Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7157

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
498481 - HA ZA 11-2416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:904 BW, de vordering tot vernietiging van het bindend advies van de Commissie voor Geschillen KNMG wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 498481 / HA ZA 11-2416

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam

ACADEMISCH MEDISCH CENTRUM UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. O.L. Nunes te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en het AMC worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 augustus 2011;

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser], met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 9 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 23 februari 2012, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op 1 september 2008 begonnen met een huisartsopleiding (hierna: de opleiding) bij het AMC. De opleiding duurt drie jaren.

2.2. [eiser] is op 1 september 2010 het derde opleidingsjaar gestart met een stage bij [A] en [B], huisartsen te Loenen aan de Vecht (hierna gezamenlijk: de opleiders). Het derde opleidingsjaar werd met een periode van drie maanden bekort als gevolg van de verlenging van het eerste jaar met drie maanden.

2.3. Op 13 januari 2011 heeft [eiser] een leergesprek gehad met [B]. [B] gaf aan geen vertrouwen meer te hebben in een goede beoordeling.

2.4. Op 14 januari 2011 heeft [eiser] met [A] gesproken, die aangaf de opleiding somber in te zien. [eiser] besprak met [A] zijn werkrelatie met [B], hetgeen er toe leidde dat deze hem mededeelde een negatieve beoordeling te zullen geven.

2.5. [eiser] heeft bij e-mail van 16 januari 2011 zijn opleiders bericht met de opleiding verder te willen gaan, zich realiserende dat hij zich op een aantal punten aanzienlijk zou moeten verbeteren. Hij heeft de opleiders gevraagd of hij de opleiding bij hen kon voortzetten.

2.6. Op 17 januari 2011 hebben de opleiders [eiser] meegedeeld dat de opleiding definitief was beëindigd en zij hebben [eiser] de toegang tot de praktijk ontzegd.

2.7. De opleiders hebben op 27 januari 2011 hun beoordeling op schrift gesteld en onderbouwd en het hoofd huisartsopleiding van het AMC, [C] (hierna: [C]), geadviseerd de opleiding van [eiser] te beëindigen.

2.8. [C] heeft [eiser] bij brief van 14 februari 2011 medegedeeld dat zijn opleiding zou worden beëindigd. [C] heeft aan zijn besluit – sterk verkort weergegeven – ten grondslag gelegd, dat [eiser] gelet op de te behalen opleidingsdoelen en de resterende opleidingstijd van 10,5 maanden, niet kon voldoen aan het vereiste competentieprofiel.

2.9. [eiser] heeft bij de Commissie voor Geschillen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (hierna: de Commissie voor Geschillen) bezwaar gemaakt tegen het door [C] genomen besluit. Het aan de Commissie voor Geschillen door [eiser] gezonden verzoekschrift vermeldt, voor zover hier van belang:

“35. Pas in het verslag d.d. 27januari 2011 stellen beide opleiders [rechtbank: [A] en [B]] aan dat het met het oog op de kwaliteit van de patiëntenzorg onverantwoord is om [eiser] nog langer spreekuur te laten doen in de praktijk te Loenen aan de Vecht. Per taakgebied wordt door [A] en [B] aangegeven waarom zij tot het besluit zijn gekomen de stage van [eiser] te beëindigen. In veel gevallen staan de overwegingen haaks op hetgeen een maand eerder tijdens het vijfgesprek naar voren is gekomen. Onder het kopje taakgebied Vakinhoudelijk handelen worden een aantal voorvallen beschreven waarin door [eiser] fouten zouden zijn gemaakt. Enkele van deze voorvallen berusten op een misverstand, zie punt 10 van dit verzoekschrift, dan wel zijn overdreven met het doel achteraf gronden voor de beëindiging van de stage te creëren. Zo is het verwijzen naar een eerder onderzoek uitgelegd als een fout in de verslaglegging en is een onvolkomenheid in de verslaglegging welke het gevolg is geweest van het achteraf invoeren van informatie uitgelegd als het nooit hebben kunnen beoordelen van een ziektebeeld.

36. Onder het kopje taakgebied Arts- Patiëntcommunicatie stellen [A] en [B] iets dat haaks staat op hetgeen zij een maand eerder tijdens het vijfgesprek hebben verteld. In het verslag van 27 januari 2011 word gesteld dat er geen structuur en leiding in het consult van [eiser] zit. Tijdens het vijfgesprek is aangegeven dat de opleiders de weken voor het gesprek groei hebben gezien, met name in de artspatiëntcommunicatie. Het is derhalve niet logisch dat nog geen maand later en na slechts twee weken werken in de praktijk door [eiser] het tegenovergestelde door de opleiders wordt geconstateerd.

37. Ook het taakgebied Organiseren wordt volgens de opleiders door [eiser] niet op een juiste manier ingevuld. Het model voor het verbeterplan dat in het kader van de praktijkaccreditatie wordt voorgesteld is volgens de opleiders een ingewikkeld en onwerkbaar model. Dit oordeel van [A] en [B] wordt verder niet onderbouwd. [eiser] stelt dat het model niet ontwikkeld is daar hem de kans om dit te doen ontnomen is door de vroegtijdige beëindiging van het beoordelingstraject.

38. Over het taakgebied Wetenschap en Onderwijs stellen [A] en [B] dat [eiser] wel dingen uitzoekt maar dit niet op een doelmatige en efficiënte manier doet. Dit statement van [A] en [B] staat haaks op hetgeen al in het vijfgesprek naar voren is gekomen, te weten: dat [eiser] twee keer per week in zijn vrije tijd aan zelfstudie in de medische bibliotheek doet. Bovendien wordt deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd.

39. Op het taakgebied professionaliteit zien [A] en [B] te weinig groei ten aanzien van zelfreflectie bij [eiser]. Dit is één van de verbeterpunten welke is besproken tijdens het vijfgesprek. [eiser] zou tien weken de tijd krijgen om in het beoordelingstraject voortgang op dit punt te boeken. De kans om deze voortgang daadwerkelijk te boeken is [eiser] echter ontnomen daar hem na twee weken de toegang tot de praktijk is ontzegd. Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat hetgeen [A] en [B] stellen met betrekking tot het gesprek van 14 januari 2011, waarin zij het vertrouwen in hem als collega hebben opgezegd, een onjuiste voorstelling van zaken weergeeft. Zoals uit de punten 13 tot en met 15 van dit verzoekschrift blijkt heeft dit gesprek plaatsgevonden op maandag 17 januari 2011. Op 14 januari 2011 heeft [eiser] slechts met [A] gesproken en deze heeft verteld dat het beoordelingstraject nog zou kunnen worden volbracht in de praktijk te Loenen aan de Vecht.

40. Bovenstaande conclusies worden door [eiser] betwist. (…) [T]ijdens de lerarenvergadering van 11 januari 2011 [is] door de opleiders aangegeven dat [eiser] slechts moeilijkheden ondervond op de competentiegebieden Vakinhoudelijk handelen, APC en Professionaliteit. In het verslag d.d. 27 januari 2011 zijn hier opeens drie taakgebieden aan toegevoegd welke twee weken eerder nog geen probleem vormden. Opmerkelijk is dat de nieuw door [A] en [B] naar voren gebrachte taakgebieden ieder te maken hebben met de persoon van [eiser]. Dit kan slechts leiden tot de conclusie dat de onrechtmatige beëindiging van de samenwerking door [A] en [B] is voorgekomen uit spanning in de opleidingsrelatie.”

2.10. De Commissie voor Geschillen heeft, na het verzoekschrift van [eiser], een schriftelijke reactie daarop van het AMC en een mondelinge behandeling van de zaak, bij beslissing van 7 juli 2011 beslist dat [C] de opleiding heeft kunnen beëindigen. De beslissing van de Commissie voor Geschillen vermeldt, voor zover hier van belang:

“Overwegingen

(…)

De aios [rechtbank: [eiser]] is met de opleiding gestart op 1 september 2008. (…)

De beoogde einddatum van de opleiding was 31 mei 2011. (…)

Het eerste opleidingsjaar werd met drie maanden verlengd omdat de aios op de competentiegebieden arts-patiëntcommunicatie en professionaliteit onvoldoende scoorde. De aios is op 1 december 2009 met het tweede opleidingsjaar gestart onder voorwaarde dat hij nog gedurende drie maanden intervisie zou volgen. De aios heeft dat gedaan en heeft het eerste opleidingsjaar met een voldoende afgesloten. Ook het tweede opleidingsjaar, dat negen maanden duurde, werd met een voldoende beoordeling afgesloten. De aios is op 1 september 2010 met het derde opleidingsjaar gestart. Vanwege het feit dat de aios een verlenging van drie maanden van het eerste opleidingsjaar had gekregen, was de duur van het derde opleidingsjaar bekort tot negen maanden. De einddatum van de opleiding was immers 31 mei 2011.

Op grond van het protocol toetsing en beoordeling vond op 30 november 2011 het eerste voortgangsgesprek plaats met de opleiders aan de hand van de ingevulde ComBel. De opleiders beoordeelden de arts-patiëntcommunicatie en professionaliteit van de aios onvoldoende, de gebieden samenwerking, organisatie en wetenschap en onderwijs twijfelachtig / weet nog niet.

Dit was aanleiding voor een beoordelingstraject van drie maanden en een extra gesprek op 16 december 2011. Ingevolge het beoordelingstraject zou op 25 februari 2011 worden beoordeeld of de opleiding al dan niet met een verlenging zou kunnen worden voortgezet. De opleiders hebben reeds eerder, op 14 januari 2011 de opleiding van de aios beëindigd en hem de toegang tot de praktijk ontzegd. Op 27 januari 2011 hebben zij hun besluit onderbouwd en het hoofd geadviseerd de opleiding te beëindigen.

Op grond van het protocol toetsing en beoordeling moesten de opleiders en begeleider uiterlijk vier maanden voor het beoogde einde van de opleiding – uiterlijk 1 februari 2011- een beoordeling geven van de geschiktheid van de aios (…).

De opleiders en begeleider hebben de geschiktheidbeoordeling vóór 1 februari 2011 gegeven. Volgens de aios is dit gebeurd als gevolg van de slechte relatie tussen de aios en de opleiders, volgens de opleiders waren de geconstateerde tekortkomingen in de patiëntenzorg aanleiding de opleiding op 17 januari 2011 per direct te beëindigen.

De CvG [rechtbank: de Commissie voor Geschillen] constateert dat de opleiders en begeleiders hun geschiktheidoordeel voortijdig hebben gegeven. Uitgaande van het protocol toetsing en beoordeling hebben de opleiders het geschiktheidoordeel een paar dagen te vroeg gegeven, de onderbouwing is van 27 januari 2011, en uitgaande van het beoordelingstraject is het geschiktheidoordeel vier weken te vroeg gegeven. Op grond van de beoordelingen en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen stelt de CvG vast dat de opleiding van de aios vanaf het begin moeizaam is verlopen, met uitzondering van het tweede jaar. In het begin van het derde jaar werden tekortkomingen geconstateerd, hetgeen door de aios ook is erkend, gelet op zijn voorbeschouwing d.d. 28 november 2010 van de KomBel bespreking van 30 november 2010. Op 16 december 2010 zijn de tekortkomingen van de aios uitvoerig besproken en is een beoordelingstraject gestart. Gedurende dit traject constateerden de opleiders dat de tekortkomingen bleven en zelfs een gevaar voor de patiëntenzorg vormden. Of dit al dan niet aanleiding was de aios de toegang tot de praktijk te ontzeggen kan buiten beschouwing worden gelaten. De CvG beoordeelt of het hoofd de opleiding terecht heeft kunnen beëindigen.

Naar het oordeel van de CvG heeft het hoofd voldoende aannemelijk gemaakt dat het de aios niet zal lukken om voor het beoogde einde van de opleiding, op 31 mei 2011, over de vereiste competenties te beschikken, ook niet na verlenging van de opleiding met zes maanden. De tekortkomingen zijn dermate ernstig dat deze niet binnen redelijke termijn kunnen worden opgeheven. De aios functioneert op teveel taakgebieden onvoldoende. Daarbij merkt de CvG op dat het niet melden aan het instituut van de volgens de aios verstoorde relatie tussen hem en de opleiders, niet getuigt van professioneel gedrag, evenals de inhoud van de e-mail van 16 januari 2011. Indien de relatie werkelijk een probleem was, had de aios om een ontkoppelingsprocedure moeten vragen. Het feit dat de beoordelingen van de aios iets te vroeg zijn gekomen, maakt niet dat de procedure onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Indien de beoordelingen twee weken later waren gegeven, was de uitkomst niet anders geweest. Het hoofd heeft naar het oordeel van de CvG in redelijkheid kunnen besluiten de opleiding te beëindigen.”

2.11. Op de procedure bij de Commissie voor Geschillen is van toepassing de “Regeling specialismen en profielen geneeskunst” (hierna: de Regeling). De Regeling bepaalt, voor zover hier van belang:

“Artikel 68

1. De Commissie [rechtbank: de Commissie voor Geschillen] beoordeelt of degene die het besluit heeft genomen op grond van alle geldende bepalingen en tussen partijen eventueel nader gemaakte afspraken in alle redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

2. De Commissie toetst een geschil integraal.”

2.12. Een bij de Regeling behorende toelichting op de Regeling vermeldt met betrekking tot de hiervoor onder 2.11 vermelde integrale toetsing, voor zover hier van belang:

“De Commissie voor Geschillen toetst geschillen integraal. Dit betekent dat de Commissie voor Geschillen bij een geschil over bijvoorbeeld de beoordeling van de aios aan de hand van de stukken de beslissing van de opleider toetst. De Commissie voor Geschillen beoordeelt of het besluit van de opleider een logisch gevolg is van alle toetsen en beoordelingen die aan het besluit vooraf zijn gegaan. De Commissie voor Geschillen zal niet de inhoudelijke beoordeling van de opleider overdoen en zelf op de stoel van de opleider plaatsnemen.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de uitspraak van de Commissie voor Geschillen van 7 juli 2011 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, bepaalt dat [eiser] zijn opleiding tot huisarts zal mogen voortzetten binnen een door de rechtbank te bepalen termijn op door de rechtbank te bepalen voorwaarden;

2. het AMC veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] legt, onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en de in het geding gebrachte stukken, aan zijn vordering ten grondslag dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem aan de beslissing van de Commissie voor Geschillen gebonden te achten. Allereerst heeft de Commissie voor Geschillen haar beslissing onvoldoende gemotiveerd en heeft zij de beslissing van [C] slechts marginaal en niet integraal getoetst. Verder heeft de Commissie voor Geschillen geen deugdelijk onderzoek verricht. Deze gebreken leiden ertoe dat de beslissing op de voet van artikel 7:904 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet worden vernietigd.

[eiser] legt aan zijn vordering om weer tot de opleiding te worden toegelaten ten grondslag dat het AMC ten onrechte de opleiding van [eiser] heeft beëindigd. [eiser] heeft het benodigde competentieniveau om zijn opleiding op tijd te kunnen voltooien. Hij dient daarom weer te worden toegelaten tot de opleiding. Voor zover [eiser] niet het vereiste competentieniveau zou bezitten, dan is dit mede te wijten aan de moeizame relatie met zijn opleiders. Het AMC dient hem daarom, zonodig, een korte verlenging van de opleidingstermijn toe te staan.

3.3. Het AMC voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of de beslissing van de Commissie voor Geschillen moet worden vernietigd, omdat het gelet op de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [eiser] aan deze beslissing te houden.

4.2. Partijen zijn het erover eens dat de beslissing van de Commissie voor Geschillen moet worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW. In het onderhavige geval zal – gelet op de stellingen van [eiser] – vernietiging van de beslissing pas aan de orde kunnen zijn, indien vaststaat dat de beslissing ernstig gebrekkig is gemotiveerd en/of bij de totstandkoming van het bindend advies fundamentele beginselen van een behoorlijk procesrecht zijn geschonden. Daarbij moet de vraag worden betrokken in hoeverre een vastgestelde fout nadeel heeft toegebracht aan de in het ongelijk gestelde partij [eiser].

De rechtbank heeft bij de toetsing van het bindend advies niet de rol van appelinstantie. Zij beoordeelt slechts of de Commissie voor Geschillen in redelijkheid tot de door haar gegeven beslissing heeft kunnen komen. De beslissing van de Commissie voor Geschillen mag en zal daarom slechts marginaal worden getoetst.

4.3. Het hiervoor onder 4.2 geschetste toetsingskader brengt met zich dat bij de beoordeling geen acht wordt geslagen op inhoudelijke argumenten die niet ook bij de Commissie voor Geschillen naar voren zijn gebracht. Het argument van [eiser] dat bij het beoordelingstraject, afgezet tegen de reguliere procedure, alle waarborgen zijn geschonden (dagvaarding, randnummer 32), zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.

4.4. Tussen partijen staat vast dat op de procedure bij de Commissie voor Geschillen de Regeling van toepassing is. Artikel 68 van de Regeling bepaalt dat de Commissie voor Geschillen beoordeelt of degene die het aangevallen besluit heeft genomen op grond van alle geldende regelingen en tussen partijen eventueel nader gemaakte afspraken in alle redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (lid 1). Verder bepaalt artikel 68 van de Regeling dat de Commissie voor Geschillen een geschil integraal toetst (lid 2). Naar het oordeel van de rechtbank brengt een integrale toetsing door de Commissie voor Geschillen niet met zich dat de Commissie voor Geschillen zelfstandig onderzoek dient te doen naar de juistheid van de gegevens waarop [C] zich bij zijn besluit heeft gebaseerd. Voor dit oordeel ziet de rechtbank aanknopingspunten in de door het AMC in het geding gebrachte toelichting op de Regeling, waarin staat dat de Commissie voor Geschillen beoordeelt of het besluit van de opleider een logisch gevolg is van alle toetsen en beoordelingen die aan het besluit vooraf zijn gegaan, maar dat zij de beoordeling niet inhoudelijk zal overdoen (zie hiervoor onder 2.12).

4.5. Tussen partijen staat verder vast, dat de procedure bij de Commissie voor Geschillen het karakter van rechtspraak heeft, zodat aan de motivering hogere eisen mogen worden gesteld, dan wanneer hiervan geen sprake is.

4.6. [eiser] heeft als bezwaar tegen de beslissing van de Commissie voor Geschillen naar voren gebracht, dat zij het besluit van [C] slechts marginaal in plaats van integraal heeft getoetst.

De rechtbank volgt [eiser] niet in dit bezwaar. Uit de beslissing en de motivering daarvan blijkt dat de Commissie voor Geschillen zich op basis van de haar ter beschikking staande informatie zelfstandig een beeld heeft gevormd van het competentieniveau van [eiser]. Daaruit heeft zij zelfstandig conclusies getrokken. Daarmee heeft de Commissie voor Geschillen het aan haar voorgelegde geschil integraal getoetst.

4.7. [eiser] heeft verder aangevoerd dat de Commissie voor Geschillen ten onrechte en ongemotiveerd niet is ingegaan op zijn bezwaren tegen de beoordeling door de opleiders. Volgens [eiser] heeft hij zich uitgebreid gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de beoordeling van de opleiders in strijd is met eerder door hen gegeven beoordelingen en daar derhalve niet logisch uit voortvloeit. Naar de rechtbank begrijpt doelt [eiser] hiermee op de hiervoor onder 2.9 weergegeven passage uit het verzoekschrift.

4.8. Ook dit bezwaar van [eiser] wordt verworpen. De Commissie voor Geschillen heeft overwogen dat na een moeizaam eerste jaar, in het begin van het derde jaar de opleiders de arts-patiëntcommunicatie en professionaliteit van [eiser] als onvoldoende beoordeelden en de gebieden samenwerking, organisatie en wetenschap en onderwijs als “twijfelachtig/weet nog niet”, dat deze tekortkomingen met [eiser] zijn besproken en dat een beoordelingstraject is gestart. Voorts dat gedurende dit traject de opleiders hebben geconstateerd dat de tekortkomingen bleven bestaan en een gevaar vormden voor de patiënten, waarna de opleiders de stage hebben beëindigd. De omstandigheid dat zij in hun eindbeoordeling ook de drie gebieden, waaraan zij voorheen de kwalificatie “twijfelachtig/weet nog niet” hadden gegeven, nu als onvoldoende kwalificeerden, maakt, anders dan [eiser] meent, niet dat de eindbeoordeling in strijd is met eerdere beoordelingen. De vraag of de opleiders terecht dit oordeel hebben gegeven, stond, zoals hiervoor onder 4.4. overwogen, niet ter beoordeling van de Commissie voor Geschillen.

4.9. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat de Commissie voor Geschillen heeft miskend dat de beëindiging van de stage door zijn opleiders niet het gevolg was van een onvoldoende functioneren aan zijn kant, maar van een verstoorde relatie tussen hem en zijn opleiders. Ook in dit bezwaar kan [eiser] niet worden gevolgd. De Commissie voor Geschillen heeft overwogen dat de door de opleiders geconstateerde tekortkomingen dermate ernstig zijn dat deze niet binnen een redelijke termijn kunnen worden opgeheven en dat voldoende aannemelijk is dat het [eiser] niet zal lukken voor het einde van de opleidingstijd over de vereiste competenties te beschikken. Daarvoor functioneert [eiser] naar het oordeel van de Commissie voor Geschillen op teveel taakgebieden onvoldoende. De Commissie voor Geschillen heeft hierop haar beslissing gebaseerd dat het hoofd in redelijkheid heeft kunnen besluiten de opleiding te beëindigen. Bij deze stand van zaken was de vraag of daarnaast ook sprake was van een verstoorde relatie tussen [eiser] en zijn opleiders niet meer relevant. Met haar overweging (ten overvloede) dat [eiser], indien er werkelijk sprake was van een verstoorde relatie, om een ontkoppelingsprocedure had moeten vragen, is de Commissie voor Geschillen dan ook voldoende op deze stelling van [eiser] ingegaan.

4.10. [eiser] heeft verder aan de orde gesteld dat de Commissie voor Geschillen ten onrechte ervan is uitgegaan dat de beoordeling door de opleiders en begeleiders enkele dagen te vroeg heeft plaatsgevonden. Naar de mening van [eiser] kan de door de Commissie voor Geschillen gegeven motivering dit oordeel niet dragen.

Ook in dit bezwaar wordt [eiser] niet gevolgd. Vastgesteld wordt dat de Commissie voor Geschillen inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden zij tot de conclusie is gekomen dat de opleiders en begeleiders hun beoordeling enkele dagen te vroeg hebben gegeven. De Commissie voor Geschillen heeft haar beslissing op dit punt voldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat [eiser] het op dit punt inhoudelijk niet eens is met het oordeel van de Commissie voor Geschillen.

4.11. [eiser] heeft tot slot naar voren gebracht dat het AMC hem bepaalde stukken niet ter beschikking heeft gesteld, ondanks zijn verzoek daartoe in de procedure voor de Commissie voor Geschillen. Daarmee heeft hij geen inzage gekregen in de stukken die mede ten grondslag liggen aan de motivering en heeft hij zich niet tegen de inhoud van die stukken kunnen verweren, aldus [eiser]. Volgens [eiser] zijn hiermee de beginselen van een goede procesorde geschonden. Het gaat hierbij – zoals met partijen ter comparitie van partijen is vastgesteld – om de volgende stukken:

1. de conclusies van dr. [C], staflid en huisarts bij het AMC, aan wie [C] de door de opleiders aangeleverde casuïstiek heeft voorgelegd;

2. de beoordelingen van de docenten;

3. de eigen aantekeningen van [eiser] in patiëntendossiers;

4. de aanvraag van de HVRC ten aanzien van de verlenging van het opleidingstraject;

5. de besluitvorming ter zake van de koppeling van [eiser] aan de praktijk van de opleiders;

6. de opzegbrief van [B] aan het AMC.

4.12. Het bezwaar van [eiser] treft geen doel. Het AMC heeft ten eerste onbetwist aangevoerd dat [eiser] nimmer om de hiervoor onder 4.11 vermelde stukken heeft gevraagd. Het AMC heeft daarnaast onbetwist gesteld dat zij deze stukken nooit bij de procedure bij de Commissie voor Geschillen in het geding heeft gebracht. Daarnaast is ter comparitie van partijen het volgende vastgesteld:

- de onder 1. vermelde stukken bestaan niet en dr. [C] heeft zijn conclusies mondeling aan [C] medegedeeld;

- met betrekking tot de onder 2. vermelde stukken geldt dat deze beoordelingen niet op schrift zijn gesteld. Zij zijn in het bijzijn van de studiebegeleider besproken. De resultaten van de beoordelingen zijn vervolgens door de studiebegeleider met [eiser] besproken, de studiebegeleider heeft van dit gesprek een voortgangsverslag gemaakt en dit verslag is in het bezit van [eiser];

- met betrekking tot het onder 4. vermelde stuk geldt dat er nooit een aanvraag van de HVRC voor een verlenging is gedaan;

- het onder 5. vermelde stuk heeft het AMC niet tijdens de procedure bij de Commissie voor Geschillen in het geding gebracht en [eiser] heeft ook niet om dit stuk gevraagd;

- het onder 6. vermelde stuk behoort niet tot het opleidingsdossier, zodat [eiser] geen aanspraak kan maken op overlegging van dat stuk.

Met betrekking tot de onder 3. vermelde stukken geldt dat het AMC heeft erkend dat [eiser] geen toegang heeft tot deze informatie. Nu deze informatie echter niet aan de Commissie voor Geschillen is voorgelegd en de juistheid van het oordeel van de opleiders ook niet ter beoordeling van de Commissie voor Geschillen stond, is [eiser] hierdoor niet benadeeld.

4.13. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, volgt dat de gebondenheid van [eiser] aan de beslissing van de Commissie voor Geschillen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Zijn vordering tot vernietiging van de beslissing van de Commissie voor Geschillen zal derhalve worden afgewezen.

4.14. Nu de vordering tot vernietiging van de beslissing van de Commissie voor Geschillen zal worden afgewezen, zal de vordering tot het opnieuw toelaten van [eiser] tot de opleiding eveneens worden afgewezen. De opleiding is, gelet op hetgeen de Commissie voor Geschillen daaromtrent heeft geoordeeld, niet ten onrechte door het AMC beëindigd.

4.15. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het AMC worden begroot op:

- griffierecht EUR 560,00

- salaris advocaat EUR 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.464,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het AMC tot op heden begroot op EUR 1.464,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.?