Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 10-3837 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1209, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek om openbaarmaking van documenten inzake getroffen maatregelen ten aanzien van de openbare orde en veiligheid, grootschalig optreden, voorbereidingshandelingen en inlichtingenhandelingen met betrekking tot de kap van de Schinveldse bossen in de periode van 2005 tot en met 2007. Verweerder heeft een NAVO document met de aanduiding ‘unclassified’ primair geweigerd op grond van het Management Document en subsidiair op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob.

De rechtbank is van oordeel dat uit paragraaf 12 van het Management Document volgt dat de bij de NAVO aangesloten landen de bevoegdheid hebben om te beslissen of een verzoek om openbaarmaking van NATO unclassified information kan worden ingewilligd. Op grond van de nationale wetgeving is verweerder in dit geval het daartoe bevoegde bestuursorgaan te achten.

Daarmee is echter niet gezegd dat paragraaf 7 van het Management Document in een dergelijk geval toepassing mist. Leidend blijft dat het gaat om NATO-informatie en dat NATO unclassified information alleen mag worden vrijgegeven in verband met een officieel NAVO-doel. Het bijzondere rechtsregime van de NAVO, dat uitgaat van geheimhouding, tenzij.., laat een andere uitleg niet toe. Er is geen ruimte voor beoordeling onder de Wob.

Van een officieel NAVO-doel dat verband houdt met openbaarmaking is onbetwist geen sprake. Daarmee staat vast dat de weigering om document 31 openbaar te maken rechtmatig is.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3837 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. H. van Drunen,

en

de minister van Defensie,

verweerder,

gemachtigden mr. E.C. Pietermaat en mr. H.J.M.R. van den Ende.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2011.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om “The Management of non-classified NATO Information” van 11 juli 2002 (hierna: Management Document) en de “Guidelines on the Security of Information” van 23 mei 2005 (hierna: Guidelines) aan de rechtbank en aan eiser te doen toekomen en daarbij aan te geven welke bepalingen en/of passages daarin op de onderhavige zaak van toepassing zijn.

Bij brief van 7 november 2011 heeft verweerder het Management Document en de Guidelines overgelegd.

Bij brief van 10 november 2011 heeft eiser hierop schriftelijk gereageerd.

Bij brief van 17 november 2011 heeft verweerder een nadere toelichting gegeven op het Management Document en de Guidelines.

Bij brief van 9 januari 2012 heeft eiser hierop nader gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Wettelijk kader

1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

1.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden.

1.3. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de belangen ten aanzien van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties.

1.4. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

1.5. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

1.6. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

1.7. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Eiser heeft verweerder op 28 december 2009 verzocht om openbaarmaking van documenten inzake getroffen maatregelen ten aanzien van de openbare orde en veiligheid, grootschalig optreden, voorbereidingshandelingen en inlichtingenhandelingen met betrekking tot de kap van de Schinveldse bossen in de periode van 2005 tot en met 2007.

2.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat er naar aanleiding van eisers verzoek 47 documenten zijn aangetroffen. Verweerder heeft daarvan dertien documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van de daarin voorkomende persoonsgegevens. Het gaat om de documenten 2, 14, 24, 27, 32-36, 38-40 en 45.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en document 17 (brief van parket van 16 augustus 2006 met niet vervolgbare pv’s) alsnog openbaar gemaakt, behoudens daarin voorkomende persoonsgegevens. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.3. Het geschil heeft geen betrekking op genoemde (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten. De navolgende wel in geschil zijnde documenten zijn niet, dan wel gedeeltelijk openbaar gemaakt:

1. Beleidsdraaiboek Bomenkap Schinveldse bossen (vertrouwelijk) Versie 5 januari 2006 definitief;

3. Personele inzet ten behoeve van boomkap;

4. Evaluatieverslag 14 januari 2006 van Kmar SGBO;

5. Evaluatieformulieren van deelnemende Kmar eenheden;

6. Personele en logistieke aanwijzing behorende bij operatie Boom en bijlagen (niet alle bijlagen zitten erbij) en email van 6 januari 2006;

7. NATO restricted 7 december 2005 ‘Damage to NATO property (fence)’;

8. Email van [A] aan onder andere [B], 3 januari 2006;

9. Faxbericht van 23 december 2005 Afkoop inzet Schinveld;

10. Faxbericht van 23 december 2005 Inzet personeel district Zuid;

11. Faxbericht van 22 december 2005 Inzet Bijstandseenheid (BE) en ME;

12. Verslagen van driehoeksoverleggen van 30 september 2005 en 7 oktober 2005;

13. Email van 27 oktober 2006 met bijlage Operationeel concept SGO BOOM;

15. Brief van 2 december 2005 Dreigingsinschatting;

16. Brief van 9 september 2005 Dreigingsinschatting;

18. Concept (deel)plan Chef opsporing Kmar versie 21 december 2005;

19. Kmar Draaiboek Boskap Schinveld;

20. Brief van District Zuid van 30 januari 2006 aan brigadecommandant ‘Inzet Schinveld’ met drie bijlagen;

21. Faxbericht van 3 januari 2006 Collegiale ondersteuning aan district Zuid;

22. (Deel) operatiebevel Openbare orde en veiligheid SGBO Boom versie 2 december 2005;

23. Evaluatieverslag CHON actie GBO 60 Boom van 31 januari 2006;

25. IM 28 september 2005 Militair terrein gemeente Onderbanken;

26. Email van 3 januari aan Kmar eenheden overleg politie van 2 januari 2006;

28. Faxbericht inzet personeel aan Brigadecommandant Vlissingen en Terneuzen van

30 december 2005;

29. Aanvragen steunverlening/bijstand van 17 oktober:

- District West- ondersteuning personeel Den Haag Beveiliging;

- LOCC Driebergen;

- Chef Defensiestaf;

- Chef Defensiestaf (Chinooks);

- District Noordoost;

- Aanvraag ondersteuning materieelverbindingen;

30. (Deel)plan Chef opsporing Kmar versie 1 januari 2006;

31. Verslag van NATO Meeting 24 november 2005, aangeduid als Unclassified;

37. Personele inzet Recherche proces Boomkap;

41. Operatiebevel locatiecommandant ‘operatie boomkap in den roet’ versie 1.7, standdatum 6 januari 2005;

42. (Deel)operatiebevel Openbare Orde en Veiligheid SGBO Boom van 3 januari 2006;

43. Rompbevel ‘operatieboom’ versie 2.1, standdatum 3 januari 2006 zonder bijlagen;

44. Verslagen SGBO van 12 december 2005, 13 oktober 2005, 17 november 2005,

20 oktober 2005, 21 december 2005, 25 oktober 2005, 28 december 2005,

30 november 2005, 8 november 2005, 12 januari 2006, 27 december 2005, 4 januari 2006, 11 januari 2006, 13 januari 2006;

46. Evaluatieverslag ‘Zagen in de Schinveldse bossen’ Beleidsteam Bestuursstaf ministerie van Defensie, juni 2006;

47. Situation reports Project uitvoering zagen bomen Schinveld van 6, 9, 10, 11, 12 en 13 januari 2006.

3. Beoordeling

3.1. Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond ten aanzien van de schending van de hoorplicht ingetrokken.

3.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft toegekend. Eerst nadat eiser beroep heeft ingesteld, heeft verweerder deze proceskosten vergoed. Alleen al om die reden moet het beroep gegrond worden verklaard volgens eiser.

3.3. De rechtbank volgt eisers stelling niet. Verweerder heeft ter zitting terecht verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin is overwogen dat aan eiser een vergoeding van de proceskosten moet worden toegekend. In het bestreden besluit is dit advies overgenomen en als ingelast beschouwd. Dat bij brief van 24 augustus 2010 aan eiser is meegedeeld dat de proceskostenvergoeding aan eiser wordt betaald, is dan ook de feitelijke uitvoering van de in het bestreden besluit reeds toegekende proceskostenvergoeding.

3.4. Bij brief van 28 september 2010 heeft eiser de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken. De rechtbank heeft de stukken waarvan kennis is genomen mede ten grondslag gelegd aan deze uitspraak.

Ten aanzien van de documenten 1 en 12

3.5. Verweerder heeft openbaarmaking van deze twee documenten geweigerd onder verwijzing naar een besluit van de gemeente Onderbanken van 24 oktober 2007. In dit besluit zijn beide documenten geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob. Verweerder heeft de motivering van de gemeente Onderbanken overgenomen. Verweerder heeft ook artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob aan de weigering ten grondslag gelegd. Document 1 is voorts tevens geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob en document 12 op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

3.6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder voor de motivering van de weigering niet heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar het besluit van de gemeente Onderbanken, omdat verweerder een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn besluiten deugdelijk te motiveren. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd dat hij of anderen worden benadeeld indien de documenten openbaar zouden worden gemaakt. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geweigerd document 12 in zijn geheel openbaar te maken, terwijl er slechts enkele persoonlijke beleidsopvattingen in staan.

3.7. De rechtbank overweegt dat verweerder weliswaar heeft verwezen naar het besluit van de gemeente Onderbanken, maar daarbij expliciet heeft aangegeven de motivering voor de weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob over te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 28 juli 2010, LJ nummer BN2615, in een eerdere procedure over de Schinveldse bossen met betrekking tot document 1 al geoordeeld dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het belang bij openbaarmaking van de informatie uit het draaiboek niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder (c en) d, van de Wob. De rechtbank ziet geen grond om ten aanzien van verweerder tot een ander oordeel te komen. Of verweerder voorts op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g en b, van de Wob heeft kunnen weigeren om document 1 openbaar te maken, behoeft dan ook geen bespreking meer.

3.8. Na kennis te hebben genomen van document 12, bestaande uit twee verslagen van driehoeksoverleggen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten inzicht geven in de werkwijze van de betrokken instanties in het geval van een verstoring van de openbare orde zoals bij de kap van de Schinveldse bossen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht op het standpunt gesteld dat de bij het driehoeksoverleg betrokken vertegenwoordigers van verschillende organisaties in hun positie kunnen worden geschaad indien de verslagen openbaar worden gemaakt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de openbaarmaking van document 12 met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d en g, van de Wob kunnen weigeren.

3.9. De rechtbank stelt voorts vast dat document 12 is opgesteld ten behoeve van intern beraad over het in het kader van de verstoring van de openbare orde bij de kap van de Schinveldse bossen te voeren beleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de openbaarmaking van dat document dan ook op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob kunnen weigeren.

3.10. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiser ten aanzien van de documenten 1 en 12 niet.

Ten aanzien van de documenten 9, 11, 15, 16, en 20

3.11. Allereerst stelt de rechtbank vast dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, ten onrechte document 13 wordt genoemd, maar dat in plaats daarvan document 15 wordt bedoeld.

3.12. Verweerder heeft in deze documenten de namen van personen weggelakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De aanduiding van de pelotons is weggelakt op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob. Van document 20, dat bestaat uit een nota met vier bijlagen, heeft verweerder geweigerd twee bijlagen openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob.

3.13. Eiser heeft aangevoerd dat met de openbaarmaking van de aanduidingen van de pelotons de staatsveiligheid niet wordt geschaad.

3.14. In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat openbaarmaking van de aanduidingen van de pelotons inzicht kan geven in de handelwijze en de inzet van de Kmar. Uit de aanduidingen kan bijvoorbeeld blijken hoeveel pelotons zijn ingezet. Personen die kwaad willen, kunnen hun handelen op deze informatie afstemmen, zodat uit het oogpunt van het bewaken van de nationale veiligheid openbaarmaking achterwege dient te blijven, aldus verweerder.

3.15. De rechtbank overweegt dat verweerder deze documenten voor een groot deel openbaar heeft gemaakt en slechts namen en aanduidingen van pelotons heeft weggelakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de documenten 9, 11, 15, 16 en 20. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het weergeven van de aanduiding van de pelotons de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden. Verweerder heeft dan ook de openbaarmaking van de aanduiding van de pelotons in voornoemde documenten met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob kunnen weigeren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

3.16. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat verweerder in redelijkheid niet had mogen weigeren om twee bijlagen bij document 20 openbaar te maken, volgt de rechtbank eiser niet in deze stelling. Na kennis te hebben genomen van dit document, is de rechtbank van oordeel dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob de weigering om deze bijlagen openbaar te maken kunnen dragen.

Ten aanzien van document 47

3.17. Verweerder heeft document 47 openbaar gemaakt, met uitzondering van één passage. Deze passage is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

3.18. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder slechts de weigeringsgrond heeft genoemd, zonder die te onderbouwen en te motiveren.

3.19. Na kennis te hebben genomen van document 47 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van verweerder en betrokken derden zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarmaking. Dit oordeel is niet verder te motiveren zonder prijs te geven wat verweerder ingevolge deze bepaling aan de openbaarheid heeft mogen onthouden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Ten aanzien van de documenten 7 en 31

3.20. Verweerder heeft document 7, een NAVO document met de aanduiding ‘restricted’, gelet op het bijzondere openbaarmakingsregime van de NAVO niet verstrekt. Deze weigering is door eiser niet betwist. De rechtbank zal zich dan ook van een oordeel op dit punt onthouden.

3.21. Verweerder heeft document 31, een NAVO document met de aanduiding ‘unclassified’, geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 januari 2010, LJ nummer BL1931. Uit het Management Document volgt dat deze documenten slechts kunnen worden vrijgegeven in verband met een officieel NAVO-doel, waarvan bij een verzoek om openbaarmaking in het kader van de Wob geen sprake is, aldus verweerder.

3.22. In het verweerschrift heeft verweerder zich met betrekking tot de weigering om document 31 openbaar te maken primair gebaseerd op het openbaarmakingsregime van de NAVO en subsidiair op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Volgens verweerder geldt ook voor documenten met de aanduiding ‘unclassified’ dat deze onder het NAVO regime niet openbaar mogen worden gemaakt. Met de openbaarmaking van document 31 in het kader van een verzoek op grond van de Wob wordt geen officieel NAVO doel gediend. Op grond van het Management Document, dat hiervoor een regelgevend kader bevat, is openbaarmaking dan ook niet toegestaan. Verweerder heeft vervolgens gesteld dat uit het feit dat het NAVO regime van toepassing is al voortvloeit dat verweerder tevens in redelijkheid op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob de openbaarmaking van document 31 heeft kunnen weigeren.

3.23. Eiser heeft aangevoerd dat de aanduiding ‘unclassified’ inhoudt dat document 31 geen geheim document is. Verweerder had openbaarmaking van dit stuk dan ook niet mogen weigeren en anders het verzoek om openbaarmaking moeten doorzenden aan het bevoegde bestuursorgaan. De weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob is onvoldoende gemotiveerd.

3.24. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om het Management Document en de Guidelines te overleggen. Verweerder heeft deze stukken bij brief van 7 november 2011 aan de rechtbank en eiser toegezonden en daarbij meegedeeld dat de documenten slechts bestemd zijn voor inzage door de rechtbank en door eiser en niet voor publicatie.

3.25. Naar aanleiding van de door verweerder toegezonden documenten heeft eiser aangevoerd dat het Management Document niet kan worden gezien als een internationaal verdrag dat de werking van de Wob terzijde schuift. Voorts vallen NAVO documenten met de aanduiding ‘unclassified’ volgens eiser niet onder het NAVO Verdrag inzake de beveiliging van gegevens. Er is dan ook geen sprake van een internationaal verdrag dat openbaarmaking van de gevraagde documenten in de weg staat. In paragraaf 12 van het Management Document heeft de NAVO de afzonderlijke militaire lichamen de bevoegdheid gegeven om over de openbaarmaking van stukken met de aanduiding ‘unclassified’ te beslissen. Verweerder kan daarom de openbaarmaking van document 31 niet weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob met de motivering dat de NAVO een dergelijke openbaarmaking niet toestaat.

3.26. In het Management Document is het volgende, voor zover van belang, opgenomen:

“2. NATO information which does not require a security classification is known as non-classified NATO information and falls into two categories:

(a) NATO UNCLASSIFIED

NATO UNCLASSIFIED (NU) information is information which does not carry a security classification but will be marked NATO UNCLASSIFIED. Such information may carry an administrative or dissemination limitation marking (see paragraphs 9 and 10). NATO UNCLASSIFIED information shall only be used for official purposes and only individuals, bodies or organisations that require it for official NATO purposes may have access to it. NATO information marked NATO UNCLASSIFIED is subject to the release procedures, set out in paragraphs 11-15.

(b) Information releasable to the Public

Such information has been reviewed in accordance with NATO or national procedures and is determined to be releasable to the public: it shall carry no markings of any sort.

7. NATO information marked NATO UNCLASSIFIED is to be used only for official purposes. Only individuals, bodies or organisations that require it for official NATO purposes may have access to it.

Release of NATO UNCLASSIFIED Information outside NATO

11. NATO UNCLASSIFIED information may be released outside NATO provided that the provisions of paragraphs 12 to 15 below are followed.

12. Responsibility for the release of NATO UNCLASSIFIED information is delegated by the North Atlantic Council and Military Committee to the Heads of NATO civil or military bodies or to member nations holding that information who shall determine and elaborate any additional procedures necessary for its release.”

3.27. De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 4 van de Guidelines is bepaald dat de regels inzake de beveiliging van NATO unclassified information zijn neergelegd in het Management Document.

Anders dan eiser heeft gesteld, brengt daar de term unclassified niet mee dat sprake is van een openbaar document. In paragraaf 2, onder a en b, van het Management Document is immers expliciet een verschil gemaakt tussen unclassified informatie en informatie zonder markering die openbaar kan worden gemaakt aan het publiek.

3.28. In paragraaf 7 van het Management Document is bepaald dat NATO unclassified information alleen mag worden vrijgegeven in verband met een officieel NAVO-doel.

3.29. De rechtbank is van oordeel dat uit paragraaf 12 van het Management Document volgt dat de bij de NAVO aangesloten landen de bevoegdheid hebben om te beslissen of een verzoek om openbaarmaking van NATO unclassified information kan worden ingewilligd. Op grond van de nationale wetgeving is verweerder in dit geval het daartoe bevoegde bestuursorgaan te achten.

3.30. Daarmee is echter niet gezegd dat paragraaf 7 in een dergelijk geval toepassing mist. Leidend blijft dat het gaat om NAVO-informatie en dat NATO unclassified information alleen mag worden vrijgegeven in verband met een officieel NAVO-doel. Het bijzondere rechtsregime van de NAVO, dat uitgaat van geheimhouding, tenzij.., laat een andere uitleg niet toe.

3.31. Waar paragraaf 7 als uitwerking van een algemeen NAVO-rechtsregime met betrekking tot documentenverstrekking leidend is, is er geen ruimte voor beoordeling onder de Wob.

3.32. Van een officieel NAVO-doel dat verband houdt met openbaarmaking is onbetwist geen sprake. Daarmee staat vast dat de weigering om document 31 openbaar te maken rechtmatig is.

Ten aanzien van de documenten 3, 6, 10, 18, 19, 21, 22, 28, 29, 30, 37, 41, 42, 43, 44

3.33. Verweerder heeft openbaarmaking van deze documenten geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Het gaat om documenten die informatie bevatten met betrekking tot de inzet van personeel, zoals schema’s met namen van militairen. Daarnaast betreft het onder meer draaiboeken met aanwijzingen voor het personeel ten behoeve van het handhaven van de openbare orde en veiligheid en zorg voor bewaking en beveiliging tijdens de bomenkap. Verder betreft het verslagen van overleggen van de Staf Grootschalig Bijzonder Optreden Kmar BOOM, waarin met vertegenwoordigers van de verschillende diensten het optreden van deze diensten wordt gecoördineerd. Verweerder stelt dat de documenten, zeker in combinatie met elkaar, inzicht geven in de handelwijze en de inzet van de Kmar. Het kan de veiligheid van de Staat schaden, indien deze documenten openbaar worden gemaakt, omdat inzicht in de wijze van opereren een toekomstig optreden van de Kmar kan benadelen.

3.34. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de weigering van deze documenten onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser ziet niet in dat openbaarmaking van deze documenten de staatsveiligheid zou schaden of wie dan ook onevenredig zou benadelen.

3.35. De rechtbank is na kennisneming van de documenten van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat bij openbaarmaking van deze documenten het belang, omschreven in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob niet aan de orde is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van dergelijke informatie tot gevolg zou kunnen hebben dat degenen die zich met het verstoren van de openbare orde willen gaan bezighouden hun gedrag op deze kennis zouden kunnen afstemmen. Dat zou de veiligheid van de Staat kunnen schaden. Daaruit volgt voorts dat de belangen van verweerder en de Kmar door openbaarmaking van deze documenten onevenredig worden benadeeld. Ook artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob kan de weigering om deze bijlagen openbaar te maken dus dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de documenten 4, 5, 8, 13, 23, 25, 26, 46

3.36. Verweerder heeft document 46 gedeeltelijk openbaar gemaakt. Verweerder heeft openbaarmaking van het overige deel van document 46 en de andere bovengenoemde documenten op grond van artikel 11 van de Wob geweigerd, omdat de documenten zijn opgesteld voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Ook gedeeltelijke openbaarmaking is geweigerd, vanwege de verwevenheid van feiten en opvattingen.

3.37. Eiser heeft dit standpunt van verweerder betwist. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat namen en een grote hoeveelheid feiten in deze documenten op grond van artikel 11 van de Wob zijn geweigerd, terwijl dat geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn.

3.38. Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 11 van de Wob heeft de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2008, LJ nummer BD0338, overwogen dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13 en 38) het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee het is opgesteld. Zij die het hebben opgesteld of de inhoud ervan voor hun verantwoording hebben genomen, moeten de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor zichzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Met de in artikel 11 van de Wob geregelde beperking van de openbaarheid is beoogd te bewerkstelligen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten. Het openbaar maken van dergelijke documenten, ook in geanonimiseerde vorm, zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat binnen een bestuursorgaan vrij van gedachten moet kunnen worden gewisseld zonder dat de verantwoordelijk bestuurder daarop aangesproken kan worden.

3.39. Na kennis te hebben genomen van de documenten stelt de rechtbank vast dat het gaat om evaluatieverslagen, ingevulde evaluatieformulieren van deelnemende Kmar eenheden, concepten van het operationeel optreden, interne verslagen over de mogelijke aanpak en het definitief evaluatieverslag van juni 2006. De documenten bevatten een uitwisseling van opvattingen over de gang van zaken tijdens de operatie en voorstellen voor de aanpak van de operatie. De rechtbank is van oordeel dat het documenten zijn die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Voor zover in de documenten feiten zijn vermeld, zijn deze zodanig met persoonlijke beleidsopvattingen verweven dat verweerder in redelijkheid de openbaarmaking daarvan op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft kunnen weigeren. In zoverre slaagt het beroep van eiser dan ook niet.

4. Conclusie

4.1. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzitter, en mrs. H.J. Tijselink en P.H.A. Knol, leden, in aanwezigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB