Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/2236 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering inschrijving tolk/vertaler Tigrinja in het tolkenregister en plaatsing op de Uitwijklijst. Bewijslast ligt bij eiser. Geen reden om dit geval voor de leggen aan de commissie: eiser voldoet aan te veel eisen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2236 WRB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. I.J.M. Oomen,

en

De minister van Veiligheid en Justitie, Raad voor de Rechtsbijstand, Bureau Wbtv,

verweerder,

gemachtigde mr. D.E.S. Tomeij.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser in te schrijven in het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) en niet te plaatsen op de Uitwijklijst als tolk Nederlands-[buitenlandse taal] en vertaler [buitenlandse taal]-Nederlands.

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld 10 november 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak heropend en opnieuw ter zitting behandeld op 28 februari 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is afkomstig uit [buitenland]. Hij heeft gevraagd om inschrijving als tolk Nederlands-[buitenlandse taal] en als vertaler [buitenlandse taal]-Nederlands. Indien dat niet mogelijk is, wil hij worden geplaatst op de zogenoemde Uitwijklijst.

2. Bestreden besluit en wettelijk kader

2.1.1 In de Wet beëdigd tolken en vertalers (Wbtv) is bepaald dat een tolk in aanmerking kan komen voor inschrijving in het tolkenregister als hij beschikt over een aantal competenties (artikel 3). Hoe men kan aantonen over deze competenties te beschikken is nader uitgewerkt in het Besluit beëdigd tolken en vertalers (Bbtv). Het overleggen van een getuigschrift van een opleiding tot tolk en vertaler is voldoende (artikel 8). Indien men niet over een getuigschrift beschikt, kan de tolk zijn niveau aantonen door middel van een toets. In artikel 3 van het Besluit inschrijving Register beëdigd tolken en vertalers is geregeld dat bij het ontbreken van een toets in de brontaal de tolk moet aantonen dat hij beschikt over hbo werk- en denkniveau, taalvaardigheid in de betreffende talencombinatie op het vereiste niveau, minimaal vijf jaar ervaring als beroepstolk of –vertaler daarin heeft en scholing heeft gevolgd om tolk- of vertaalvaardigheid en –attitude te ontwikkelen.

2.1.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser geen diploma uit [buitenland] heeft. Een toets in de taal [buitenlandse taal] bestaat niet. Verweerder weigert inschrijving in het tolkenregister, omdat eiser geen hbo werk- en denkniveau heeft aangetoond, onvoldoende werkervaring als vertaler heeft en geen bewijs van scholing kan overleggen.

2.2.1 Voor plaatsing op de Uitwijklijst gelden iets minder strenge regels. Volgens artikel 5 van het Besluit Uitwijklijst beëdigd tolken en vertalers dient de aankomende tolk/vertaler te beschikken over havo/mbo werk- en denkniveau; hij dient de bron- en doeltaal op minimaal niveau B2 te beheersen, minimaal twintig opdrachten als tolk of vertaler te hebben verricht en minimaal acht punten op de competentiematrix te hebben behaald.

2.2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij het [buitenlandse taal] op niveau B2 beheerst en slechts drie punten op de competentiematrix heeft behaald. Daarom wordt plaatsing op de Uitwijklijst geweigerd.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. De rechtbank zal eerst de weigering om eiser op de Uitwijklijst te plaatsen toetsen.

De rechtbank stelt vast dat de doelstelling van de Wbtv is te komen tot een register van tolken die objectief en aantoonbaar beschikken over een zeker kwaliteitsniveau. Ook in geval van plaatsing op de Uitwijklijst dient een zekere basiskwaliteit gegarandeerd te zijn, gelet op de belangen die betrokken zijn bij de werkzaamheden als tolk. Bij de toets van het door verweerder gevoerde beleid dient de rechtbank terughoudendheid te betrachten, gelet op de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid.

3.2. Partijen zijn het eens over het volgende.

• Eiser beheerst het Nederlands op B2-niveau.

• eiser beschikt over havo/mbo werk- en denkniveau.

• eiser heeft voldoende werkervaring als tolk en vertaler.

• eiser heeft erkend dat hij geen taalstudie heeft gevolgd en geen scholing als tolk/vertaler heeft genoten.

3.3. In geschil is allereerst of eiser het [buitenlandse taal] op B2-niveau beheerst. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond middelbaar onderwijs in het [buitenlandse taal] te hebben gevolgd. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen diploma uit [buitenland] kan overleggen.

3.4. De rechtbank verwijst hier naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BR5706. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder het Besluit Uitwijklijst sinds de vaststelling op 25 mei 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen heeft toegepast. Het Besluit Uitwijklijst dient daarom te worden geduid als een vaste gedragslijn. Verweerder mag aan eiser dan ook de eis stellen van beheersing van het [buitenlandse taal] op B2-niveau.

3.5. De rechtbank overweegt dat het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling aan eiser is om aan te tonen dat hij het [buitenlandse taal] op het vereiste niveau beheerst. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 februari 2012 (LJN: BV2416) vloeit uit artikel 3 van de Wbtv in samenhang met artikel 8 van het Bbtv, bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv voort dat een tolk slechts voor inschrijving in het tolkenregister in aanmerking indien hij het vereiste niveau van zijn taalvaardigheid aantoont. De rechtbank is van oordeel dat voor plaatsing op de Uitwijklijst evenzeer geldt dat het op de weg van de tolk ligt om het hiervoor vereiste niveau aan te tonen.

3.6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn niveau in het [buitenlandse taal] blijkt uit een aantal verklaringen van landgenoten die stellen dat hij het [buitenlandse taal] op het vereiste niveau beheerst.

3.7. Ter zitting is door verweerder een uitgebreide toelichting gegeven op het vereiste dat slechts een door verweerder goedgekeurde deskundige de taalvaardigheid kan beoordelen. De deskundige moet een oordeel kunnen geven over de taalvaardigheid en werkzaam zijn bij een erkende onderwijsinstelling. De wijze van toetsen moet daarbij te achterhalen zijn. Eisers overgelegde verklaringen van landgenoten zijn in dit kader onvoldoende bevonden, omdat niet duidelijk is geworden op welke wijze de taalvaardigheid van eiser is getoetst.

3.8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaringen terzijde heeft mogen leggen. Dit oordeel vindt steun in de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, LJN: BU7867.

3.9. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in [buitenland] geen onderwijs heeft gevolgd waarbij [buitenlandse taal] de voertaal was. Op de lagere school werd in het [andere buitenlandse taal] lesgegeven en op de middelbare school in het Engels. Slechts enkele vakken werden in het [buitenlandse taal] gegeven.

De rechtbank is op grond hiervan met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij middelbaar onderwijs in het [buitenlandse taal] heeft gevolgd. Het feit dat [buitenlandse taal] zijn moedertaal is, is in dat verband niet voldoende. Dit standpunt van verweerder wordt bevestigd in de uitspraak van 1 februari 2012 (LJN: BV2416) van de Afdeling. Ook eisers stelling dat hij al twintig jaar ervaring als tolk heeft en geruime tijd werkzaam is als vertaler, is in dit verband niet voldoende.

3.10. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat, hoewel de bewijslast in dit geval bij eiser ligt, hij wel alert blijft op de behoefte van de afnemers van tolkendiensten. Verweerder houdt in dit verband een taallijst bij. Zodra knelpunten worden gesignaleerd wordt daarop actie ondernomen. Wat betreft het [buitenlandse taal] heeft verweerder echter van de afnemers geen knelpunten vernomen, zodat geen verdere moeite is gedaan om deskundigen in deze taal te vinden dan wel een toets te ontwikkelen. Eiser heeft dit niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bewijslast bij eiser mocht leggen.

3.11. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij het [buitenlandse taal] op het vereiste B2-niveau beheerst. Nu eiser niet aan deze eis uit het Besluit Uitwijklijst Rbtv voldoet, kan hij niet worden geplaatst op de Uitwijklijst.

3.12 Aan eiser is verder tegengeworpen dat hij geen afgeronde opleiding in het Nederlands heeft gevolgd. Eiser heeft gedurende drie jaar politicologie in Nederland gestudeerd. Hij heeft in die studie zijn propedeuse behaald.

3.13. Ook hier overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder deze eis mag stellen en daar ook aan mag vasthouden. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 februari 2012, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BV2416, overwogen dat er sprake moet zijn van een afgeronde opleiding.

3.14. Eiser heeft aangevoerd dat hij voldoende punten zou hebben behaald om van een voltooide studie voor het ECTS systeem te kunnen spreken. Hij heeft immers 129,9 ECTS behaald in een periode waarin 42 punten in een jaar te halen waren. De door verweerder gestelde eis van 168 punten was nog niet van toepassing in het geval van eiser.

3.15. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze grond niet. Eiser heeft zijn studie niet afgerond. Los daarvan heeft eiser niet door middel van een verklaring van de universiteit aangetoond dat het door hem behaalde aantal punten indertijd gelijk stond aan drie jaar studie. Uit de door eiser overgelegde verklaring blijkt dit niet. Dat die verklaring een onjuistheid bevat juist op dit punt, is door eiser niet met nadere stukken van de universiteit aannemelijk gemaakt.

Eiser heeft dan ook niet aangetoond dat hij een afgeronde opleiding in het Nederlands heeft gevolgd of in een daarmee gelijkwaardige situatie verkeert.

3.16. Eiser voldoet dan ook niet aan de eis van tenminste acht punten op de competentiematrix. Daarbij wijst de rechtbank erop dat hij onbetwist geen middelbaar onderwijs heeft gevolgd in het [buitenlandse taal], geen taalstudie heeft gevolgd en geen opleiding tot tolk/vertaler.

3.17. Eiser heeft aangevoerd dat zijn geval zodanig bijzonder is dat verweerder niet hierop had mogen beslissen zonder het eerst voor te leggen aan de commissie ingevolge artikel 2 Bbtc. Deze commissie beëdigde tolken en vertalers (hierna: de commissie) brengt advies uit over de competenties. Verweerder had volgens hem moeten afwijken van het beleid. Eiser heeft in dat verband een beroep gedaan op de in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven inherente afwijkingsbevoegdheid in bijzondere omstandigheden.

3.18. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting uiteengezet wanneer verweerder een bijzonder geval aanneemt en aanleiding ziet om dit aan de commissie voor te leggen. Dat gebeurt wanneer er twijfel is ontstaan over de vraag of een aankomend tolk aan alle instapcriteria voldoet. Er moet aanleiding zijn om de instapvoorwaarden ruimer te interpreteren, bijvoorbeeld wanneer een tolk bijzondere woon- of werkervaring in zijn eigen land heeft of daar al een tolkopleiding heeft gedaan. In het geval van eiser had verweerder die twijfel niet. Eiser heeft volgens verweerder aan te veel formele vereisten niet voldaan.

3.19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen dat had moeten worden voorgelegd aan de commissie. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat eiser op meerdere punten niet aan de eisen voldoet. Hieruit volgt eveneens dat verweerder geen aanleiding had om op de voet van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid.

3.20. Eisers gemachtigde heeft aangevoerd dat artikel 8 van het Bbtv geen limitatieve opsomming geeft van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Zij heeft verwezen naar het verslag van de hoorzitting, waaruit blijkt dat de voorzitter van de bezwarencommissie heeft gezegd dat eiser een goede tolk is. Dit zou volgens de gemachtigde ertoe moeten leiden dat eiser in het register wordt opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze opmerking van de voorzitter een dergelijke conclusie niet rechtvaardigt. Allereerst heeft de voorzitter niet meer gezegd dan dat niet getwijfeld wordt dat eiser een goede tolk is, maar dat hij dat niet kan aantonen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de voorzitter van de bezwarencommissie niet de deskundigheid bezit om hierover een weloverwogen oordeel te geven. Hij mist bovendien de bevoegdheid om inhoudelijke toezeggingen te doen. Deze grond slaagt daarom niet.

3.21. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Het beroep van eiser moet ongegrond worden verklaard. Aangezien verweerder pas ter zitting een voor eiser duidelijk en concrete toelichting heeft gegeven over de criteria waaraan een deskundige moet voldoen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 437,- per punt).

Om dezelfde reden zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,00 (achthonderdenvierenzeventig) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, voorzitter,

mrs. H.J. Tijselink en L.C. Bachrach, leden, in aanwezigheid van

M. van Velzen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB