Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
499156 - HA ZA 11-2460
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY6133, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad? Mededelingsplicht jegens bank?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 499156 / HA ZA 11-2460

Vonnis van 9 mei 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MILK STRATEGY & FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MILK PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.J. Meermans te Amsterdam.

Eiseres zal hierna Abn Amro Bank genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk Milk en Milk Participaties genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van 10 juni 2011,

- de akte houdende overlegging producties van Abn Amro Bank,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 16 november 2011 waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2012 met de daarin genoemde en aangehechte stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Milk is een bedrijf dat diensten verleent aan het MKB in de vorm van financieel strategische begeleiding, met als doel de ondernemer en diens organisatie sterker te maken. Zij richt zich daarbij op financieringen, investeringen, fusies en overnames en het beantwoorden van strategische en financiële vraagstukken.

2.2. Vanaf 2009 heeft Milk financieel strategische begeleiding verzorgd voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Compact Opleidingen B.V. (hierna: Compact Opleidingen). Compact Opleidingen hield zich bezig met het verzorgen van beroepsopleidingen in de mobiliteitsbranche. Enig bestuurder en aandeelhouder van Compact Opleidingen was [A] Onroerend Goed B.V. (hierna [A] OG). Enig bestuurder en aandeelhouder van [A] OG was [A] Beheer B.V. (hierna: [A] Beheer). De heer [A] (hierna: [A]) was enig bestuurder en aandeelhouder van [A] Beheer. Tezamen met de vennootschap Compact Personeelsdiensten B.V. (hierna: Compact Personeelsdiensten) worden Compact Opleidingen, [A] OG en [A] Beheer ook wel aangeduid met “de [A] vennootschappen”.

2.3. Eind 2010 heeft Milk aan Compact Opleidingen een bedrag van EUR 210.000,00 geleend. In januari 2011 heeft Milk aan Compact Opleidingen nog eens een bedrag van EUR 139.000,00 geleend.

2.4. Op 10 januari 2011 heeft Milk ter zekerheid van de terugbetaling van haar vorderingen tot een bedrag van EUR 100.000,00 een eerste pandrecht verkregen op de vaste activa en debiteuren van Compact Opleidingen.

2.5. Op 19 januari 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden ten kantore van Abn Amro Bank, naar aanleiding van een eerder gedaan verzoek tot financiering van de [A] vernootschappen. Bij de bespreking waren aanwezig de heer [B], statutair bestuurder van Milk (hierna: [B]), [A] en twee medewerkers van Abn Amro Bank: mevrouw [C] (hierna: [C]) en mevrouw [D] (hierna: [D]). [B] heeft voor de [A] vennootschappen tijdens die bespreking een presentatie aan Abn Amro Bank gegeven. Daarin is, voor zover thans van belang, het volgende aan de orde gekomen:

“(…)

Compact Opleidingen wil graag een rekening courant openen bij ABN Amro ter grootte van EUR 400K

(…)

Voor 2011 gaan wij uit van een groei van rond de 10%.

(…)

2011 kans wie inschrijgingen omzet zeker omzet

100% UWV 455 € 3.184.545,00 3.184.545,00 contract

100% bestaande inschrijvingen 68 € 680.000,00 680.000,00 contract

50% gemeente 200 € 1.000.000,00 500.000,00 op basis van verleden en marktverwachtingen

50% vrije inschrijvingen 350 € 1.942.500,00 971.250,00 op basis van verleden

50% transport 240 € 936.000,00 468.000,00 op basis van verleden en marktverwachtingen

totaal € 7.743.045,00 5.803.795,00

(…)”

2.6. Op 20 januari 2011 heeft [B] een e-mailbericht gestuurd aan [C], waarin, voor zover thans van belang, staat:

“(…)

Zoals beloofd het informatie memorandum. Graag ontvang ik van jou een lijst met alle extra informatie die nodig is voor het verkrijgen van de rekening courant financiering.

(…)”

2.7. Diezelfde dag heeft [C], voor zover thans van belang, als volgt geantwoord:

“(…)

Graag zouden wij het volgende nog ontvangen:

- definitieve cijfers 2009 van alle BV’s

- gegevens hypothecaire leningen Rabobank

- gegevens wagenpark en leasecontracten (dit staat los van de kredietaanvraag)

- recente en gespecificeerde debiteurenlijst

Zodra wij deze gegevens hebben ontvangen, kan ik de kredietaanvraag in behandeling nemen.

(…)”

2.8. Per e-mail van 24 januari 2011 heeft [B] [C] vervolgens als volgt bericht (voor zover thans van belang):

“(…)

Zoals afgesproken verstuur ik hierbij de volgende informatie:

(…)

Verder wil ik nog het volgende vermelden. In de holding zit voor EUR 341k aan lening van de familie. In compact zit EUR 110k aan lening van MILK.

MILK heeft in december nog een 100k geïnvesteerd en heeft de intentie om in januari nog een 150k te investeren. Mocht jij nog vragen hebben bel mij dan gerust.

(…)”

2.9. Op 7 februari 2011 heeft [C] een e-mailbericht gestuurd aan [B], waarin, voor zover thans van belang, het volgende staat:

“(…)

de fiatteur wil toch graag de acjhterstelling van MILK opnemen in onze offerte.

Kan jij die kredietovereenkomst nog mailen, zodat ik hem nog kan toevoegen?

(…)”

2.10. Diezelfde dag heeft [B] als volgt geantwoord:

“Eind 2010 hebben wij EUR 210.000 geleend aan compact en in januari nog een 150.000. hiervan wordt 300.000 omgezet in aandelen (emissie van aandelen). Documentatie ligt bij de notaris. EUR 60.000 blijft een lening. Is het belangrijk dat dit wordt achtergesteld?

2.11. [C] heeft op 9 februari 2011 op haar beurt weer geantwoord:

“Nee, het is in orde zo.

Offerte zal gemaakt worden.”

2.12. Op 22 februari 2011 zijn de [A] vennootschappen als kredietnemer met Abn Amro Bank een kredietovereenkomst aangegaan. Daarin staat, voor zover thans van belang, het volgende:

“(…)

Omvang faciliteit EUR 588.000,00

Samenstelling

Rekening-courant krediet EUR 400.000,00

5-jarige lening EUR 188.000,00

(…)

Zekerheden en verklaringen

- Krediethypotheek van EUR 200.000,00 in hoofdsom, (…).

- Hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van de heer [A], (…).

- Hoofdelijke aansprakelijkheid van alle onder 1 vermelde partijen (de [A] vennootschappen, RB) (…).

- Pandrecht bedrijfsinventaris.

- Pandrecht vorderingen.

Op eerste verzoek zal de Kredietnemer aan ABN AMRO een (periodieke) gespecificeerde en rechtsgeldig ondertekende opgave van zijn handelsvorderingen verstrekken (…), vergezeld van een debiteurenlijst.

- Achterstelling jegens ABN AMRO van de vordering op de Kredietnemer, van EUR 250.000,00, van de heer [A] (…).

- Een pandrecht op de goederen zoals genoemd in artikel 24 van de Algemene bankvoorwaarden.

- Een pandrecht op de vorderingen uit hoofde van regres en subrogatie in het kader van de hoofdelijkheid (…).

(…)”

2.13. Op 22 februari 2011 is door de [A] vennootschappen eveneens een pandakte ten behoeve van Abn Amro Bank ondertekend. Daarin staat, voor zover thans van belang, het volgende:

“(…)

1. De Pandgever (de [A] vennootschappen, RB) verbindt zich hierbij tot verpanding aan de Bank (Abn Amro Bank, RB) van al zijn navolgende Goederen:

• zijn huidige en toekomstige Inventaris

• zijn huidige en toekomstige Vorderingen

en geeft deze Goederen hierbij, (…), aan de Bank in pand. De Bank aanvaardt deze verpanding.

2. De in deze akte bedoelde verpanding strekt tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de Pandgever aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd is of zal zijn (…)

3. De Pandgever verklaart dat hij tot de verpanding bevoegd is, en verbindt zich er voor zorg te dragen dat het pandrecht van de Bank eerste in rang is en dat op de Goederen geen ander beperkt recht (zoals een ander pandrecht dan het onderhavige of een recht van vruchtgebruik) en geen beslag of retentierecht rust of zal rusten. (…)”

2.14. De door Milk voorgenomen omzetting van haar lening aan Compact Opleidingen in aandelenkapitaal is niet uitgevoerd.

2.15. Op 26 april 2011 zijn Compact Opleidingen en Compact Personeelsdiensten failliet verklaard. Tot curator is benoemd mevrouw mr. [E] (hierna: de curator).

2.16. Op 23 mei 2011 heeft Abn Amro Bank ten laste van Milk en Milk Participaties beslag doen leggen onder de curator op al hetgeen Milk en Milk Participaties uit hoofde van een reeds bestaande rechtsverhouding van de curator te vorderen hebben of zullen krijgen.

3. Het geschil

3.1. Abn Amro Bank vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – een verklaring voor recht dat Milk en Milk Participaties onrechtmatig jegens Abn Amro Bank hebben gehandeld, alsmede een hoofdelijke veroordeling van Milk en Milk Participaties tot betaling van de schade die Abn Amro Bank als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten, inclusief de kosten van het gelegde beslag.

3.2. Abn Amro Bank legt aan haar vordering ten grondslag dat Milk en Milk participaties tijdens de onderhandelingen over de kredietverlening aan Abn Amro Bank ten onrechte hebben verzwegen dat zij, althans één van hen, reeds een pandrecht had op de vorderingen van Compact Opleidingen. Voor Abn Amro Bank was het verkrijgen van een eerste pandrecht een essentiële voorwaarde voor de kredietverlening aan Compact Opleidingen en volgens Abn Amro Bank wisten Milk en Milk Participaties dat. Doordat zij het bestaan van het ten behoeve van (één van) hen reeds gevestigde eerste pandrecht desondanks hebben verzwegen, hebben zij onrechtmatig jegens Abn Amro Bank gehandeld en zijn zij gehouden de schade die Abn Amro Bank dientengevolge lijdt, te vergoeden, welke schade het bedrag betreft dat gelijk is aan het gedeelte van haar vordering op Compact Opleidingen (van op het moment van dagvaarden EUR 598.101,78) dat uiteindelijk onverhaalbaar zal zijn, aldus steeds Abn Amro Bank.

3.3. Milk en Milk Participaties voeren verweer. Zij stellen voorop dat Milk Participaties nooit werkzaamheden voor Compact Opleidingen heeft verricht. Alleen Milk heeft de begeleiding van Compact Opleidingen op financieel strategisch gebied verzorgd en Milk Participaties heeft daar op geen enkele wijze mee van doen gehad. Van een hoofdelijke veroordeling van Milk en Milk Participaties kan dan ook in elk geval geen sprake zijn. Voorts betwist Milk dat zij jegens Abn Amro Bank onrechtmatig heeft gehandeld. Zij voert daartoe allereerst aan dat zij niet wist dat het verkrijgen van een eerste pandrecht voor Abn Amro Bank een voorwaarde was voor de kredietverlening aan Compact Opleidingen. De door Abn Amro Bank aan Compact Opleidingen gestelde voorwaarden zijn nooit aan Milk bekend gemaakt. Uit het feit dat Abn Amro Bank kennelijk niet op de hoogte was van het eerste pandrecht van Milk leidt Milk af dat Abn Amro Bank er bij Compact Opleidingen niet naar heeft gevraagd, hetgeen volgens Milk duidt op een tekortschieten in de eigen onderzoeksplicht van Abn Amro Bank. In elk geval is geen sprake van enig doelbewust handelen van Milk. Milk verkeerde zelf ook in de veronderstelling dat Compact Opleidingen een stabiele onderneming was, waarin zij ook zelf heeft geïnvesteerd. Tot slot betwist Milk dat de schade van Abn Amro Bank zou zijn gelegen in het gedeelte van haar vordering op Compact Opleidingen dat uiteindelijk onverhaalbaar zal blijken te zijn. Volgens Milk kan de schade van Abn Amro Bank hooguit zijn gelegen in het bedrag dat Milk thans toekomt als eerste pandhouder, welk bedrag bij gebreke van het pandrecht van Milk aan Abn Amro Bank was toegekomen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Milk Participaties

4.1. De rechtbank is van oordeel dat Abn Amro Bank onvoldoende heeft gesteld waaruit zou moeten blijken dat Milk Participaties jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Het had op de weg van Abn Amro Bank gelegen – gezien de gemotiveerde betwisting van Milk en Milk Participaties dat laatsgenoemde betrokken is geweest bij de financieel strategische begeleiding van Compact Opleidingen – om haar stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, zal de vordering jegens Milk Participaties worden afgewezen.

Onrechtmatige daad

4.2. Abn Amro Bank vordert een verklaring voor recht dat Milk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Op deze grondslag baseert zij ook haar schadevordering. In de pandakte die is opgemaakt tussen Abn Amro Bank en Compact Opleidingen heeft [A] namens Compact Opleidingen ervoor getekend dat Abn Amro Bank een recht van eerste pand zou verkrijgen op de vorderingen van Compact Opleidingen. Uit de stellingen van Abn Amro Bank begrijpt de rechtbank dat zij Milk verwijt dat deze in haar hoedanigheid van onderhandelaar ten behoeve van Compact Opleidingen gedurende het traject voorafgaande aan de kredietverlening heeft verzwegen dat zij een eerste pandrecht had op de vorderingen van Compact Opleidingen. Op Milk rustte dienaangaande een mededelingsplicht. Zij had dan ook eigener beweging melding moeten maken van haar eerste pandrecht, zeker nu Milk wist dat Abn Amro Bank slechts bereid zou zijn Compact Opleidingen krediet te verlenen indien zij een eerste pandrecht op de vorderingen van Compact Opleidingen zou krijgen, aldus Abn Amro Bank. Het niet vermelden van haar eerste pandrecht is volgens Abn Amro Bank hoe dan ook aan te merken als onzorgvuldig handelen van Milk.

Daarnaast lijkt uit de stellingen van Abn Amro Bank te volgen dat zij Milk verwijt een te rooskleurig beeld te hebben geschetst van de financiële perspectieven van Compact Opleidingen, om Abn Amro Bank over te halen tot kredietverlening over te gaan.

4.3. Milk betwist dat op haar een mededelingsplicht rustte. Zij was geen partij bij de kredietaanvraag een ze heeft daar ook geen eigen rol in gespeeld, in elk geval niet als onderhandelaar. Milk is niet bij het gehele proces van de kredietaanvraag betrokken geweest. Zij kreeg bijvoorbeeld – anders dan te doen gebruikelijk – noch van Abn Amro Bank noch van Compact Opleidingen de offertes en overeenkomsten te zien. Milk wist niet wat Compact Opleidingen uiteindelijk met Abn Amro Bank is overeengekomen en zij betwist bovendien de gestelde wetenschap dat het verkrijgen van een eerste pandrecht voor Abn Amro Bank een voorwaarde was om Compact Opleidingen krediet te verlenen. Milk had zelfs aangegeven bereid te zijn om haar vorderingen achter te stellen, hetgeen Abn Amro Bank niet nodig heeft geacht, aldus steeds Milk.

Ook betwist Milk dat zij een te rooskleurig beeld zou hebben geschetst. Milk heeft net als Abn Amro Bank op basis van de (door Compact Opleidingen aangeleverde) gegevens van de presentatie van 19 januari 2011 grote investeringen gedaan in de vorm van geldleningen. Zowel Milk als Abn Amro Bank hebben zich achteraf bezien verkeken op de perspectieven van Compact Opleidingen, maar het beeld dat Milk Abn Amro Bank schetste was in de ogen van Milk op dat moment realistisch.

4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [A] een pandakte met Abn Amro Bank heeft gesloten waarin staat dat Abn Amro Bank een recht van eerste pand op de vorderingen van Compact Opleidingen zou verkrijgen. Vast staat ook dat Milk al eerder een eerste pandrecht op die vorderingen had verkregen. Na het faillissement van Compact Opleidingen is gebleken dat Abn Amro Bank haar pandrecht niet kon uitwinnen. Op dat moment heeft Abn Amro Bank van het pandrecht van Milk kennisgenomen. De vraag die voorligt is of op Milk, in haar bijzondere hoedanigheid van schuldeiser van Compact Opleidingen, dan wel die van onderhandelaar voor Compact Opleidingen, of overigens in het algemeen, de verplichting rustte aan Abn Amro Bank melding te maken van het feit dat Milk een eerste pandrecht had op de vorderingen van Compact Opleidingen.

4.5. Zowel Abn Amro Bank als Milk zijn aan te merken als schuldeisers van Compact Opleidingen. In beginsel rust op Milk als schuldeiser en eerste pandhouder als zodanig niet reeds enige mededelingsplicht ten opzichte van Abn Amro Bank, eveneens schuldeiser, ten aanzien van (de status van) haar pandrecht op de vorderingen van Compact Opleidingen, de schuldenaar. In zoverre is dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen van Milk door geen melding te maken aan Abn Amro Bank van haar eerste pandrecht.

4.6. In de onderhavige situatie heeft Milk echter een rol heeft gespeeld bij de kredietverlening door Abn Amro Bank aan Compact Opleidingen. Milk heeft Abn Amro Bank tijdens de bedrijfspresentatie op 19 januari 2011 voorlichting gegeven en informatie verschaft over Compact Opleidingen. Ook heeft Milk nadien nog nader met Abn Amro Bank gecorrespondeerd en is expliciet gesproken over achterstelling van de lening van Milk.

De vraag ligt voor of op Milk uit hoofde van die rol een mededelingsplicht rustte.

4.7. De rechtbank begrijpt de stellingen van Abn Amro Bank aldus, dat Milk een actieve rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over de kredietverlening en dat op haar uit dien hoofde een verplichting rustte openheid van zaken te geven ten aanzien van haar eigen positie als (mede) schuldeiser van Compact Opleidingen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld om de rol van Milk bij de gesprekken over de kredietverlening van Compact Opleidingen te kwalificeren als die van onderhandelaar. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de stelling van Milk dat zij – anders dan normaal gesproken – niet betrokken is geweest bij de daadwerkelijke onderhandelingen over de voorwaarden van de kredietverlening, welke stelling door Abn Amro Bank onvoldoende is betwist. Als onbetwist staat bovendien vast dat de offerte en de uiteindelijke kredietverleningsovereenkomst door Abn Amro Bank naar Compact Opleidingen zijn gestuurd en niet naar Milk. De stelling van Abn Amro Bank dat de onderhandelingen louter met Milk zijn gevoerd en dat deze onderhandelingen gedurende de eerste bijeenkomst van 19 januari 2011 nagenoeg afgerond waren, is door Milk gemotiveerd betwist. Mede in het licht van de e-mailcorrespondentie in de dagen na die eerste bijeenkomst, is deze stelling dan ook zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat op Milk als onderhandelaar namens Compact Opleidingen tegenover Abn Amro Bank een mededelingsplicht rustte ten aanzien van het pandrecht dat aan Milk was verleend. Het feit dat [A] zijn handtekening heeft gezet onder de pandakte waardoor hij ten onrechte de indruk heeft gewekt dat Abn Amro Bank een eerste pandrecht verkreeg op de vorderingen van Compact Opleidingen, kan dan ook niet zonder meer aan Milk worden toegerekend.

4.8. Dan dient nog te worden beoordeeld of Milk in zijn algemeenheid, alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking genomen en in onderling verband bezien, aan Abn Amro Bank had moeten melden dat zij een eerste pandrecht bezat op de vorderingen van Compact Opleidingen en of zij door dat niet te doen onrechtmatig jegens Abn Amro Bank heeft gehandeld. De lat daarvoor ligt hoog. Zoals gezegd is Milk geen contractspartij ten opzichte van Abn Amro Bank. De norm waaraan getoetst moet worden is of Milk in haar hoedanigheid van eerste pandhouder op de vorderingen van Compact Opleidingen heeft gehandeld conform hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk betaamt jegens Abn Amro Bank, die op het punt stond aan Compact Opleidingen een krediet te verlenen. Om tot het oordeel te komen dat Milk deze norm heeft geschonden, dient in elk geval vast te staan dat Milk wist dat het verkrijgen van een eerste pandrecht voor Abn Amro Bank een voorwaarde was voor de kredietverlening. Als onbetwist staat vast dat Abn Amro Bank aan Milk niet expliciet heeft gevraagd naar het bestaan van overige zekerheden. Milk heeft het anderzijds ook niet eigener beweging gemeld. De stelling van Abn Amro Bank dat het voor Milk duidelijk was dat zij wilde weten hoe het zat met de vorderingen van Milk op Compact Opleidingen is door Milk gemotiveerd betwist. Het had op de weg gelegen van Abn Amro Bank haar stelling op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Abn Amro Bank heeft weliswaar gesteld dat zij de preview van de offerte voor de kredietverlening telefonisch met Milk heeft doorgenomen, maar zij heeft niet, althans onvoldoende concreet gesteld dat daarbij ook daadwerkelijk de voorwaarde van een eerste pandrecht aan de orde is geweest. Nu ook anderszins niet is gebleken van wetenschap bij Milk van deze gestelde voorwaarde door Abn Amro Bank, kan Abn Amro Bank niet worden gevolgd in haar stelling dat de zorgvuldigheid gebood dat Milk eigener beweging aan Abn Amro Bank diende te melden dat zij een eerste pandrecht op de vorderingen van Compact Opleidingen bezat. Dat Milk, gelet op haar eigen investeringen, ook een eigen belang had bij de kredietverlening door Abn Amro Bank aan Compact Opleidingen maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu van enige misleiding, mede gelet op hetgeen hierna onder 4.8 wordt overwogen, niet is gebleken. Alles in aanmerking genomen heeft Abn Amro Bank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om tot het oordeel te komen dat Milk onrechtmatig heeft gehandeld jegens Abn Amro Bank door geen melding te maken van haar eerste pandrecht. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.

4.9. Voor zover Abn Amro Bank zich op het standpunt stelt dat de onrechtmatigheid van het handelen van Milk is gelegen in het schetsen van een te rooskleurig beeld, deelt de rechtbank dat standpunt niet. Het enkele feit dat het geschetste beeld achteraf bezien niet juist was, wil nog niet zeggen dat sprake is van onrechtmatig handelen van de zijde van Milk. Daarvoor zou op zijn minst duidelijk moeten zijn dat Milk Abn Amro Bank bewust zou hebben misleid. Dat het aanvankelijke plan van Milk om haar leningen (grotendeels) om te zetten in aandelen uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden, doet hieraan niet af. Milk heeft aan Abn Amro Bank de mogelijkheid geboden om de leningen van Milk achter te stellen bij die van Abn Amro Bank en laatstgenoemde heeft er welbewust voor gekozen dat niet te doen. Zij deed dat weliswaar vooruitlopend op de voorgenomen omzetting in aandelen, maar heeft er voor gekozen deze niet daadwerkelijk af te wachten. Het risico van die beslissing ligt bij Abn Amro Bank. Nergens blijkt uit dat Milk Abn Amro Bank hierbij bewust zou hebben misleid. Als onbetwist staat vast dat ook Milk de perspectieven van Compact Opleidingen heeft overschat en dat zij daardoor verliezen heeft geleden. Hieruit blijkt dat het faillissement van Compact Opleidingen ook door Milk niet was voorzien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook hier geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens Abn Amro Bank door Milk.

4.10. Gezien het voorgaande kunnen de overige stellingen van partijen onbesproken blijven. Dat geldt ook voor de stellingen over en weer ten aanzien van hetgeen gebruikelijk is kenbaar te maken in bedrijfspresentaties. Immers: De vraag waartoe Milk gehouden was jegens Abn Amro Bank als niet contractspartij staat of valt met wat Abn Amro Bank aan Milk heeft medegedeeld, dan wel gevraagd. Nu Abn Amro Bank haar stellingen op dat vlak onvoldoende heeft onderbouwd, kan niet worden geconcludeerd dat Milk jegens Abn Amro Bank onrechtmatig heeft gehandeld en worden haar vorderingen daarom afgewezen.

4.11. Abn Amro Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden aan de zijde van Milk tot op heden begroot op:

-vast recht: EUR 568,00

-salaris advocaat: EUR 904,00 (2 punten x tarief II)

totaal: EUR 1.472,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Abn Amro Bank in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Milk tot op heden begroot op EUR 1.472,00;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.(