Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6449

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
497967 / HA ZA 11-2378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige bestemmingswijziging/onrechtmatige woonruimtevordering afgewezen.

Geslaagd beroep op formele rechtskracht van het besluit tot woonruimtevordering en de daarin vervatte uitgangspunten. Bovendien gezag van gewijsde eerdere vonnissen, waarin reeds een vergoeding is toegekend voor schade als gevolg van het betreffende complex van handelen van de Gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 497967 / HA ZA 11-2378

Vonnis van 21 maart 2012

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

advocaat mr. K. Boukema te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM, DIENST WONEN, ZORG EN SAMENLEVING,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 februari 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 28 september 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties,

- het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ter comparitie heeft de Gemeente de door haar ingestelde vordering in reconventie ingetrokken.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is in het voorjaar van 1988 eigenaar geworden van het op dat moment gekraakte pand aan de [adres] te Amsterdam (hierna: het pand).

2.2. Bij besluit van 15 maart 1989 (hierna: het besluit) is de Gemeente op grond van de toen vigerende Woonruimtewet 1947 overgegaan tot woonruimtevordering (hierna: de woonruimtevordering). De Gemeente heeft de woning vervolgens toegewezen aan de krakers tegen betaling van een gebruiksvergoeding.

2.3. De rechtsvoorganger van [A] heeft beroep ingesteld tegen het besluit. Bij uitspraak van 31 juli 1989 heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State dit beroep verworpen (hierna: de beroepsuitspraak).

2.4. Bij besluit van 2 oktober 1989 heeft de Gemeente de gebruiksvergoeding voorlopig vastgesteld op fl. 2.862,25 per maand. Bij advies van de huurcommissie van 11 april 1990 is de maximaal redelijke huurprijs voor het pand vastgesteld op fl. 4.020 per maand ingaande op 1 juli 1988 en op fl. 4.140,60 ingaande op 1 juli 1989. Bij besluit van 1 juni 1990 heeft de Gemeente de gebruiksvergoeding definitief vastgesteld op fl. 2.680,00 per maand ingaande op 2 oktober 1989. [A] heeft hiertegen beroep ingesteld en bij beschikking van 14 november 1990 heeft de Rijksberoepscommissie Woonruimtewet 1947 in het ressort Amsterdam de vergoeding vastgesteld op fl. 6.800,00.

2.5. Bij beschikking van 10 april 1991 heeft de Gemeente de vordering van het pand beëindigd, waarna het pand per 1 oktober 1991 is ontruimd.

2.6. Bij uitspraak van 6 september 1994 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een door [A] ingesteld verzoek tot herziening van de beroepsuitspraak afgewezen (hierna: de eerste herzieningsuitspraak).

2.7. Bij uitspraak van 26 april 1995 heeft de Afdeling een door [A] ingesteld verzoek tot herziening van de eerste herzieningsuitspraak afgewezen (hierna: de tweede herzieningsuitspraak).

2.8. Bij tussenvonnis van 9 februari 2000 (hierna: het tussenvonnis) heeft deze rechtbank geoordeeld dat de Gemeente onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door in 1989 over te gaan tot de vordering van het pand. Bij eindvonnis van 8 mei 2002 (hierna: het eindvonnis) heeft deze rechtbank de Gemeente veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [A] van een bedrag van € 42.375,86.

2.9. Bij beschikking van 10 januari 2003 heeft de Rijksberoepscommissie Woonruimtewet 1947 te Amsterdam een verzoek van [A], tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding voor het pand als bedrijfsruimte, afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente veroordeelt tot betaling aan [A] van het bedrag van € 409.306,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. bepaalt dat de Gemeente aansprakelijk is voor alle verdere schade die [A] heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige bestemmingswijze door de Gemeente van het pand, nader op te maken bij staat;

III. de Gemeente veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2. [A] legt hieraan ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zonder rechtsgrond de bestemming van het pand te wijzigen van bedrijfsruimte in woonruimte en vervolgens over te gaan tot woonruimtevordering in plaats van gebouwenvordering. [A] stelt dat hij daardoor schade heeft geleden, bestaande uit een bedrag van € 105.356,87 aan achterstallige gebruiksvergoeding op basis van de marktwaarde en de daarover misgelopen rente alsmede bestaande uit verkoopschade c.q. beleggingsschade.

3.3. De Gemeente voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat, zoals ook mr. Boukema ter comparitie heeft verklaard, de stelling van [A] dat de Gemeente de bestemming van het pand zonder rechtsgrond heeft gewijzigd, niet gezien moet worden als een nieuwe grondslag van zijn vorderingen, maar als een onderdeel van het complex van handelen door de Gemeente met betrekking tot de woonruimtevordering. Derhalve ligt dat handelen, in zijn geheel bezien, thans ter beoordeling voor.

4.2. Vast staat dat over voornoemd handelen reeds eerder is geoordeeld bij de beroepsuitspraak, de eerste herzieningsuitspraak en de tweede herzieningsuitspraak. Daarbij is ook aan de orde gekomen of de bestemming van het pand bedrijfsruimte of woonruimte was.

4.2.1. In de beroepsuitspraak is ter zake het volgende overwogen:

“Gebleken is dat het onderhavige pand in 1902 als woonhuis is gebouwd en vervolgens als zodanig in gebruik is geweest tot 1933, waarna het – tot 1973 – als kraamklinkiek en vervolgens als verpleeginrichting heeft gefungeerd.

Uit de overgelegde stukken en het thans verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat het pand thans (nog) een zodanige indeling en inrichting alsmede zodanige voorzieningen kent dat een gebruik voor bewoning mogelijk is. In aanmerking dient tevens genomen te worden dat het pand sedert 1980 ook daadwerkelijk door een tiental krakers als woongroep wordt bewoond.

Met verweerders acht de Afdeling voorts van belang dat blijkens een van 2 maart 1988 gedateerde opgave van het Gemeentekadaster/afd. gebouwenregistratie, het pand aldaar met de bestemming bewoning casu quo wonen is geregistreerd.

Appellante heeft hiertegenover gesteld dat het pand blijkens een opgave van 15 maart 1985 bij de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting/bureau vastgoedregistratie gebouwen staat geboekt met een bedrijfsbestemming.

Door verweerders is uiteengezet dat deze registratie op een fout berust. Aangezien deze stelling door de Afdeling niet ongegrond voorkomt, moet worden geoordeeld dat aan deze registratie geen betekenis toekomt.

Aangaande de verder door appellante genoemde gevallen waarin het pand door gemeentelijke instanties als bedrijfspand is betiteld, is de Afdeling op grond van de voergelegde stukken en hetgeen ter zake van de zijde van verweerders is uiteengezet, aannemelijk geworden dat een en ander is gegrond op de registratie van het pand toen dit nog in gebruik was als verpleeginrichting. Latere ontwikkelingen met betrekking tot de functie van het pand zijn daarbij niet verwerkt. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat ook aan hetgeen appellante aldus naar voren heeft gebracht bij de in dezen te beantwoorden vraag of het pand thans al dan niet als woning moet worden beschouwd, geen doorslaggevende betekenis toekomt.

Het vorenstaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat de bestemming en de feitelijke gebruiksmogelijkheden van het pand van dien aard zijn dat van een woning in de hiervoor aangegeven zin moet worden gesproken.”

4.2.2. Bij de eerste herzieningsuitspraak is ter zake het volgende overwogen:

“Wat betreft de door verzoeker overgelegde documenten inzake de registratie van het pand [adres] als bedrijf, merkt de Afdeling bestuursrechtspraak het volgende op.

Vastgesteld moet worden dat alle in dit verband door verzoeker overgelegde bescheiden dateren van vóór 6 juli 1989, te weten de datum waarop de Afdeling rechtspraak haar uitspraak waarvan herziening is gevraagd, heeft gedaan.

Nu niet is gebleken dat verzoeker deze informatie redelijkerwijs niet in de procedure die tot meergenoemde uitspraak heeft geleid naar voren heeft kunnen brengen, kan deze informatie (…) hoe dan ook niet tot de conclusie leiden dat het verzoek om herziening moet worden ingewilligd.”

4.2.3. Bij de tweede herzieningsuitspraak is ter zake het volgende overwogen:

“Wat betreft de door verzoekers in het kader van het vorige verzoek om herziening ingebrachte registratiebescheiden omtrent de bestemming van het pand [adres] merkt de Afdeling het volgende op. Anders dan waarvan in de uitspraak waarvan herziening is verzocht is uitgegaan – was het verzoeker gezien de door hem ook in het kader van evengenoemde procedure geschetste omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk bedoelde bescheiden in de procedure bij de Afdeling rechtspraak in te brengen.

De Afdeling bestuursrechtspraak is evenwel van oordeel dat, indien de Afdeling bestuursrechtspraak de door verzoeker bedoelde registratiebescheiden bij de beoordeling van het verzoek om herziening had betrokken, dit de Afdeling bestuursrechtspraak geen aanleiding zou hebben verschaft tot herziening van de uitspraak van de Afdeling rechtspraak over te gaan. (…)”

4.3. De Gemeente beroept zich op de formele rechtskracht van het besluit en het daarin vervatte uitgangspunt dat de bestemming van het pand woonruimte was. Dit beroep slaagt. Als hoofdregel heeft immers te gelden dat de burgerlijke rechter, indien een met voldoende waarborgen omklede beroepsgang tegen een beschikking niet tot vernietiging van het besluit heeft geleid bij een geschil over de geldigheid van die beschikking ervan uit dient te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dit geldt zelfs indien vast zou staan dat de beschikking zou zijn vernietigd als tijdig bezwaar zou zijn ingesteld. De aan het hiervoor weergegeven beginsel van formele rechtskracht verbonden bezwaren kunnen door bijzondere omstandigheden zo klemmend worden dat op dit beginsel, gelet op die bijzondere omstandigheden van het geval een uitzondering dient te worden gemaakt. Bij het aanvaarden van dergelijke uitzonderingen moet evenwel terughoudendheid worden betracht. In het onderhavige geval is het besluit niet vernietigd en is ook het uitgangspunt dat de bestemming van het pand woonruimte was, getoetst en in stand gelaten. Ten aanzien van dit uitgangspunt heeft het besluit dan ook formele rechtskracht.

4.4. [A] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat tegen de vermeende onrechtmatige bestemmingswijziging geen met waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan. Voor zover een oordeel hierover niet reeds besloten ligt in hetgeen de Afdeling heeft overwogen ten aanzien van de bestemming van het pand, geldt dat voornoemde stelling als onderdeel van het complex van handelen van de Gemeente met betrekking tot de woonruimtevordering expliciet aan de orde had kunnen komen in de procedures bij de Afdeling. Niet alleen heeft [A] zijn stelling dat sprake was van een (onrechtmatige) bestemmingswijziging destijds niet naar voren gebracht, terwijl niet is gebleken dat hem daartoe iets in de weg stond, maar ook in de onderhavige procedure heeft hij deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake was van een onrechtmatige bestemmingswijziging door de Gemeente en overigens dus ook niet dat het besluit in de procedures bij de Afdeling zou zijn vernietigd indien [A] zijn stelling destijds wel naar voren had gebracht. [A] kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een klemmende omstandigheid die aan de formele rechtskracht van het besluit in de weg staat.

4.5. Op grond van de formele rechtskracht van het besluit geldt dat [A] zich in deze civiele procedure niet meer erop kan beroepen dat het besluit jegens hem onrechtmatig is. Reeds hierom ligt de vordering van [A] voor afwijzing gereed.

4.6. Aan toewijzing van de vordering van [A] staat bovendien in de weg dat reeds bij onherroepelijk tussenvonnis en eindvonnis (zie 2.8) is geoordeeld dat de Gemeente onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door over te gaan tot vordering van het pand. De grondslag hiervoor was dat de Gemeente in strijd met de toepasselijke regelgeving terzake het puntensysteem in plaats van het huurprijspeil als maatstaf heeft gehanteerd, waardoor zij tegen beter weten in van een voor de woongroep betaalbare gebruiksvergoeding is uitgegaan. De Gemeente is vervolgens veroordeeld om de schade die [A] hierdoor heeft geleden te vergoeden. Aangezien [A] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemde vonnissen, hebben zij gezag van gewijsde. Aangezien [A] in de onderhavige procedure op grond van hetzelfde complex van handelen van de Gemeente (nog meer) schadevergoeding vordert, doet de Gemeente terecht een beroep op het gezag van gewijsde van het tussenvonnis en eindvonnis. De rechtbank zal derhalve aansluiten bij de beslissing zoals daarin ten aanzien van de schade is genomen, zodat ook om die reden de vordering van [A] moet worden afgewezen.

4.7. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 3.537,00

- salaris advocaat € 5.160,00 (2 punten x tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.697,00

4.8. [A] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie veroordeling van de Gemeente gevorderd tot betaling van de proceskosten in reconventie. De reden voor de vordering in reconventie was gelegen in het door [A] gemaakte voorbehoud ten aanzien van vermeende verkoopschade c.q. beleggingsschade die hij zou hebben geleden als gevolg van het besluit. Aangezien dit voorbehoud door de eisvermeerdering van [A] is komen te vervallen en de vordering in reconventie om die reden is ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten, voor zover die in reconventie zijn gemaakt, te compenseren, in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten zal dragen. De vordering van [A] tot veroordeling van de Gemeente in de proceskosten in reconventie zal dan ook worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. verordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 8.697,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.?