Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4883

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/2167 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing verzoek om functieonderhoud gegrond. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met het geheel voorbij gaan aan eisers (beperkt) hulpofficierstaken, terwijl die taken ook niet op andere wijze passend zijn gehonoreerd. Dat de werkzaamheden als hulpofficier van justitie niet niveaubepalend zijn en dat deze niet zouden hebben geleid tot een andere functietypering en waardering, maakt dit niet anders. Er bestaan krachtige aanwijzingen dat de werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie van een hoger niveau, respectievelijk zwaarder gewicht zijn dan werkzaamheden die met toekenning van schaal 8 plegen te worden verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2167 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde [A],

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Burghout.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om functieonderhoud afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op

10 oktober 2011. Bij beslissing van 21 november 2011 is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting op

22 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door drs. [B], waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben verleend om vervolgens zonder nadere zitting de zaak af te doen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser is op 1 november 2006 geplaatst in de functie van senior thematische recherche schaal 8 bij het Bureau Vreemdelingenpolitie Handhaving van de Dienst Regionale Recherche.

1.2 Eiser heeft in de periode van 2003 tot 2007 werkzaamheden verricht als chef van dienst bij de toenmalige Dienst Vreemdelingenpolitie te Amsterdam.

1.3 Bij besluit van 8 mei 2006 is eiser aangewezen als hulpofficier van justitie in het korps van de politieregio Amsterdam-Amstelland voor de duur van maximaal drie jaar. Bij besluit van 12 mei 2009 is eiser opnieuw aangewezen als hulpofficier van justitie voor de duur van maximaal drie jaar. De aanwijzing in dit besluit is beperkt tot het uitvoeren van taken op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

1.4 Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verzoek om functieonderhoud de Dienst Personeel en Arbeidsvoorwaarden verzocht om een omschrijving te maken van eisers werkzaamheden. Op grond van de stukken van de rechtbank en gesprekken met eiser en zijn leidinggevenden is er tot een omschrijving van eisers werkzaamheden gekomen. Deze taakomschrijving is gewaardeerd volgens het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie. Op basis van vergelijking met referentiefuncties heeft de Dienst Personeel en Arbeidsvoorwaarden verweerder bij brief van 22 juli 2010 geadviseerd om de functie zoals uitgevoerd door eiser te waarderen in schaal 8. Volgens de Dienst Personeel en Arbeidsvoorwaarden is de organieke functietypering senior thematische recherche het meest passend bij deze functie. Bij deze functietypering met bijbehorende waardering zijn de hulpofficierstaken buiten beschouwing gelaten op de grond dat deze taken blijkens het advies worden aangemerkt als een nevenfunctie.

Standpunten

2.1 Eiser heeft bij brief van 6 november 2009 gevraagd om functieonderhoud als bedoeld in artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij van 2003 tot 2007 werkzaamheden als chef van dienst heeft verricht en dat hij sinds mei 2006 hulpofficierstaken als substantieel deel van zijn werkzaamheden uitoefent. Deze werkzaamheden wijken volgens eiser wezenlijk af van zijn functie van senior thematische recherche in schaal 8. Eiser is van mening dat verweerder de werkzaamheden als chef van dienst en hulpofficier van justitie ten onrechte niet in een (nieuwe) functietypering heeft opgenomen en gewaardeerd. Eiser wenst waardering voor alle door hem uitgevoerde werkzaamheden.

2.2 Verweerder heeft eisers verzoek om functieonderhoud afgewezen. Volgens verweerder blijft de functietypering senior thematische recherche in schaal 8 op eiser van toepassing. Uit vergelijking van eisers functie met het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie blijkt dat alle werkzaamheden passen binnen de functietypering van senior thematische recherche. De werkzaamheden als chef van dienst zijn bij de vergelijking buiten beschouwing gelaten, omdat eiser deze taken in een te ver verleden verrichtte, namelijk tot begin 2007, om daarvoor functieonderhoud aan te kunnen vragen. Ten aanzien van eisers werkzaamheden als hulpofficier van justitie stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van een beperkt hulpofficierschap, nu het slechts gaat om de inbewaringstelling van vreemdelingen en de administratieve afhandeling daarvan. Eisers taken als hulpofficier worden daarom aangemerkt als een nevenfunctie en zijn om die reden niet opgenomen in een functietypering, noch meegenomen in de waardering ervan, aldus verweerder.

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 6, achtste (thans negende) lid, van het Bbp kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden ten minste een jaar wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Onze Minister stelt regels vast over de behandeling van deze aanvraag.

3.2.1 Op grond van artikel 2 van de Regeling functieonderhoud politie (Regeling) maakt de ambtenaar in de aanvraag tot functieonderhoud bedoeld in artikel 6, achtste lid, van het Bbp aannemelijk dat hij gedurende ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie.

3.2.2 Op grond van artikel 3 van de Regeling wijst het bevoegd gezag de aanvraag om functieonderhoud af indien de feitelijke werkzaamheden:

a. niet zijn opgedragen;

b. niet gedurende ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn verricht, of

c. niet wezenlijk afwijken van de functie van de ambtenaar.

3.2.3 Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Regeling draagt het bevoegd gezag zorg voor het vaststellen van een aangepaste functie, indien het bevoegd gezag besluit de functie van de ambtenaar vanwege het functieonderhoud aan te passen aan de feitelijk opgedragen werkzaamheden.

3.2.4 Op grond van artikel 5 van de Regeling wordt de opdracht beëindigd om de feitelijke werkzaamheden, voor zover deze wezenlijk afwijken van de functie, te verrichten indien het bevoegd gezag besluit de functie van de ambtenaar vanwege het functieonderhoud niet aan te passen aan de feitelijk opgedragen werkzaamheden.

3.2.5 Op grond van artikel 7 van de Regeling kan het bevoegd gezag in individuele gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet een bijzondere voorziening treffen.

Inhoudelijke beoordeling

4.1 Aan de orde is de vraag of eisers werkzaamheden als chef van dienst en/of als hulpofficier van justitie voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om eisers functie aan te passen.

4.2.1 Ten aanzien van eisers werkzaamheden als chef van dienst overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 maart 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN AO5133, dat het stelsel van artikel 6, achtste lid, van het Bbp met zich brengt dat dient te worden nagegaan of de feitelijk opgedragen werkzaamheden op het moment van de aanvraag om functieonderhoud al ongeveer een jaar in de door de aanvrager gegeven opzichten wezenlijk afweken van de organieke functie. Eiser was op het moment dat hij zijn aanvraag bij verweerder indiende al (ruimschoots) langer dan een jaar niet meer werkzaam als chef van dienst. Eiser heeft immers de aanvraag op 6 november 2009 ingediend, terwijl hij ook volgens zijn eigen stellingen tot 2007 de werkzaamheden van chef van dienst heeft verricht. Dat gegeven leidt tot het oordeel dat de werkzaamheden als chef van dienst door verweerder terecht niet bij het functieonderhoud in aanmerking zijn genomen. De rechtbank voegt hier onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 31 december 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BK9642, nog aan toe dat in genoemd stelsel (ook) niet past dat aan een eventueel functieonderhoud (en daaraan gekoppelde functiewaardering) terugwerkende kracht wordt verleend tot een datum die is gelegen vóór die van het verzoek om functieonderhoud. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op het moment van zijn aanvraag om functieonderhoud al enige jaren, althans ten tijde in dit geding van belang meer dan één jaar, in betekenende mate en structureel werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie verrichtte en dat deze werkzaamheden op dat moment niet in de functietypering van de functie senior thematische recherche waren opgenomen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder eisers werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie aangemerkt als een neventaak en daarom geen aanleiding gezien om deze op te nemen in een (nieuwe) functietypering, waardoor zij ook geen rol hebben gespeeld in de waardering van de functie. Verweerder heeft de inhoud en zwaarte van eisers werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie ook niet op een andere wijze gewogen en gewaardeerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door bij het bestreden besluit te volstaan met het geheel voorbij gaan aan eisers hulpofficierstaken, terwijl die taken ook niet op andere wijze passend zijn gehonoreerd, een besluit heeft genomen dat niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat voorts niet deugdelijk en draagkrachtig is gemotiveerd.

4.3.2 Verweerders ter zitting ingenomen standpunt dat de werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie niet niveaubepalend zijn en dat deze niet zouden hebben geleid tot een andere functietypering en waardering, maakt dit niet anders. Een telefonische mededeling aan verweerder over het niveau van de hulpofficierstaken, wat daar overigens ook van zij, is daartoe immers een volstrekt onvoldoende onderbouwing. De rechtbank overweegt in dit verband dat er naar haar oordeel juist krachtige aanwijzingen bestaan dat de werkzaamheden als (beperkt) hulpofficier van justitie van een hoger niveau, respectievelijk zwaarder gewicht zijn dan werkzaamheden die met toekenning van schaal 8 plegen te worden verricht.

4.3.3 Allereerst is het (wettelijk) uitgangspunt dat hulpofficierstaken worden uitgevoerd door opsporingsambtenaren die beschikken over ten minste schaal 9 (zie hiervoor artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling hulpofficieren van justitie van 9 juli 2008). Ook moet een opsporingsambtenaar die hulpofficierstaken uitvoert in het bezit zijn van een geldig certificaat ‘hulpofficier van justitie’ als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van deze Regeling hulpofficieren van justitie. Verder voert het College van procureurs-generaal blijkens de brief van 17 december 2008 (PaG/BJZ-B/13330) een restrictief beleid bij het aanwijzen van hulpofficieren van justitie in schaal 8 en wordt hiertoe slechts overgegaan indien er een dringende noodzaak bestaat. Kennelijk is dit restrictieve beleid mede ingegeven door de omstandigheid dat een samenstel van werkzaamheden leidend tot waardering in schaal 8 op zich genomen in het algemeen geen blijk geeft van voldoende zwaarte voor het toekennen van bevoegdheden met een groot afbreukrisico, zoals die van hulpofficier van justitie. Ten slotte blijkt uit de door eiser ter zitting overgelegde – niet door verweerder betwiste – ‘Inventarisatie HOVJ-schaal 8 bij de Vreemdelingenpolitie Nederland’ dat een groot aantal politiekorpsen geen hulpofficieren van justitie met schaal 8 (meer) in dienst heeft. Een aantal politiekorpsen waar dat nog wel het geval is, biedt blijkens deze inventarisatie op enigerlei wijze, bij voorbeeld door toekenning van een bijzondere toelage, compensatie aan opsporingsambtenaren met schaal 8 die hulpofficierstaken uitvoeren. Bij het voorgaande heeft de rechtbank tenslotte ook in haar overweging betrokken dat de beperking van het hulpofficierschap in het geval van eiser niet inhoudt dat de bevoegdheden als hulpofficier worden beperkt, maar dat die bevoegdheden ten aanzien van een afgebakende groep personen worden uitgeoefend.

4.3.5 De rechtbank stelt vast dat verweerder geen aanleiding heeft gezien toepassing te geven aan artikel 5 van de Regeling om eisers hulpofficierstaken naar aanleiding van zijn verzoek om functieonderhoud te beëindigen. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder het problematisch acht om in een geval als het onderhavige een aangepaste functie vast te stellen als bedoeld in artikel 4 van de Regeling, omdat een groot deel van eisers werkzaamheden - naar eiser niet betwist - op schaal 8 gewaardeerd kan worden en niet vaststaat dat de werkzaamheden als die van hulpofficier definitief aan het takenpakket van eiser verbonden zullen zijn. Aan de andere kant moet in overweging worden genomen dat het in geval van eiser gaat om iemand die thans al vele jaren het hulpofficierschap rechtmatig en daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

4.4 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering ontbeert, zodat dit besluit in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiser dient daarom gegrond te worden verklaard met vernietiging van het bestreden besluit. Voor de besluitvorming is een nadere beoordeling door verweerder vereist. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten door zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

4.5 De rechtbank wijst in dit verband nog op artikel 7 van de Regeling, dat de mogelijkheid biedt om in individuele gevallen waarin de Regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, een bijzondere voorziening te treffen. Kennelijk heeft een aantal politiekorpsen in Nederland aanleiding gezien om van deze mogelijkheid gebruik te maken, gezien de hierboven in rechtsoverweging 4.3.3 genoemde en niet betwiste inventarisatie. De rechtbank geeft verweerder in overweging de mogelijkheid die artikel 7 van de Regeling biedt in zijn (nieuwe) besluitvorming te betrekken.

4.6 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 1311,-

(1 punt à € 437,- voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten à € 437,- voor het tweemaal verschijnen ter zitting). Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1311,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.W. Verhaagh, voorzitter, en

mrs. T.J.P. van Os van den Abeelen en P.H.A. Knol, rechters, in aanwezigheid van

M.E. Sjouke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB