Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7050

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
490252 - HA ZA 11-1583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade door vechtpartij; minderjarige / meerderjarige formele procespartij; mishandeling; uitlokking; zelfverdediging; noodweer; onrechtmatig handelen?; eigen schuld: causaliteit ontstaan schade; billijkheidscorrectie; eigen schuld: causaliteit omvang schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 161
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/124 met annotatie van M.E. Franke
VR 2013/125

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 490252 / HA ZA 11-1583

Vonnis van 11 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E. Wytema te Amsterdam,

tegen

[gedaagde], aanvankelijk vertegenwoordigd door zijn (toenmalige) wettelijk vertegenwoordiger [moeder van gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.R. van Laar te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 mei 2011, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 24 augustus 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is geboren op [1993]. [moeder van gedaagde] (hierna: [moeder van gedaagde]) is de moeder van [gedaagde].

2.2. Op 19 juni 2010 heeft zich op het perron van metrostation Ganzenhoef in Amsterdam een geweldincident voorgedaan tussen [eiser] en de toen minderjarige [gedaagde]. Na het incident is [eiser] met een ambulance naar het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam (hierna: het AMC) gebracht. [eiser] is door het incident zijn rechteroog verloren.

2.3. Op de avond van het incident is [gedaagde] door het wijkteam Ganzenhoef van de politie Amsterdam-Amstelland als verdachte verhoord. In het proces-verbaal van verhoor verdachte staat het volgende, voor zover van belang, vermeld:

‘(..)

VRAAG: Wat is er gebeurt vanmiddag op het Metrostation Ganzenhoef.

ANTWOORD: Ik had geen saldo meer op mijn OV chipcard. Ik had ook niet genoeg om de chipcard op te waarderen. Toen liep er een man met een hond. De man had een ov pasje en ging met zijn hond door het poortje. Ik liep met de man mee. De man keek om en zei dat ik dat niet kon doen en dat ik hem moest betalen omdat ik meeliep.

We begonnen allebei te bekvechten. Ik stond al op de trap. De man kwam ook de trap op met zijn hond en kwam dichterbij. Op de trap begon hij mij te bedreigen. Hij zei dat de hond mij zou gaan bijten. Ik zag dat hij de hondenriem losmaakte. De hond kwam naar mij toe. Ik vond dit niet prettig.

Toen ik boven kwam begonnen we meteen al weer te bekvechten. (..)

De metro kwam eraan. De man begon mij weer uit te schelden. Ik zag dat de man mij met zijn vuist ging slaan. Ik voelde een klap op mijn rechteroog. Ik voelde pijn op mijn oog.

NOOT VERBALISANT: verdachte heeft een zwelling onder zijn rechteroog.

We begonnen te vechten. We sloegen allebei. We vielen op de grond. Ik hoorde de hond blaffen. Ik viel bijna van het perron af. Mijn schoen ging uit. Mijn telefoon viel op de grond. Mijn batterij viel uit de telefoon. De man schopte tegen de telefoon aan. De batterij viel van het perron af op het spoor. Ik ben toen opgestaan en heb mijn riem afgedaan. Ik pakte mijn riem bij de gesp vast. Ik wilde mij verdedigen. Ik zag dat de man opstond en weer op mij af kwam. Ik hoorde dat hij dingen riep maar ik weet niet wat hij zei. Ik zag dat hij weer met grote stappen op mij af kwam. Ik heb de man toen met mijn lederen broeksriem geslagen. Ik wilde niet weer geslagen worden. Ik heb de man denk ik op zijn oog geraakt, (..). De man is toen gestopt. (..). Mensen hadden ons uitelkaar gehaald.(..)’

2.4. [eiser] heeft op 21 juni 2010 aangifte gedaan bij het wijkteam Ganzenhoef van de politie Amsterdam-Amstelland. In het proces-verbaal van aangifte staat het volgende, voor zover van belang, vermeld:

‘(..)

Hij deed aangifte terzake eenvoudige mishandeling en verklaarde het volgende:

(..)

Ik wilde zaterdag met de metro en ik ging door de poortjes heen. (..). Achter mij liep een jongen, die met mij meeliep door de poortjes. (..). Ik zei tegen die jongen dat hij gewoon moest betalen voor de metro. Ik hoorde dat hij begon te schelden. Op de trap omhoog hadden wij een woordenwisseling. (..). Ik zag dat (..) de hele tijd om mij heen ging lopen. (..). Ik heb toen op de SOS knop c.q. paal gedrukt. (..). Hierna gingen we vechten. Het ging allemaal zo snel. Ik weet niet meer wie er begon met slaan. (..). Ik weet dat ik op een gegeven moment ben gevallen. (..). Ondertussen was ik de boodschappen terug in mijn tas aan het stoppen. Ik zat nog op de grond toen ik zag dat (..) weer terug kwam lopen. Ineens kreeg ik een klap op mijn oog. Ik zag dat hij mij sloeg met iets met een Gesp eraan. Waarschijnlijk was dat iets van een riem geweest, (..). Ik voelde dat er iets heel hards tegen mijn oog aan kwam, als van metaal. Het werd meteen zwart voor mijn ogen. Ik had direct ontzettend veel pijn aan mijn rechteroog. Het bloed gutste overal. (..) Ik zag dat (..) mijn rugzak pakte en deze op de metrorails gooide. Ik ben direct de metrorails opgesprongen om mijn tas te pakken (..)’

2.5. De politie Amsterdam-Amstelland, wijkteam Ganzenhoef, (hierna: de politie) heeft op 6 juli 2010 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In dit proces-verbaal staat het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

‘(..) Ik, (..), heb de videobeelden bekeken welke gemaakt zijn door camera’s van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam. (..)

Camera 7

Op 19 juni 2010 te 15:59 en 12 seconde

Een jongen (..) probeert middels het forceren van een van de poortjes van het metrostation binnen het afgesloten gedeelte van met metrostation te komen zonder te betalen.(..)

Deze jongen blijkt later de verdachte (..).

Camera 7

Op 19 juni 2010 te 15:59 en 23 seconde

Een man (..) en zwarte hond aan een lijn loopt het metrostation in. Deze man blijkt later de aangever en slachtoffer. (..)

Ik zie dat de aangever samen met zijn hond door het poortje loopt. Ik zie dat de verdachte dicht achter de aangever aanloopt (..). Ik zie dat de aangever de verdachte aanspreekt. Ik zie dat er een woordenwisseling ontstaat. (..)

Camera 10

Op 19 juni 2010 te 15:59 en 57 seconde

De verdachte en de aangever staan op de roltrap. Ze zijn in een discussie verwikkeld.

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:00 en 23 seconde

Zowel de verdachte en de aangever zijn op het perron aangekomen. De aangever loopt naar de aldaar aanwezige alarmpaal. (..)

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:03 en 00 seconde

Als de aangever zich terug richting roltrap en lift begeeft loopt de verdachte achter hem aan en loopt om de aangever heen (..)

(..)

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:05 en 41 seconde

Er ontstaat een worsteling tussen de aangever en de verdachte. De aanleiding en de precieze gebeurtenissen zijn vanaf deze camera niet goed te zien. (..)

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:06 en 40 seconde

De verdachte loopt naar het spoor en springt op het spoor. Ik zie dat hij het metrospoor oversteekt, bukt en weer opstaat. (..) De aangever is ondertussen naar de andere kant van het metroperron gelopen.

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:07 en 38 seconde

De verdachte loopt recht op de aangever af. Ik zie een hapering in het beeld waardoor er een fractie van de beeldopname mist. Ik zie dat de aangever plots opspringt en met een stotende beweging naar de verdachte rent. Ik zie dat hij de verdachte in zijn gezicht stompt. Ik zie dat de verdachte een lang hangend voorwerp in zijn rechterhand vast houd. Ik zie dat hij hiermee een zwiepende beweging maakt richting de aangever. (..)

(..)

Camera 2

Op 19 juni 2010 te 16:08 en 20 seconde

Ik zie dat de verdachte naar de rugtas van de aangever loopt. Deze tas lag nog op de plek van waar de tweede worsteling had plaats gevonden. Ik zag dat de verdachte de tas een schop gaf. Vervolgens liep hij achter de tas aan en gooiede hij de tas op het metro spoor. (..)’

2.6. Op 7 juli 2010 heeft de politie een proces-verbaal van relaas opgemaakt waarin het volgende, voor zover hier van belang, staat vermeld:

‘(..)

AANLEIDING

Op zaterdag 19 juni 2010 (..) kregen collega’s de melding te gaan metrohalte Ganzenhoef te Amsterdam alwaar een vechtpartij aan de gang zou zijn.(..)

Aangekomen op het metroperron werd een collega aangesproken door een getuige genaamd [getuige 1].[getuige 1] verklaarde dat zij het volgende gezien had: “De blanke man met het bebloede oog had ruzie met de man met de getinte huidskleur. (..). Zij verklaarde niet te weten wie de ruzie begonnen was of wie er geslagen had. (..)

Vervolgens werden de collega’s aangesproken door een vrouw die opgaf te zijn genaamd: [getuige 2] (..)

Deze verklaarde: Dat de verkeerde persoon werd aangehouden. Zij had gezien dat de negoide jongen de metro in wilde stappen en dat deze toen door de blanke man uit de metro werd getrokken. Hierop ontstond er een worsteling tussen de mannen. De jongen heeft toen de man met zijn riem geslagen. (..)’

2.7. In een mededeling ‘Aan wie het betreft’ van 28 oktober 2010 heeft prof. dr. [oogarts], als oogarts verbonden aan het AMC, het volgende over de medische toestand van [eiser] gemeld:

‘(..) Bovengenoemde patiënt is op de afdeling oogheelkunde van het AMC bekend sedert 16 juni 2010 nadat hij met een riem op het rechteroog geslagen was. Wij vonden een perforatie van de oogbol (..) en zagen ons genoodzaakt het rechteroog te verwijderen. Hij kreeg een implantaat. Op dit implantaat zal hij een kunstoog gaan dragen. Hij zal derhalve de rest van zijn leven moeten doen met alleen zijn linkeroog. (..)’

2.8. De directeur van [uitzendbureau], de heer [A], heeft bij brief van 28 oktober 2010 het volgende aan de advocaat van [eiser] bericht:

‘(..)

Michael was via ons uitzendbureau tewerkgesteld in de scheepsbouw als metaalbewerker. Hij functioneerde zodanig goed dat ik hem een arbeidscontract voor onbepaalde tijd heb aangeboden. Hij zou met ingang van 1 juli 2010 bij [uitzendbureau] in vaste dienst komen en hij zou via ons gegarandeerd werk hebben in de scheepsbouw.

Als gevolg van het ongeval op 19 juni 2010 heeft dat geen doorgang gevonden en heeft hij geen contract gekregen.(..)’

2.9. Bij vonnis van 29 oktober 2010 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [gedaagde] veroordeeld tot (onder meer) een werkstraf van 120 uur dan wel zestig dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar wegens mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Het vonnis is onherroepelijk. [eiser] is in de strafzaak in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering niet eenvoudig van aard was.

2.10. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 24 januari 2011 aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en te lijden schade.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- een verklaring voor recht dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is jegens [eiser] voor de gevolgen van de mishandeling op 19 juni 2010, als gevolg waarvan hij (oog)letsel heeft opgelopen,

- dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden en in de toekomst te lijden schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 juni 2010, althans met ingang van de dag van dagvaarding, althans met ingang van de dag waarop de schade van [eiser] opeisbaar is geworden tot die van de algehele voldoening,

- dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om bij wijze van voorschot op de schade van [eiser] te voldoen, een bedrag van € 25.000,=, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

- dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd door hem op 19 juni 2010 met een riem te mishandelen. Deze daad is volledig aan [gedaagde] toe te rekenen. Als gevolg van het handelen van [gedaagde] heeft [eiser] schade geleden en lijdt hij nog steeds schade. Het betreft materiële schade (verlies aan verdienvermogen, kosten voor vervoer en buitengerechtelijke kosten) en immateriële schade (smartengeld). Door de mishandeling is de rechteroogbol van [eiser] geperforeerd en zag de oogarts van het AMC geen andere mogelijkheid dan het rechteroog te verwijderen. Het gezichtsvermogen van [eiser] is hierdoor blijvend aangetast en [eiser] zal de rest van zijn leven een kunstoog moeten dragen. Volgens [eiser] kan hij het door hem geliefde beroep van metaalbewerker niet meer uitoefenen omdat dat met één oog te gevaarlijk is, hetgeen hem psychisch zeer zwaar valt.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Procespartijen

4.1. Vast staat dat [gedaagde] minderjarig was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding aan zijn moeder [moeder van gedaagde]. Hangende de procedure is [gedaagde] meerderjarig geworden (op [2011]).

4.2. [gedaagde] voert aan dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren dan wel [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te verklaren nu [gedaagde] hangende de procedure meerderjarig is geworden. Het vonnis kan alleen tegen [moeder van gedaagde] worden gewezen nu zij degene die is gedagvaard, aldus [gedaagde]. [eiser] brengt hiertegen in dat een eventueel toewijzend vonnis ten laste van [gedaagde] dient te worden uitgesproken omdat [gedaagde] inmiddels meerderjarig is en dus geen wettelijk vertegenwoordiger meer heeft.

4.3. Het verweer van [gedaagde] wordt verworpen. Door [moeder van gedaagde] als wettelijk vertegenwoordigster van [gedaagde] en dus als formele partij in rechte te betrekken, heeft [eiser] juist gehandeld. Immers, [gedaagde] was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding als minderjarige procesonbekwaam en werd op grond van artikel 1:245 Burgerlijk Wetboek (BW) jo 1:234 BW vertegenwoordigd door zijn met het gezag over hem belaste moeder. [eiser] heeft zijn vordering aldus tegen [gedaagde] ingesteld. Hangende deze procedure is [gedaagde] meerderjarig geworden. [gedaagde] moet thans als formele en materiële partij bij het geschil worden aangemerkt, zonder dat daarvoor een nadere handeling is vereist. Een eventuele veroordeling zal derhalve jegens [gedaagde] worden uitgesproken.

Onrechtmatig handelen?

4.4. Vast staat dat op 19 juni 2010 een incident tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] [eiser] met een riem in het gezicht heeft geslagen als gevolg waarvan [eiser] zijn rechteroog is kwijtgeraakt. Partijen twisten evenwel over de vraag of [gedaagde] hiermee jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] en over de aard en omvang van de hieruit voortvloeiende schade.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het slaan met een riem in het gezicht van een ander, waardoor die ander gewond raakt, in beginsel onrechtmatig is. Verder geldt dat op grond van artikel 161 Rv het in kracht van gewijsde gegane, op tegenspraak gewezen vonnis van 29 oktober 2010, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld met letsel tot gevolg, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Tegen deze bewezenverklaring staat weliswaar de mogelijkheid van tegenbewijs open, maar de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding [gedaagde] daartoe in de gelegenheid te stellen. [gedaagde] heeft namelijk geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat ten onrechte vast is komen te staan dat hij [eiser] met een riem heeft geslagen en dat [eiser] als gevolg daarvan oogletsel heeft opgelopen. Aldus staat de mishandeling in rechte vast. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 BW).

4.6. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van HR 31 maart 1995, NJ 1991,592 (Taams/Boudeling) voert [gedaagde] aan dat [eiser] het conflict heeft uitgelokt en dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. Volgens [gedaagde] blijkt uit onafhankelijke getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen namelijk dat [eiser] [gedaagde] eerst heeft bedreigd, heeft uitgescholden en heeft geslagen. Pas daarna heeft [gedaagde] [eiser] uit zelfverdediging met een leren riem geslagen. Voor zover de rechtbank oordeelt dat op [gedaagde] de bewijslast rust van het feit dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld, voert [gedaagde] aan dat het proces-verbaal van bevindingen een omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Uit niets blijkt namelijk dat [gedaagde] alle tijd had om zijn riem te pakken. [eiser] betwist dat [gedaagde] een geslaagd beroep op zelfverdediging kan doen en dat hij [gedaagde] heeft uitgelokt.

4.7. Het beroep van [gedaagde] op uitlokking wordt verworpen en daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat [eiser] de eerste klap heeft uitgedeeld. [eiser] heeft het verweer van [gedaagde] op dit punt namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist nu hij ter comparitie heeft verklaard niet meer precies te weten of de lezing van [gedaagde] dat [eiser] de eerste klap heeft uitgedeeld de juiste is. Daarbij komt dat de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen (zie 2.5), en meer in bijzonder uit de omschrijving van de camerabeelden van 16:07 uur en 38 seconden, ook opmaakt dat [eiser] [gedaagde] eerst in het gezicht heeft gestompt als gevolg waarvan een zwelling op het oog van [gedaagde] is ontstaan. Met dit feit is echter nog niet gegeven dat het gedrag van [gedaagde] zozeer is uitgelokt door [eiser] dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat van aanhoudend provocerend gedrag van [eiser], zoals in de aangehaalde uitspraak aan de orde was, in het onderhavige geval geen sprake was. Niet alleen omdat het incident in hooguit een paar minuten tijd heeft plaatsgevonden maar ook omdat uit de hiervoor weergegeven processen-verbaal blijkt dat [gedaagde] met zijn riem in zijn hand op [eiser] is afgelopen zonder dat daartoe directe aanleiding bestond. Immers, uit de camerabeelden van camera 2 blijkt dat [gedaagde] om 16:06 uur en 40 seconden van [eiser] is weggelopen naar de andere kant van het metrospoor, waarna camera 2 om 16:07 uur en 38 seconden registreert dat [gedaagde] weer recht op [eiser] afloopt met een lang hangend voorwerp in zijn rechterhand. Hieruit kan niet worden afgeleid dat [eiser] [gedaagde] heeft uitgelokt.

4.8. Ook het verweer van [gedaagde] dat hij uit noodweer heeft gehandeld faalt. Noodweer is een rechtvaardigingsgrond als gevolg waarvan een daad die naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, in het concrete geval haar onrechtmatig karakter verliest. Bij noodweer dient aan de hand van het proportionaliteitsbeginsel te worden getoetst of het gehanteerde middel geboden was. De rechtbank is van oordeel dat het slaan met de riem in het onderhavige geval disproportioneel was ten opzichte van de stomp die [eiser] daarvoor aan [gedaagde] had uitgedeeld. De rechtbank acht daarbij wederom van belang dat uit de camerabeelden van camera 2 blijkt dat [gedaagde] om 16:06 uur en 40 seconden naar de andere kant van het metrospoor is gelopen, waarna camera 2 registreert dat [gedaagde] om 16:07 uur en 38 seconden weer recht op [eiser] afloopt met een lang hangend voorwerp in zijn rechterhand. Van een directe dreiging was derhalve geen sprake.

4.9. De slotsom van het vorenstaande is dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de handeling aan [gedaagde] kan worden toegerekend zodat [gedaagde] dus aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade. Thans dient te worden bepaald in welke mate [gedaagde] aansprakelijk is voor die schade.

Eigen schuld: causaliteit ontstaan van de schade

4.10. [gedaagde] beroept zich op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van het letsel. [eiser] was dronken, heeft [gedaagde] aangesproken en de eerste stomp gegeven waardoor een handgemeen is ontstaan.

4.11. Artikel 6:101 BW geeft allereerst als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf van artikel 6:101 BW houdt een causaliteitsafweging in, die in een geval als het onderhavige daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [eiser] en anderzijds het gedrag van [gedaagde] aan het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij toepassing van de in tevens artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie, waarop hierna onder rechtsoverweging 4.13 zal worden ingegaan.

4.12. Vast is komen te staan dat [eiser] de eerste klap heeft uitgedeeld (r.o. 4.7). De rechtbank is van oordeel dat [eiser] daarmee voor 20% aan het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen, hetgeen betekent dat [gedaagde] daaraan voor 80% heeft bijgedragen.

Billijkheidscorrectie

4.13. Thans komt de vraag aan de orde of - eveneens op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW - een andere verdeling in het kader van de schadevergoedingsplicht op zijn plaats is, zoals [eiser] aanvoert. Dit is het geval indien de billijkheid dit eist, gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het geval zijn betrokken: de zogenoemde billijkheidscorrectie. Er wordt in dit kader rekening gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met de andere omstandigheden van het geval, zoals de ernst van het letsel.

4.14. [eiser] is op jonge leeftijd, hij was ten tijde van het incident 33 jaar, zonder dat daartoe directe noodzaak bestond door [gedaagde] met een riem op zijn gezicht geslagen als gevolg waarvan hij zijn rechteroog moet missen. Tegen zijn wil in heeft [eiser] na het incident zijn leven een nieuwe richting moeten geven. [eiser] was werkzaam als metaalbewerker en dat was naar eigen zeggen zijn lust en zijn leven. Met één oog kan [eiser] dat beroep niet meer uitoefenen en zijn werkgever heeft ervan afgezien hem een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden. Volgens [eiser] is hij door het incident en het verlies van zijn werk in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. Dit alles in aanmerking nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist dan 80/20 en wel zo dat [gedaagde] gehouden is om 100% van de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

4.15. De rechtbank acht de vorderingen van [eiser] in zoverre toewijsbaar dat zij voor recht zal verklaren dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade.

Eigen schuld: causaliteit omvang van de schade

4.16. [gedaagde] voert tevens aan dat [eiser] eigen schuld heeft aan de omvang van zijn schade. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zich schuldig gemaakt aan uitlokking en heeft hij zelf gehandeld uit zelfverdediging.

4.17. Dit verweer faalt om dezelfde redenen als zijn verweer ten aanzien van de onrechtmatigheid van de daad, waaraan [gedaagde] dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

4.18. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan. [eiser] heeft herhaaldelijk medisch noodzakelijke behandeling geweigerd. Om te kunnen beoordelen of het letsel zich bij een eerdere behandeling zou hebben hersteld of eerdere behandeling tot een wezenlijke verbetering had geleid, dient [eiser], volgens [gedaagde], zijn medisch dossier in het geding te brengen dan wel dient een medisch deskundige te worden benoemd. Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] zich moet omscholen nu hij niet meer in staat is zijn functie van metaalbewerker uit te voeren en dient er bij de toerekening van de door [eiser] geleden schade aan [gedaagde] rekening te worden gehouden met de voorzienbaarheid van schade.

4.19. De rechtbank overweegt als volgt. Door [gedaagde] zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om tot het oordeel te kunnen komen dat [eiser] door niet tijdig medische hulp in te roepen niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan, en ook het dossier biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Het had wel op de weg van [gedaagde] gelegen dergelijke feiten en omstandigheden aan te voeren. Zelfs indien juist zou zijn dat [eiser] in eerste instantie medische behandeling heeft geweigerd, dan nog zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de schade aan het rechteroog van [eiser] minder zou zijn geweest indien hij eerder zou zijn behandeld. In dat kader ziet de rechtbank ook onvoldoende aanleiding om een medisch deskundige te benoemen dan wel [eiser] te verplichten zijn medisch dossier in het geding te brengen.

Alle schade die [eiser] door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft geleden of nog zal lijden, voorzienbaar of niet, dient voor rekening van [gedaagde] te komen. De vraag of en in hoeverre [eiser] aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen en de vraag of (in dat verband) van [eiser] mag worden verwacht dat hij zich laat omscholen, kunnen in een eventuele schadestaatprocedure aan de orde komen.

Slotsom

4.20. [gedaagde] heeft toerekenbaar onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en is gehouden om alle schade te vergoeden die [eiser] door het incident heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de mogelijkheid dat hij schade heeft geleden en schade lijdt voldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat ook de vordering om deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet toewijsbaar is. In de schadestaatprocedure zal ook de aanspraak op de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 juni 2010 beoordeeld worden.

Voorschot

4.21. [eiser] vordert een voorschot op zijn schade van € 25.000,=. De rechtbank acht dit bedrag toewijsbaar. De aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [gedaagde] te maken verwijt, de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel en de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank reeds een bedrag aan smartengeld in de orde van grootte van het gevorderde voorschot van € 25.000,=. Daarbij komt nog de schadevergoedingsvordering die [eiser] heeft uit hoofde van het door hem geleden verlies aan arbeidsvermogen.

Proceskosten

4.22. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding EUR 90,81

- griffierecht EUR 71,00

- salaris advocaat EUR 1.158,00 (2 punten x tarief III)

Totaal EUR 1.319,81

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de mishandeling op 19 juni 2010,

5.2. veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het letsel, zoals dat is omschreven in het lichaam van de dagvaarding, welk letsel een gevolg is van de mishandeling op 19 juni 2010, nader op te maken bij staat,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van EUR 25.000,= (vijfentwintigduizend euro) aan [eiser] als voorschot op de door [eiser] geleden en nog te lijden schade,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.319,81,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.(