. Dit betekent dat de vraag naar het belang van eiser beantwoord dient te worden in het licht van artikel 4, tweede lid, van het Brt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4, tweede lid, van het Brt en het belang van eiser in de zaak tegen het COA terecht heeft aangemerkt als een financieel belang van € 455, hetgeen beneden een bedrag van € 500 blijft.

4.1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn verblijfsvergunning afhangt van een contra-expertise en dit verblijfsrecht aan te merken is als een zwaarwegend belang. De contra-expertise is nodig, omdat eiser op geen andere manier aan kan tonen dat zijn asielrelaas geloofwaardig is. De weigering van het COA om de kosten van de contra-expertise te vergoeden heeft volgens eiser een rechtstreeks verband met de asielprocedure. Eiser beschikt niet over voldoende middelen om de contra-expertise zelf te betalen en kan geen bijzondere bijstand aanvragen voor deze kosten. Hij beschikt ook niet over ruimte voor de afweging of hij de kosten al dan niet wenst te maken, omdat de kosten als noodzakelijke kosten zijn aan te merken en het deskundigenbericht alleen met een contra-expertise kan worden bestreden. Door de toevoeging te weigeren is effectieve toegang tot het recht niet gewaarborgd, omdat zonder contra-expertise de asielaanvraag afgewezen zal worden. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de Staat een sterke wederpartij is in de zaak van eiser en de Staat wel geld heeft om een expertise te laten verrichten.

4.2. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 28 april 2011, met procedurenummer AWB 10/5699, waaruit volgens verweerder blijkt dat in een soortgelijk geval geen sprake was van zwaarwegende belangen. Uit de Nota van Toelichting (Staatsblad 2010, 153) blijkt dat toepassing van de hardheidsclausule zo beperkt mogelijk dient te worden gehouden en dat er steeds een afweging dient te worden gemaakt tussen het belang van de regeling en de gevolgen van het handhaven van die regeling voor een individueel geval. Geenszins blijkt volgens verweerder dat de bedoeling van de wetgever is geweest om op basis van artikel 4, zevende lid, van het Brt een categoriale uitzondering voor bepaalde groepen rechtzoekenden de creëren. Eiser kan volgens verweerder bijzondere bijstand aanvragen. In het bestreden besluit heeft verweerder daarnaast overwogen dat niet gebleken is van zwaarwegende belangen. Het gegeven dat eiser door de contra-expertise een positieve beslissing kan krijgen en het onderzoek niet zelf kan betalen maakt volgens verweerder niet dat een toevoeging dient te worden verstrekt. De uitkomst van de zaak tegen het COA ziet op vergoeding van de kosten van de contra-expertise en niet op de asielaanvraag.

4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft zijn financiële situatie niet met gegevens onderbouwd. Daarmee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende middelen beschikt om de kosten van de contra-expertise te dragen. In hoeverre eiser (psychisch) kwetsbaar is, is niet gesteld of anderszins gebleken. Eiser heeft daarnaast onvoldoende aangetoond dat er een sterke afhankelijkheidsrelatie is tot de wederpartij, het COA. Het enkele feit dat de Staat wederpartij is en over geld beschikt om een expertise uit te laten voeren, maakt niet dat gesproken kan worden van een sterke afhankelijkheidsrelatie tot het COA. De rechtbank is verder van oordeel dat, mede in het licht van deze feitelijke vaststellingen, niet is gebleken dat het onthouden van gesubsidieerde rechtsbijstand door een advocaat tot een kennelijke onrechtvaardigheid of onbillijkheid zou leiden in het geval van eiser. De stelling van eiser dat de contra-expertise noodzakelijke kosten zijn doet hier niet aan af. Daarnaast is niet gebleken dat eiser door de weigering van de toevoeging geen effectieve toegang tot het recht heeft gekregen. Eiser heeft immers voor de door hem genoemde asielprocedure wel een toevoeging gekregen. De toegang tot de procedure tegen het COA is ook niet belemmerd, nu bij deze procedure bij de bestuursrechter in beginsel vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich, op grond van het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van zwaarwegende belangen of van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden in de zin van artikel 4, zevende lid, van het Brt in het geval van eiser geen sprake is.

5.1. Eiser heeft verder aangevoerd dat het recht op een eerlijk proces, de verplichtingen onder het Unierecht en de beginselen van equality of arms in het gedrang komen, waardoor een effectieve toegang tot het recht niet gewaarborgd wordt.

5.2. Voor zover eiser met deze beroepsgrond een beroep doet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de rechtbank als volgt. Het recht op toegang tot de rechter mag worden beperkt en dat is niet in strijd met art. 6 EVRM, mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn, zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (RvS) onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen in de uitspraak van 27 januari 2010, LJN:BL0716. Het is, mede met het oog op een financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandverlening, gerechtvaardigd rechtsbijstandkosten voor rekening van de rechtzoekende te laten indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 500, zoals deze rechtbank in de uitspraak van 18 augustus 2011 met procedurenummer AWB 11/1432 heeft overwogen. Het toegepaste beleid van verweerder beperkt op zichzelf niet de toegang tot de rechter, maar leidt enkel tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand in het geval het op geld waardeerbaar belang onder een bedrag van € 500 blijft. Voorts is niet gebleken dat de gevolgen van de afwijzing voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Niet kan worden ingezien dat de afwijzing van verweerder in dit geval onevenredig is. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Aangezien het in dit geval enkel gaat om een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, zijn het recht op een eerlijk proces en de beginselen van equality of arms niet geschonden. Eiser heeft niet onderbouwd aan welke verplichtingen van het Unierecht, anders dan hetgeen hierboven is besproken, verweerder niet heeft voldaan. In de in bezwaar aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie van 4 december 2003, C-63/01, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat eiser op basis van Europese regelgeving recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand in de voorliggende procedure tegen het COA.

6.1. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid afwijkt van het advies van de Bezwarencommissie. De Bezwarencommissie is namelijk wel van mening is dat er in het geval van eiser sprake is van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. In vergelijkbare zaken heeft de Bezwarencommissie volgens eiser hetzelfde geoordeeld als in de onderhavige zaak. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom afgeweken wordt van het advies van de Bezwarencommissie.

6.2. De Bezwarencommissie heeft in haar advies overwogen dat uit hetgeen in het bezwaarschrift en ter zitting naar voren is gebracht, gebleken is dat in dit specifieke geval sprake is van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden die de afgifte van een toevoeging rechtvaardigen.

6.3. Verweerder is van dit advies afgeweken en heeft daarbij overwogen dat niet gebleken is van zwaarwegende belangen. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van 28 april 2011 met procedurenummer 10/5699 WRB van deze rechtbank. Volgens verweerder speelt in de onderhavige zaak dezelfde problematiek als in de genoemde zaak, namelijk bezwaar tegen weigering van de vergoeding van de kosten van een contra-expertise. Volgens verweerder blijkt uit deze uitspraak dat de beroepsgrond dat vanwege de kosten geen contra-expertise kan worden verricht geen zwaarwegend belang is. Verder geeft verweerder, met verwijzing naar de adviezen in de zaken AWB 12/270 WRB en AWB 12/273 WRB, aan dat consistentie in de adviezen van de bezwarencommissie wordt beoogd door verweerder.

6.4. De rechtbank oordeelt als volgt. In het geval dat verweerder afwijkt van het advies van de Bezwarencommissie dient, gelet op het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, deugdelijk te worden gemotiveerd waarom het advies niet wordt gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de overweging, dat niet gebleken is van zwaarwegende belangen, onvoldoende duidelijk maakt wat de reden voor die afwijking is. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het besluit behoort daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:13, zevende lid, van de Awb te worden vernietigd.

6.5. Als een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale geschilbeslechting te onderzoeken. Hierbij is onder meer aan de orde of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

6.6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het zwaarwegende belang als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaarwegende belangen of zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de regeling en de gevolgen van het handhaven van die regeling voor een individueel geval. De rechtbank heeft onvoldoende aannemelijk geacht dat eisers financiële omstandigheden zodanig zijn dat hij het advies niet zelf kan bekostigen, In hoeverre eiser (psychisch) kwetsbaar is, is gesteld noch anderszins gebleken. Eiser heeft daarnaast onvoldoende aangetoond dat er een sterke afhankelijkheidsrelatie is tot de wederpartij, het COA. Uit al deze hierboven in rubriek 4 besproken concrete omstandigheden van het geval van eiser, zijn persoonlijke omstandigheden en de adviezen in de zaken AWB 12/270 WRB en AWB 12/273 WRB tussen partijen over hetzelfde onderwerp, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat toepassing van de regeling in het geval van eiser leidt tot onrechtvaardigheid of onbillijkheid van overwegende aard, waardoor toevoeging van een advocaat zou moeten plaatsvinden. De rechtbank komt tot de slotsom dat onvoldoende blijkt dat er in eisers geval sprake is van een zwaarwegend belang zoals bedoeld in het Brt. Daarmee is er voldoende reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7.1. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zijn begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verweerder zal bovendien het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- dienen te vergoeden.

7.2. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb zich verzet tegen toekenning van de door eiser verzochte proceskostenvergoeding in bezwaar. Immers, in dit artikel is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuurorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, niet onrechtmatig gehandeld. De verbetering van de motivering van het bestreden besluit is geen herroeping, zoals de RvS heeft overwogen in onder andere de uitspraak van 27 april 2005, LJN:AT4739. De kosten voor het bezwaar komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 december 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- .

- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.T. Salden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB