Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
1159076 CV EXPL 10-20023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Hennepplantage in huurwoning, aangebracht afvoerkanaal, illegaal afgetapte energie. Brand. Onrechtmatig handelen jegens eigenaar, niet zijnde de verhuurder. In het leven geroepen risico heeft zich verwezenlijkt. Causaal verband is voorhands aannemelijk. Verhuurder was bevoegd op de voet van art 7:210 BW buitengerechtelijk te ontbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1159076 CV EXPL 10-20023

Vonnis van: 17 april 2012

F.no.: 460

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. [eiseres sub 1 ]

wonende te Amstelveen

eiseres sub 1

nader te noemen: [eiseres sub 1]

2. [eiseres sub 2]

gevestigd te Amstelveen

eiseres 2

nader te noemen: [eiseres sub 2]

eiseressen worden gezamen [eiseressen] genoemd

gemachtigde: mr. D.H.S. Hulsewé

t e g e n

[gedaagde]

verblijfplaats hebbende te Neerijnen

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

procederende bij: mr. G.J.W. Pulles

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 25 mei 2010 inhoudende de vordering [eiseressen] met producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met producties.

Daarna is bij tussenvonnis 14 september 2011 een comparitie na antwoord bevolen. Deze zitting heeft op 15 november 2011 plaatsgevonden. Verschenen zijn [eiseres sub 1] en [naam directeur], directeur van [eiseres sub 2], met hun gemachtigde. [gedaagde] is met zijn gemachtigde verschenen. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Tevens is een proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseressen] een akte overlegging van een productie ingediend.

Na de zitting zijn nog ingediend:

- een brief van 1 december 2011 van [eiseressen]

- een akte van [eiseressen] met producties;

- de antwoordakte van [gedaagde].

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1. [eiseres sub 1] is eigenares van de woning gelegen aan de [adres] te Amstelveen, nader de woning te noemen.

1.2. Tussen [eiseres sub 2] en [gedaagde] is een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij [eiseres sub 2] de woning heeft verhuurd aan [gedaagde] tegen een huurprijs van € 3.000,- bij vooruitbetaling verschuldigd. De woning is met ingang van 1 juli 2004 gestoffeerd en gemeubileerd verhuurd.

1.3. Artikel 6 van de huurovereenkomst bepaalt onder meer dat de huurder de waarborgsom zal voldoen tot zekerheid van al hetgeen huurder ingevolge de huurovereenkomst aan de verhuurder verschuldigd zal zijn en dat huurder gerechtigd is de waarborgsom te verrekenen met huurbetalingen of overige betalingsverplichtingen.

1.4. [gedaagde] heeft een waarborgsom van € 6.000,- aan [eiseres sub 2] betaald.

1.5. [gedaagde] heeft een achterstand in de betaling van de huur laten ontstaan.

1.6. Op 16 februari 2010 heeft in de woning een brand gewoed, waarbij de woning is verwoest. De naastgelegen woningen zijn beschadigd door de brand.

1.7. De politie heeft (de restanten van) 180 wietplanten aangetroffen en 41 assimilatielampen. Tevens is geconstateerd dat elektriciteit voor de meterkast is afgetapt. In de woning was een afvoerkanaal van circa 60x100 cm aangebracht van de kelder tot aan de zolder.

1.8. [eiseres sub 2] heeft bij brief van 15 maart 2010 de huurovereenkomst ontbonden en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de brand. Tevens heeft [eiseres sub 2] achterstallige huur opgeëist. De brief is verzonden aan het adres van de woning en op 30 maart 2010 aan het adres [adres nr. 2] te Amsterdam. Op 15 april 2010 is de brief verzonden naar het adres [ adres nr. 3] te Amsterdam.

1.9. [gedaagde] heeft geweigerd de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van de brand te aanvaarden.

1.10. De elektriciteitsleverancier van de woning heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit door [gedaagde] en het onbruikbaar maken van de meetinrichting.

Vordering

2. [eiseressen] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiseres sub 2] en dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] heeft gehandeld:

II. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres sub 2] en [gedaagde] buitengerechtelijk is ontbonden, althans, deze alsnog per 16 februari 2010 te ontbinden, althans deze te ontbinden per een in goede justitie te bepalen datum;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door [eiseres sub 1] geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2010, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum,

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur, althans vanaf een in goede justitie te bepalen bedrag aan huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ommekomst;

V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding; en

VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nakosten van [eiseressen].

3. [eiseressen] stelt [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die als gevolg van de brand is ontstaan. De schade is toe te rekenen aan [gedaagde], die zonder toestemming een hennepplantage heeft gehouden, een afvoerkanaal in de woning heeft aangebracht en illegaal stroom heeft afgetapt. De brand is ontstaan als gevolg van kortsluiting door het aanbrengen van allerlei apparatuur die nodig is voor een professionele hennepkwekerij. [gedaagde] heeft het risico genomen dat brand zou kunnen ontstaan, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Had hij de woning gebruikt waarvoor deze was bestemd, dan was de brand niet ontstaan, waarmee het causale verband is gegeven. De hoogte van de schade moet nog nader worden vastgesteld [eiseressen] verzoekt voor het vaststellen van de schade verwijzing naar een schadestaatprocedure.

[eiseressen] verzoekt, voor zover de huurovereenkomst als niet ontbonden moet worden beschouwd, ontbinding van de huurovereenkomst op grond van tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst dan wel handelen in strijd met de wet. [gedaagde] heeft met de beoogde bestemming de woning gebruikt als professionele hennepkwekerij en heeft zich daardoor niet als goed huurder gedragen. Daarnaast heeft [gedaagde] een huurachterstand van meer dan zes maanden laten ontstaan.

Verweer

5. [gedaagde] verweert zich. Volgens [gedaagde] dient wat betreft de gevorderde schadevergoeding [eiseres sub 2] niet – ontvankelijk te worden verklaard, omdat zij geen eigenaar van het pand is en niet is gesteld op grond waarvan [eiseres sub 2] schade zou hebben geleden. De gevorderde brandschade moet verder worden afgewezen, omdat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard. De brandschade is voorts niet veroorzaakt door handelen van [gedaagde]. De oorzaak van de brand is niet vast komen te staan. [gedaagde] betwist dat hij gevaarlijke wijzigingen heeft aangebracht aan het elektriciteitsnet of anderszins een gevaarlijke situatie zou hebben doen laten ontstaan en de enkele omstandigheid dat hij een beperkt aantal hennepplanten in de kelder van de woning had is onvoldoende voor het aannemen van een causaal verband met de brand. [gedaagde] heeft met het hebben van een beperkt aantal planten niet in strijd met de huurovereenkomst gehandeld. [gedaagde] betwist dat de brand door handelen van [gedaagde] is ontstaan. De oorzaak van de brand ligt veeleer in het achterstallige onderhoud van de woning die in matige tot slechte staat was. Daardoor is kortsluiting ontstaan bij de wasmachine. Voor de hoogte van de schade is van belang of [eiseres sub 1] verzekerd was.

6. Wat betreft de achterstallige huur voert [gedaagde] aan dat [eiseres sub 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien zij geen partij is bij de huurovereenkomst. De gevorderde achterstallige huur moet voorts worden afgewezen, omdat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard. [gedaagde] voert subsidiair aan dat hij vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst op 16 februari 2010 geen huur meer verschuldigd is. De achterstallige huur moet worden berekend met de door hem betaalde waarborgsom.

7. [gedaagde] betwist de buitengerechtelijke incassokosten en rente verschuldigd te zijn.

Beoordeling

Bevoegdheid

8. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij de onderhavige zaak willen laten behandelen en beslissen door de kantonrechter en dat zij beiden afzien van verwijzing naar de sector civiel van deze rechtbank. De kantonrechter is daarmee bevoegd de zaak van zowel de [eiseres sub 2] als van [eiseres sub 1] te behandelen en te beslissen. De kantonrechter neemt aan dat partijen hun recht om in hoger beroep te gaan niet hebben willen prijsgeven.

Ontvankelijkheid

9. De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] niet-ontvankelijk zijn [eiseressen]] heeft de vordering tot schadevergoeding van [eiseres sub 1] gegrond op onrechtmatige daad en de vordering van achterstallige huur gegrond op wanprestatie jegens [eiseres sub 2] Beide partijen hebben een belang.

Verzoek aanhouding

10. [gedaagde] heeft in zijn laatste akte verzocht de zaak aan te houden, zolang de strafzaak tegen [gedaagde] aanhangig is en niet duidelijk is[eiseressen] zich daarin kan voegen als benadeelde partij. Afgezien van het feit [eiseressen] stelt dat zij zich niet kan stellen als benadeelde partij vanwege de soort tenlastelegging, ziet de kantonrechter geen aanleiding de zaak aan te houden. De kantonrechter gaat ervan uit dat, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen [eiseressen] niet langer aanleiding ziet zich als benadeelde partij te willen voegen.

Causaal verband

11. [eiseres sub 1] heeft schade gevorderd die zij heeft geleden als gevolg van de brand. In geschil is de vraag of het aanwezig zijn van een hennepkwekerij en/of het aangebrachte afvoerkanaal en/of het voor de meterkast aftappen van elektriciteit de oorzaak van de brand is/zijn geweest.

12. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres sub 1] door zonder toestemming in de kelder van de woning een hennepkwekerij te vestigen, maar ook door zonder toestemming een afvoerkanaal aan te brengen door alle verdiepingen heen naar de zolder van de woning. Tevens was het onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] om elektriciteit af te tappen ten behoeve van hennepteelt waardoor de elektrische installatie niet meer voldeed aan de daaraan te stellen veiligheidseisen (HR 29 mei 2009, LJN BH2952).

13. Met het houden van een bedrijfsmatige hennepkwekerij in de kelder van een woning, waarbij in ieder geval gebruik is gemaakt van 41 assimilatielampen, heeft [gedaagde] een brandgevaarlijke situatie doen ontstaan. Het risico op brand is vergroot door het aftappen van elektriciteit van de gangbare kabels. Niet weersproken is dat bekabeling is aangebracht op de kabel voor de meetinrichting. De gevaarzettende situatie heeft [gedaagde] verder vergroot door een afvoerkanaal aan te brengen, waarvan als niet weersproken vaststaat dat dit kanaal niet met brandwerende materialen was bedekt. Aannemelijk is dat dit afvoerkanaal als schoorsteen heeft gewerkt en zo de overslag van de brand naar de andere verdiepingen heeft bevorderd. Elke handeling op zich maar zeker in onderlinge samenhang bezien, leverde een zeer brandgevaarlijke situatie op waarmee het risico op brand en dus de kans op het ontstaan van schade in het leven is geroepen. [eiseres sub 1] heeft schade geleden, nu ter zitting niet (langer) is weersproken dat zij met betrekking tot de schade geen aanspraak op grond van een verzekering had.

14. Op grond van vaste jurisprudentie is in een geval als de onderhavige, waarbij door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico terzake van het ontstaan van de schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven. In dat geval is het aan degene die op grond van de gedraging wordt aangesproken, om aannemelijk te maken dat de schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande wordt het causale verband tussen het onrechtmatige handelen van [gedaagde] en de schade die als gevolg van de brand is ontstaan voorshands aannemelijk geacht. Het is vervolgens aan [gedaagde] om aannemelijk te maken dat de brand en daarmee de schade, ook zou zijn ontstaan als hij geen hennepkwekerij had gehad, geen afvoerkanaal had geplaatst en niet met de elektriciteit had geknoeid. Daarvoor dient [gedaagde] eerst voldoende feiten en omstandigheden te stellen die dit oordeel zouden kunnen rechtvaardigen. Zou hij in dit tegenbewijs slagen dan wil dat overigens niet zeggen dat omvang van de schade hem in het geheel niet zou zijn toe te rekenen. De kantonrechter wijst in dit verband op de omstandigheid dat het door [gedaagde] aangebrachte afvoerkanaal de omvang van de brand aanzienlijk heeft vergroot.

15. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] echter onvoldoende van een dergelijke feiten en omstandigheden aangevoerd. Zo heeft [gedaagde] slechts in algemene zin gesteld, zonder dit met stukken te staven, dat de brand het gevolg is van achterstallig onderhoud van de woning, dat de woning in slechte staat verkeerde en dat de elektrische installaties en de gasinstallaties verouderd waren. Daartegenover heeft [eiseressen] gemotiveerd en met stukken onderbouwd gesteld dat de woning, waaronder de elektriciteit, in 2001/2002 volledig is gerenoveerd. De ter zitting door [gedaagde] ingenomen stelling dat de brand is ontstaan door kortsluiting in de stopcontacten waar de wasmachine was aangesloten, heeft [eiseressen] weerlegd met het door haar overgelegde verslag met foto’s van bouw- en aannemingsbedrijf De Heemraad B.V. (De Heemraad). Daarin is onder meer geconcludeerd dat de brand niet is ontstaan op de plaats waar de wasmachine stond, gezien de staat van de wandcontactdozen en de afvoer van de wasmachine. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat dit rapport partijdig is, niet deugdelijk tot stand is gekomen en inhoudelijk niet juist is, heeft [gedaagde] zijn stelling dat de brand door kortsluiting bij de wasmachine is ontstaan als gevolg van achterstallig onderhoud, maar in ieder geval niet door zijn handelen, op geen enkele wijze nader uitgewerkt of onderbouwd. Gelet op het voorgaande had dat op zijn weg gelegen. Overigens staat als onweersproken vast dat [gedaagde] in beginsel had ingestemd met een onderzoek door De Heemraad. De stelling dat de schade ook zou zijn ontstaan zonder het onrechtmatige handelen van [gedaagde] heeft [gedaagde], hoewel hij daar reeds sinds de aansprakelijkheidsstelling in 2010 nadere onderbouwing voor had kunnen geven, onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] het voorshands aannemelijk geachte verband tussen de schade en zijn onrechtmatige handelen niet heeft weten te weerleggen. Dat betekent dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiseres sub 1] voor de als gevolg van de brand veroorzaakte schade. De verklaring voor recht dienaangaande ligt voor toewijzing gereed, alsmede het gevorderde onder II. De verschuldigdheid van de wettelijke rente volgt uit de wet.

Achterstallige huur

16. [eiseres sub 2] heeft de huurovereenkomst op grond van artikel 7:210 BW buitengerechtelijke ontbonden. Niet in geschil is dat de brand het genot van de woning geheel onmogelijk heeft gemaakt, zodat [eiseres sub 2] daartoe bevoegd was. Omdat ingevolge artikel 6: 269 BW de ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, is de gevorderde verklaring van recht toewijsbaar vanaf het moment dat [eiseres sub 2] de huurovereenkomst schriftelijk heeft ontbonden, dat wil zeggen op 15 maart 2010. Hoewel namens [eiseres sub 2] de verklaring aan het adres van de uitgebrande woning is verzonden, heeft [gedaagde] zegt niet tegen de ontbinding verzet, zodat die verklaring als rechtsgeldig kan worden beschouwd.

17. Omdat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst de huur per betaalperiode van een maand is verschuldigd had [gedaagde] de huur tot en met maart 2010 moeten betalen. [gedaagde] was de huur verschuldigd telkens voor de eerste dag van de betreffende betaalperiode, zodat hij bij niet (tijdige) betaling van rechtswege in verzuim was. Als niet weersproken staat vast dat een achterstand in de betaling van de huur is ontstaan, welke achterstand [gedaagde] zal moeten betalen aan [eiseres sub 2], die immers de verhuurder is. De huur na de ontbinding van de huurovereenkomst zou slechts bij wijze van schadevergoeding kunnen worden gevorderd, maar dat heeft [eiseres sub 2] nagelaten.

18. Anders [eiseressen] stelt komt [gedaagde] ingevolge artikel 6 van de huurovereenkomst een beroep op verrekening toe van de waarborgsom met de achterstallige huur.

19. De wettelijke rente is [gedaagde] verschuldigd telkens per opeisbaarheid van elke huurtermijn, die [gedaagde] kennelijk heeft willen vorderen met de formulering ‘vanaf datum ommekomst’.

Overige vorderingen

20. Door niet te betalen en door in de woning een hennepkwekerij in te richten, alsmede door zonder toestemming voorzieningen aan te brengen, waarvoor op zijn minst toestemming was vereist, is [gedaagde] jegens [eiseres sub 2] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en uit de wet. De onder punt I gevorderde verklaring wordt toegewezen.

21. [gedaagde] heeft zowel [eiseres sub 1] als [eiseres sub 2] aanleiding gegeven hun vordering uit handen te geven aan een incassogemachtigde. Nadat de woning door de brand onbewoonbaar was geworden lag het, mede gelet op artikel 9 van de huurovereenkomst, op de weg van [gedaagde] om contact op te nemen in ieder geval met zijn verhuurder, [eiseres sub 2]. De omstandigheid dat [gedaagde] geen vaste woon- of de verblijfplaats had, maar bij verschillende familieleden logeerde, komt voor zijn risico. Het had op zijn weg gelegen om zijn verblijfplaats telkens door te geven aan de gemeentelijke basisadministratie, dan wel anderszins ervoor zorg te dragen dat post van [eiseressen] bereikte. Naast de aanmaningen van de gemachtigde [eiseressen] heeft de gemachtigde werkzaamheden moeten verrichten om te achterhalen waar [gedaagde] zich bevond. De kosten voor de buitengerechtelijke werkzaamheden dient [gedaagde] te vergoeden. Van de gevorderde buitengerechtelijke kosten is in de gegeven omstandigheden een bedrag van € 1.600,00 redelijk. De rente die gevorderd is over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, aangezien niet is komen vast te staan dat deze kosten al door [eiseressen] betaald zijn.

22. [gedaagde] heeft nog gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat hij rauwelijks gedagvaard is. Daargelaten dat rauwelijks dagvaarden niet kan leiden tot afwijzing, kan de kantonrechter [gedaagde] niet volgen in zijn stelling. Immers, [gedaagde] is aangemaand de achterstallige huur aan [eiseres sub 2] te voldoen en de schadeloosstelling aan [eiseres sub 1]. Nadat betaling of erkenning van de aansprakelijkheid uitbleef,[eiseressen] overgegaan tot het dagvaarden van [gedaagde].

23. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is jegens [eiseres sub 2] en dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres sub 1];

II. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres sub 2] en [gedaagde] per 15 maart 2010 is ontbonden;

III. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres sub 1] van de door [eiseres sub 1] geleden schade nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2010,

IV. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres sub 2] tot:

- € 15.000,00 aan achterstallige huur, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de opeisbaarheid van de betreffende huurperiode tot aan de dag van de voldoening;

- € 1.600,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

V. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 111,00

-kosten dagvaarding: € 73,89

-salaris gemachtigde: € 900,00

--------------

Totaal: € 1.084,89

Inclusief eventueel verschuldigde BTW;

VI. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter