Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6781

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
EA12-517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst met bank, verdenking van een strafbaar en werk-gerelateerd feit. Onvoldoende openheid van zaken daarover leidt tot wegvallen van vertrouwen bij werkgever. Ontbinding zonder vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2012/118
AR-Updates.nl 2012-0518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : 12-517

Datum : 22 mei 2012

245

Beschikking van de kantonrechter te Amsterdam op het verzoek van:

de naamloze vennootschap ABN - AMRO BANK.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster, nader te noemen ABN-Amro

gemachtigde: mr. M. J.M.T. Keulards

t e g e n:

[verweerder}

wonende te Den Haag

verweerder, nader te noemen [verweerder]

gemachtigde: mr. M.G. Coutinho

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

ABN-Amro heeft op 14 maart 2012 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 23 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 24 april 2012. ABN-Amro is verschenen bij de heer [naam], mevrouw [naam] en haar gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde.

Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. De kantonrechter heeft vragen gesteld en de zaak met partijen besproken. De aantekeningen zijn opgenomen in het dossier.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1.Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.[verweerder], thans 35 jaar oud, is sedert 1 mei 2007 in dienst van ABN-Amro als Hoofd Acquisitie Preffered Banking (verder Hoofd APB). Het bruto salaris bedraagt € 4.318,58 per maand exclusief emolumenten en vakantietoeslag.

1.2.Als Hoofd APB geeft [verweerder] leiding aan een team van 5 tot 7 personen. Doel van zijn functie is klanten te interesseren voor de bankprodukten van ABN-Amro. Over de jaren 2007 - 2010 heeft [verweerder] een goede beoordeling gekregen.

1.3.Bij ABN-Amro geldt - naast de CAO - een interne Gedragscode Privé-Beleggingstrans-acties (verder de Gedragscode), waarin als 5.3 Artikel 3 is opgenomen:

De medewerker die beschikt over voorwetenschap met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten mag geen privé-transactie in die financiële instrumenten (trachten te ) bewerkstelligen of verrichten […]

en als 5.7 Artikel 7:

Het is de medewerker niet toegestaan een privé transactie te verrichten indien daardoor redelijkerwijs voorzienbaar de schijn kan worden gewekt dat hij daarbij beschikte of kon beschikken over voorwetenschap en in art 8.7 Artikel 25 is vermeld:

Handelen door de medewerker in strijd met deze gedragscode opgenomen regels wordt beschouwd als een ernstige inbreuk op het vertrouwen dat ABN-Amro als werkgever in de medewerker kan stellen en kan leiden tot een passende sanctie[…] schorsing en andere disciplinaire of arbeidsrechtelijke maatregelen, ontslag op staande voet daarvan niet uitgezonderd.”

Overtreding van artikel 3: verbod op gebruik van voorwetenschap[…] kan een misdrijf opleveren […]

1.4.Op 25 oktober 2011 is [verweerder] door de FIOD aangehouden op verdenking van handel met voorwetenschap, in april 2009 gepleegd, en is er bij hem huiszoeking gedaan. Na twee dagen in voorlopige hechtenis te hebben doorgebracht, is [verweerder] heen gezonden.

1.5.Bij brief van dezelfde datum heeft ABN-Amro [verweerder] bericht dat zijn salaris werd opgeschort en dat hij aansluitend op zijn vrijlating geschorst werd. Daarnaast werd [verweerder] verzocht cq gesommeerd om direct na de vrijlating contact op te nemen met de afdeling Security & Intelligence Management (Verder SIM) om een verklaring af te leggen en alle stukken (waaronder de processen-verbaal) ter inzage te geven.

1.6.De brief stelt:

“Wij wijzen u er op dat indien u zich aan het bovenstaande niet houdt, u ons niet alle nodige informatie verschaft of u geen direct gevolg geeft aan onze (overigens) redelijke verzoeken, dan wel voldoende is komen vast te staan dat u zich schuldig hebt gemaakt aan het […] u ernstig rekening dient te houden met een ontslag op staande voet”.

1.7.Direct na zijn vrijlating heeft [verweerder] met SIM contact opgenomen. Op 31 oktober 2011 heeft hij bij SIM een verklaring afgelegd. De verklaring is in de procedure gebracht. Uit de verklaring blijkt dat de verdenking betrekking heeft op handel van [verweerder] in het aandeel AND, waarover hij informatie zou hebben gekregen van een collega, mevrouw [naam collega].

1.8.Op 21 december 2011 is [verweerder] voor de tweede keer door SIM verhoord. Ook die verklaring is in de procedure gebracht. Aansluitend heeft [verweerder] een paniekaanval gekregen en zich arbeidsongeschikt gemeld.

1.9.Op 27 januari 2012 heeft SIM zijn (eind-) onderzoeksrapport aan ABN-Amro gestuurd; ook dat rapport is in de procedure gebracht. SIM concludeert dat het aannemelijk is (maar niet onomstotelijk is vastgesteld) dat de beschuldigingen van de FIOD richting [naam collega] en [verweerder] gegrond zijn.

1.10.Het onderzoek van de FIOD jegens [verweerder] is niet afgerond; [verweerder] heeft (nog) geen kennisgeving van geen verdere vervolging gekregen.

1.11.Per 5 maart 2012 is [verweerder] arbeidsgeschikt geacht door de bedrijfsarts. [verweerder] bleef geschorst.

1.12.Zowel met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van mevrouw [naam collega] als met die van [verweerder] heeft ABN-Amro ontbinding gevraagd; of in die procedure al een beslissing is genomen, is de kantonrechter niet bekend.

Verzoek en verweer

2.ABN-Amro verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen en stelt dat [verweerder] zich zodanig heeft gedragen dat dit een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678, eerste lid BW heeft opgeleverd. Daarnaast vraagt ABN-Amro ontbinding wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen.

3.Daartoe stelt ABN-Amro - kort gezegd - dat gelet op zijn functie als Hoofd APB van een grote financiële instelling als ABN-Amro van [verweerder] mocht worden verwacht dat hij brandschoon zou zijn en blijven, helemaal waar het gaat om de handel in aandelen. Als een reëel en onderbouwd vermoeden bestaat dat een medewerker op een dergelijke positie binnen ABN-Amro in aandelen heeft gehandeld met voorkennis, mag van die medewerker, mede gezien de op dit punt met de vakbonden overeengekomen gedragsregels, minst genomen worden verwacht dat hij zoveel als mogelijk de aan zijn adres gerichte verdenkingen wegneemt.

4.[verweerder] heeft dat hardnekkig geweigerd, zo blijkt uit het onderzoeksrapport van SIM. Ondnaks de duidelijk aanzegging van ABN-Amro dat [verweerder] gehoor diende te geven aan de redelijke opdracht van ABN-Amro om alle informatie te geven omtrent de verdenking van de FIOD én de daarbij gegeven waarschuwing dat ontslag zou kunnen volgen als aan deze opdracht geen gevolg zou worden gegeven, heeft [verweerder] zijn kaken op[ elkaar gehouden. Daardoor is [verweerder] het vertrouwen van ABN-Amro onwaardig geworden en is een vertrouwensbreuk ontstaan. Doordat [verweerder] de concrete verdenking van de FIOD niet heeft weggenomen, heeft hij de verdenking in stand gelaten en zelfs versterkt.

5.Dit handelen van [verweerder] levert volgens ABN-Amro primair een dringende reden op en subsidiair een verandering van omstandigheden.

6.[verweerder] betwist dat zich een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft voorgedaan en ook dat er overigens gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door ABN-Amro bedoelde zin en verzet zich tegen de door ABN-Amro gevorderde ontbinding. [verweerder] verzoekt voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden om een vergoeding van C=1 (zijnde circa € 14.000,00 bruto) ten laste van ABN-Amro toe te kennen.

7.[verweerder] voert ter ondersteuning van zijn stellingen - kort gezegd - aan dat niet gesteld kan worden dat sprake was van een redelijke opdracht, dan wel dat hij niet heeft geweigerd aan die opdracht te voldoen. [verweerder] heeft immers direct na de opheffing van de hechtenis contact met ABN-Amro opgenomen en heeft bij SIM een verklaring afgelegd. [verweerder] heeft ontkend en betwist met voorkennis te hebben gehandeld, meer kan [verweerder] niet verklaren.

8.Het strafbare feit waarvan [verweerder] wordt verdacht houdt geen enkel verband met de werkvloer. Bovendien liep er al een strafrechtelijk onderzoek. ABN-Amro had dus geen enkel belang om een eigen onderzoek te doen en heeft daarbij het belang van [verweerder] als verdachte laten wijken. [verweerder] heeft ook een recht op privacy, hetwelk door ABN-Amro volledig is genegeerd. [verweerder] was dus niet verplicht te antwoorden tijdens de interviews van SIM, maar heeft dat wel steeds onverplicht gedaan.

9.[verweerder] is steeds goed beoordeeld, behalve over 2011, welke beoordeling in januari 2012 heeft plaats gevonden. Toen kreeg [verweerder] plots een onvoldoende beoordeling, terwijl hij niet op zijn functioneren was aangesproken.

Beoordeling

10.Vooropgesteld wordt dat indien [verweerder] heeft gehandeld met voorkennis, gelet op de aard van zijn functie en zijn positie bij ABN-Amro, dit in beginsel aangemerkt wordt als een dringende reden als bedoeld in art 7:685 lid 2 jo 7: 677 BW.

11.Dat er sprake is geweest van een dringende reden zoals door ABN-Amro gesteld, is echter niet komen vast te staan. Het SIM rapport spreekt van een aannemelijkheid, maar geen zekerheid, [verweerder] is (nog) niet veroordeeld en heeft voorts ontkend met voorkennis te hebben gehandeld. Ter vaststelling van de gestelde dringende reden is derhalve nader onderzoek van de feiten nodig. Onderhavige procedure leent zich daar naar haar karakter echter niet voor.

12.Nu voorts [verweerder] wel medewerking heeft verleend aan het onderzoek door SIM en de daartoe strekkende opdrachten van ABN-Amro heeft opgevolgd, kan [verweerder] niet worden verweten geweigerd te hebben te voldoen aan een redelijke opdracht zijdens ABN-Amro. Het verzoek voor zover gebaseerd op een dringende reden, wordt dan ook afgewezen.

13.Wel wordt met ABN-Amro geoordeeld dat, gelet op de zeer ernstige verdenking van [verweerder] voor een werk-gerelateerd strafbaar feit (hoe [verweerder] kan stellen dat handel met voorkennis niet werk-gerelateerd is, ontgaat de kantonrechter volledig), van [verweerder] kon en mocht worden verwacht dat hij vanaf het begin de grootst mogelijke openheid van zaken zou geven en al het mogelijke zou doen om de verdenking jegens hem weg te nemen. Zulks op grond van art 7: 611 BW en los van de vraag wat ABN-Amro daaromtrent in haar Gedragscode (of in de CAO) heeft opgenomen. De werkgever moet immers een eigen inschatting kunnen maken met betrekking tot de (zeer ernstige en werk-gerelateerde) gerezen verdenking. Dat [verweerder] die informatie niet wil geven, met een beroep op zijn privacy, moge zo zijn, maar impliceert wel dat dus de ernstige verdenking bij ABN-Amro blijft bestaan.

14.Naar de kantonrechter meent, heeft [verweerder] onvoldoende openheid van zaken betracht, met name voor wat betreft zijn relatie met mevrouw [naam collega] en de reden waarom hij in de aandelen AND heeft gehandeld. Daardoor is rond die transacties van [verweerder] een schimmige, niet geheel duidelijke situatie blijven bestaan, die [verweerder] valt aan te rekenen.

15.Het is begrijpelijk dat als gevolg daarvan ANB-Amro het vertrouwen in [verweerder] heeft verloren en de goede verstandhouding, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen, blijvend is komen te ontbreken. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden.

16.Op gronden van billijkheid komt aan [verweerder] geen vergoeding toe, waarbij mee heeft gewogen dat hetgeen is gebeurd in zijn risicosfeer valt. [verweerder] is daarvoor verantwoordelijk.

17.Nu op verzoek van ABN-Amro de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden en geen vergoeding wordt toegekend, behoeft geen termijn te worden bepaald waarin ABN-Amro het verzoek kan intrekken.

18.Er zijn termen om de kosten tussen partijen te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

I.ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2012;

II.wijst het meer of anders verzochte af;

III.compenseert de proceskosten in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2012 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter