Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11-3464 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit over het recht op AOW-pensioen van de echtgenoot van eiseres. Eiseres kan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. Besluit tot terugvordering van eiseres van het betaalde AOW-pensioen betreft geen publieksrechtelijke rechtshandeling. Geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3464 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Marijnissen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2010 (het primaire besluit I) heeft verweerder het pensioen van de echtgenoot van eiseres, [A], op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van juli 2003 ingetrokken.

Bij besluit van 23 juli 2010 (het primaire besluit II) heeft verweerder het ten onrechte betaalde pensioen ten bedrage van € 58.262,40 ten name van [A] over de periode van juli 2003 tot en met februari 2009 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 9 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2012. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het primaire besluit I, voor zover hierin is beslist dat het AOW-pensioen van haar echtgenoot in verband met zijn vermissing is ingetrokken.

1.2. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.3. Bij het primaire besluit I heeft verweerder een beslissing genomen over het recht op AOW-pensioen van de echtgenoot van eiseres. Het feit dat eiseres financieel afhankelijk is van dit AOW-pensioen kan niet worden aangemerkt als een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang, maar slechts als een afgeleid belang. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt. Verweerder heeft gelet hierop het bezwaar van eiseres, gericht tegen de beëindiging van het AOW-pensioen van haar echtgenoot, ten onrechte ontvankelijk geacht.

2. Voorts dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of het primaire besluit II, waarbij het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen van eiseres is teruggevorderd, een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.1. Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. Op grond van artikel 24 van de AOW wordt het ouderdomspensioen dat als gevolg van een intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, door de Sociale verzekeringsbank van de pensioengerechtigde, of zijn wettelijke vertegenwoordiger teruggevorderd.

2.3. Verweerder heeft bij eiseres het onverschuldigde bedrag teruggevorderd omdat het aan haar is betaald. Artikel 24 van de AOW beperkt de mogelijkheid tot terugvordering van de individuele pensioensgerechtigde, in dit geval de heer [A], en zijn wettelijke vertegenwoordiger. In de AOW is geen mogelijkheid opgenomen tot terugvordering van onverschuldigde betaling bij de echtgenote. Verweerder kan geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 24 AOW om bij eiseres terug te vorderen Verweerder heeft geen publiekrechtelijke relatie met gezinsleden of anderen dan de rechthebbende van het pensioen. De conclusie is vervolgens dat verweerder niet van eiseres kan terugvorderen, omdat de specifieke terugvorderingsbevoegdheid, die in artikel 24 van de AOW is neergelegd en door de bestuursrechter kan worden getoetst, in dit geval niet van toepassing is.

2.4. De rechtbank overweegt dat nu het besluit tot terugvordering van eiseres van het vanaf 1 juli 2003 betaalde AOW-pensioen geen publieksrechtelijke rechtshandeling inhoudt, het primaire besluit II geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar dan wel beroep openstaat.

3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank zal het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4. Bij vernietiging van een besluit dient de rechtbank de mogelijkheden van finale geschillenbeslechting te onderzoeken. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren.

5. De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep van eiseres, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

6. Verweerder dient tevens het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 juni 2011;

- verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- (eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.V. Essenburg, rechter, in aanwezigheid van

B.O. Schaafsma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB