Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6700

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
504832 / HA RK 11-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking. Verzoek tot gelasten voorlopig getuigenverhoor toewijsbaar. Een deel van de getuigen zijn in het verzoekschrift slechts in hoedanigheid aangeduid, met vermelding van functie, werklocatie en periode waarin zij werkten bij verweerster, omdat verzoekers niet bekend zijn met hun namen en woonplaatsen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat verweerster op basis van artikel 22 Rv de namen en woonplaatsem van de desbetreffende getuigen zal verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 504832 / HA RK 11-404

Beschikking van 3 mei 2012

in de zaak van

1. [verzoeker sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeker sub 3] BEHEER B.V.,

gevestigd te Horst,

4. [verzoeker sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [verzoeker sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [verzoeker sub 6],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. J.H. Tonino te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.

Verzoekers zullen hierna ieder afzonderlijk [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] Beheer, [verzoeker sub 4], [verzoeker sub 5] en [verzoeker sub 6] genoemd worden. Verweerster zal hierna ABN AMRO genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv met producties, ingekomen ter griffie op 24 november 2011;

- de tussenbeschikking van 5 januari 2012, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

- het verweerschrift ex artikel 186 Rv;

- het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift, gehouden op 20 maart 2012 en de daaraan gehechte stukken.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De heer [A], laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: [A]), was eigenaar van een eenmanszaak, tot 1 oktober 1995 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven onder de handelsnaam “Effecten-adviesbureau [A]” en van 1 augustus 1995 tot 1 januari 2006 onder “[A] Adviesburo voor Aandelen en Optiestrategieen” (hierna: [A] Adviesburo). De bedrijfsomschrijving luidde met ingang van 1 augustus 1995: “Aan en verkoop effecten, adviseren van klanten m.b.t. effectenhandel” alsmede “Adviseren en begeleiden van beleggers in aandelen en opties en het voeren van administratie met betrekking tot beleggingen”.

2.2. Van 1 april 2001 tot 18 november 2002 stond een nevenvestiging van [A] Adviesburo in het handelsregister ingeschreven onder de handelsnaam “[A] Administratiekantoor voor beleggingsadministraties” en met als bedrijfsomschrijving: “Het voeren van administratie met betrekking tot beleggingen”.

2.3. De eenmanszaak genaamd “Bar ’t Koepeltje”, die met ingang van 10 december 2006 eveneens werd gedreven voor rekening van [A], stond tot datum overlijden van [A] in het handelsregister ingeschreven met een vestiging onder de handelsnaam “[A] Administratiekantoor voor beleggingsadministraties”.

2.4. [A] had drie rekeningen bij de ABN AMRO, te weten een rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [A] (hierna: de [rekeningnummer 1]-rekening), een rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] op de naam “VOF ’t Koepeltje” en een rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van “De heer [A] H/O [A] Adviesburo voor aandelen en optiestrategieën” (hierna: de [rekeningnummer 3]-rekening).

2.5. De heer en [verzoeker sub 2] hebben van hun gezamenlijke rekening in totaal

EUR 183.000,- naar de [rekeningnummer 1]-rekening van [A] overgemaakt.

2.6. [verzoeker sub 3] Beheer heeft in totaal EUR 190.000,- naar de [rekeningnummer 1]-rekening van [A] overgemaakt. [verzoeker sub 3] Beheer heeft in totaal EUR 81.880,80 naar de [rekeningnummer 3]-rekening van [A] Adviesbureau overgemaakt.

2.7. [verzoeker sub 4] en [verzoeker sub 5] hebben van hun gezamenlijke rekening eenmalig EUR 10.000,- overgemaakt naar de [rekeningnummer 3]-rekening van [A] Adviesbureau.

2.8. [verzoeker sub 6] heeft eenmalig EUR 50.000,- overgemaakt naar de [rekeningnummer 1]-rekening van [A].

2.9. Op 1 oktober 2008 is [A] door zelfdoding om het leven gekomen.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen, primair teneinde de in het verzoekschrift als volgt omschreven personen als getuigen te horen:

1. de filiaalmanager(s) verantwoordelijk in de periode 1 januari 2006 tot 1 oktober 2006 van het filiaal van de ABN AMRO AMRO te Deurne, gevestigd aan de Markt 10;

2. de medewerkers van genoemd filiaal te Deurne die in de periode

1 januari 2006 tot 1 oktober 2008 werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van [A] en meer specifiek de kasmedewerkers die in de genoemde periode werkzaam waren in het betreffende filiaal te Deurne;

3. mevrouw [B], wonende te ([postcode]) [plaats], aan het adres [adres], die een aantal jaren de administratie van het kantoor van [A] verzorgd heeft;

4. de verantwoordelijke compliance officer bij ABN AMRO voor het dossier [A].

3.2. Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat zij voornemens zijn een vordering in te stellen tegen ABN AMRO. Door middel van een voorlopig getuigenverhoor wensen zij bewijs te verkrijgen ter bevestiging van de door hen gestelde aansprakelijkheid van ABN AMRO en meer zicht te krijgen op de feiten ten behoeve van het opstellen van de dagvaarding. Verzoekers wijzen er daarbij op dat ABN AMRO feitelijk heeft geweigerd enige informatie aan hen te verstrekken, niet in overleg wenst te treden en iedere aansprakelijkheid afwijst.

3.3. Verzoekers voeren ter onderbouwing van de door hen gestelde aansprakelijkheid van ABN AMRO – kort gezegd – aan dat zij slachtoffer zijn geworden van een beleggingsfraude gepleegd door [A]. Verzoekers stellen dat zij en vele andere beleggers in de afgelopen jaren, al dan niet door overboeking of contante storting, gelden ter belegging of ter geldlening hebben verstrekt aan [A], terwijl [A], naar later is gebleken, niet beschikte over enige vergunning. Na de zelfdoding van [A] op 1 oktober 2008 is gebleken dat er nimmer beleggingen zijn verricht door hem en lijken de ingelegde gelden te zijn verdwenen. Verzoekers hebben een belangrijk deel van hun inleg via de ABN AMRO rekeningen van [A] laten lopen. Verzoekers is via bankafschriften gebleken van volgens hen onregelmatige transacties op de rekeningen van [A] en [A] Adviesbureau in de periode van oktober 2006 tot en met september 2008, waaronder veel contante kastransacties net onder of zelfs boven de daglimiet, allemaal verricht bij het filiaal van ABN AMRO aan de Markt 10 in Deurne. ABN AMRO had zich gelet op deze transacties alsmede de bedrijfsomschrijving van [A] advies op enig moment moeten hebben realiseren dat er mogelijk in strijd met diverse vergunningseisen werd gehandeld en onderzoek moeten verrichten of meldingen moeten doen. Verzoekers wensen middels het voorlopig getuigenverhoor met name te onderzoeken hoe de bewuste kastransacties precies zijn verlopen en vanaf welk moment ABN AMRO wetenschap had of minimaal had kunnen hebben van het onregelmatige handelen van [A].

3.4. Aan de in rechtsoverweging 3.1 onder 1. en 2. omschreven getuigen willen verzoekers vragen stellen over hun wetenschap van de activiteiten van [A] en de achtergrond van de gestelde onregelmatige kastransacties. Aan de onder 3. genoemde getuige willen verzoekers vragen stellen aangaande de gestelde onregelmatige kastransacties, bezien vanuit de werkwijze in het kantoor van [A], en over de relatie van [A] met ABN AMRO. Aan de onder 4. omschreven getuige zijn verzoekers voornemens vragen te stellen betreffende de initiële cliëntacceptatie van [A] door ABN AMRO en compliance activiteiten.

3.5. Voor zover ABN AMRO weigert nadere informatie te geven over de identiteit van de in rechtsoverweging 3.1 onder 1., 2. en 4. omschreven personen en de rechtbank meent dat het oproepen van de betreffende getuigen per adres van de bank onder vermelding van de hiervoor gegeven omschrijving en functie ter vaststelling van de betreffende persoon niet mogelijk is, verzoekt [verzoeker sub 1] c.s. subsidiair de volgende personen als getuigen te mogen horen:

5. Mevrouw [C], manager voor branches in Deurne, Gemert en Mierlo;

6. De heer [D], bankmedewerker werkzaam in het kantoor Deurne;

7. De chief compliance officer ABN AMRO AMRO Bank Nederland mevrouw [E], alsmede de heren [F] en [G], medewerkers juridische zaken ABN AMRO AMRO Bank Nederland N.V.

4. Het verweer

4.1. ABN AMRO verzet zich tegen inwilliging van zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van verzoekers en voert daartoe allereerst aan dat de aanduiding van de personen die verzoekers als getuigen willen doen horen in het verzoekschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 187 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omdat ten aanzien van de hiervoor onder 1., 2. en 4. aangeduide personen zowel de namen als de woonplaatsen ontbreken en van de personen genoemd onder 5., 6. en 7. de woonplaats. ABN AMRO meent dat zij niet verplicht is de namen en woonplaatsen van (oud)medewerkers te verstrekken en daarmee deze gebreken in het verzoekschrift te helen. Het verstrekken van de namen en woonplaatsen is niet in haar belang, aldus ABN AMRO. Voorst wijst ABN AMRO erop dat zij in het kader van een goed werkgeverschap de betreffende persoonsgegevens van haar werknemers niet zonder wettelijke grondslag kan verschaffen. Nu een rechtsgeldige oproep van niet nader omschreven personen niet mogelijk is, kan het verzoek niet worden toegewezen en missen verzoekers belang bij hun verzoek, aldus ABN AMRO.

4.2. ABN AMRO voert voorts aan dat het verzoek moet worden afgewezen omdat verzoekers geen rechtens te respecteren belang hebben bij een rechtsvordering jegens ABN AMRO. In de eerste plaats geldt dat de door verzoekers genoemde wetgeving niet strekt ter bescherming van de belangen van derden zoals verzoekers. In de tweede plaats had ABN AMRO vanwege haar wettelijke geheimhoudingsplicht verzoekers niet mogen informeren over enig onderzoek naar [A]. Verder hebben verzoekers geen inzicht gegeven in de aard en inhoud van hun beweerde rechtsverhouding met [A], zodat niet kan worden vastgesteld of die rechtsverhouding rechtens aanspraak geeft op terugbetaling van enig bedrag door (de erven van) [A]. Ten slotte voert ABN AMRO aan dat de vraagstelling zich dient te beperken tot de girale transacties waarbij verzoekers zelf rechtstreeks betrokken waren en dat de vraagstelling ten aanzien van de onder 5., 6. en 7. genoemde personen beperkt dient te blijven tot de kwestie of zij uit eigen wetenschap iets kunnen verklaren over de toenmalige activiteiten van [A], hetgeen zij volgens ABN AMRO niet kunnen. Het willen horen van de onder 5., 6. en 7. genoemde getuigen levert overigens misbruik van recht op, nu verzoekers weten dat deze personen geen relevante verklaringen uit eigen wetenschap kunnen afleggen. Het verzoek is overigens een ‘fishing expedition’ en dient reeds daarom te worden afgewezen, aldus steeds ABN AMRO.

5. De beoordeling

5.1. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor als het onderhavige is dat de rechter in beginsel op de voet van

artikel 186 Rv, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 166 Rv, een getuigenbewijs beveelt zo vaak één der partijen dit verzoekt, de te bewijzen aangeboden feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden.

5.2. Aan dit criterium is voldaan. Verzoekers wensen middels een voorlopig getuigenverhoor bewijs te leveren van de onder punt 3.3 weergegeven stellingen omtrent het handelen van [A] en ABN AMRO, die door ABN AMRO worden betwist. Het bewijs van de feiten die aan die stellingen van verzoekers ten grondslag liggen kan tot een beslissing in de zaak dienen. Het bewijs van deze feiten door getuigen is dan ook toegelaten.

5.3. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, dient evenwel onder andere te worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn indien, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van deze bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan worden gekomen. Verder dient het verzoek te worden afgewezen indien de verzoeker bij het verzoek geen belang heeft in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.4. Niet kan worden geoordeeld dat verzoekers onvoldoende belang hebben bij het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor of dat zij misbruik maken in de hiervoor bedoelde zin. Immers, een voorlopig getuigenverhoor strekt ertoe verzoekers de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het geding van belang zijnde feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekers gestelde feiten voldoende concreet en ter zake dienend zijn, nu verzoekers in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling voldoende duidelijk hebben aangegeven welke stellingen en daaraan ten grondslag liggende feiten zij wensen te bewijzen (zie hiervoor onder 3.3 en 3.4). Van een fishing expedition, zoals gesteld door ABN AMRO, is dan ook geen sprake. Of ABN AMRO uiteindelijk aansprakelijk is jegens verzoekers en of de vorderingen van verzoekers zullen slagen, is iets wat in het kader van het voorlopig getuigenverhoor niet beoordeeld dient te worden, aangezien dan vooruit wordt gelopen op de uitkomst van de mogelijk nog aan te spannen bodemprocedure. De door ABN AMRO aangevoerde verweren tegen haar aansprakelijkheid maken in elk geval niet dat reeds in dit stadium moet worden geoordeeld dat verzoekers geen enkel juridisch belang hebben bij hun beoogde rechtsvordering.

5.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzoek op de wet is gegrond en in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Geoordeeld wordt dat verzoekers gelet op het voorgaande belang hebben bij het doen horen van de door hen primair verzochte, hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder 1. tot en met 4. genoemde getuigen. Met uitzondering van de getuige mevrouw [B], zijn deze getuigen in het verzoekschrift slechts in hoedanigheid aangeduid, met vermelding van functie, werklocatie en periode waarin zij werkten, omdat verzoekers niet bekend zijn met hun namen en woonplaatsen. ABN AMRO is de meest gerede partij om de namen van deze getuigen te verstrekken. ABN AMRO weigert echter, ook desgevraagd ter zitting, om dit te doen. De redenen die ABN AMRO hiervoor aanvoert worden als rechtens niet relevant verworpen. Door in deze gerechtelijke procedure na te laten de namen van de getuigen op te geven, frustreert ABN AMRO de rechtsgang en handelt zij in strijd met de goede procesorde. Dit heeft tot gevolg dat ABN AMRO zich er niet op kan beroepen dat bij sommige getuigen geen namen of woonplaatsen in het verzoekschrift zijn genoemd. Die omstandigheid kan dan ook niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staan.

5.6. Hoewel de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel is dat het verzoek tot het horen van de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder 1 tot en met 4 getuigen moet worden toegestaan, is het denkbaar dat het getuigenverhoor bij een mogelijk gebrek aan medewerking zijdens ABN AMRO bij het doorgeleiden van de oproepingen feitelijk niet tot stand zal kunnen komen. Op grond van de in rechtsoverweging 5.5 genoemde omstandigheden betreffende de weigering van ABN AMRO tot het verstrekken van de namen van de getuigen, brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat op basis van artikel 22 Rv, dat van toepassing is op alle civiele procedures, aanleiding bestaat om ABN AMRO te bevelen de namen en woonplaatsen van de desbetreffende getuigen te verstrekken.

5.7. Gelet op het voorgaande zal het primaire verzoek van verzoekers worden toegewezen als na te melden en behoeven de overige stellingen van partijen geen nadere bespreking meer. Tevens zal aan ABN AMRO het bevel worden gegeven tot het verstrekken van gegevens als na te melden.

5.8. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld hun verhinderdata voor de maanden augustus, september, oktober en november 2012 aan de rechtbank door te geven, waarna het verhoor zal worden bepaald met inachtneming van deze verhinderdata.

5.9. Aangezien de advocaat van ABN AMRO een afschrift van deze beschikking ontvangt, zijn verzoekers niet gehouden om ABN AMRO op de voet van artikel 190 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. beveelt een voorlopig getuigenverhoor;

6.2. bepaalt dat op het voor het verhoor te bepalen dagdeel door verzoekers de hiervoor onder rechtsoverweging 3.1 omschreven verzochte getuigen 1. tot en met 4. mogen worden opgeroepen;

6.3. beveelt ABN AMRO om binnen twee weken na de datum van deze beschikking de volgende gegevens aan verzoekers te verstrekken:

- de namen van de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder 1., 2. en 4. omschreven getuigen;

- een vermelding per getuige of deze persoon nog steeds werkzaam is bij ABN AMRO en zo ja, op welk werkadres. Indien de getuige nog werkzaam is bij ABN AMRO: met vermelding of deze persoon al dan niet domicilie kiest op zijn/haar werkadres bij ABN AMRO. Indien de getuige niet meer werkzaam is bij ABN AMRO of geen domicilie kiest op zijn/haar werkadres bij ABN AMRO: met vermelding van de huidige bekende woonplaats van deze persoon;

6.4. benoemt een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank tot rechter-commissaris;

6.5. bepaalt dat de zaak zal worden aangehouden tot 14 juni 2012 teneinde

partijen in de gelegenheid te stellen hun verhinderdata en die van de op te roepen getuigen in de periode van augustus tot en met november 2012 door te geven aan de griffier van deze rechtbank (ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel), waarna een datum voor verhoor zal worden bepaald;

6.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2012.?