Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4859

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 10-2939 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft verweerder de definitieve jaarafrekening van eiser op grond van de Zvw vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Vervolgens heeft verweerder bij besluit (bestreden besluit II) bestreden besluit I ingetrokken, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I, wordt het beroep hiertegen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit II.

Met bestreden besluit II is verweerder materieel bezien geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit. Eiser hoeft de Zvw bijdrage immers niet te betalen. In een dergelijk geval komt het belang bij een beoordeling in beroep in beginsel te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. De Rb. stelt vast dat niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van de herroeping door verweerder van de definitieve Zvw-jaarafrekening. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij een oordeel over de vraag of verweerder de definitieve Zvw jaarafrekening al dan niet terecht heeft herroepen. Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom eveneens niet-ontvankelijk. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Rb. ziet in de omstandigheid dat verweerder tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure telkens gewijzigde standpunten heeft ingenomen, wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook ziet de Rb. aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2939 ZVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. H.J. Damhoff,

en

College voor Zorgverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. K. Siemeling.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening van eiser op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 18 mei 2010 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 juli 2010 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2011.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de zaak heropend en bepaald dat het onderzoek ter zitting zou worden voortgezet op 29 september 2011. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2011. Partijen zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen onderling tot overeenstemming te komen. Eiser is voorts in de gelegenheid gesteld bewijsstukken omtrent de particuliere verzekering en de ziekenhuiskosten aan de rechtbank te doen toekomen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser, geboren [1933], is sinds zijn vervroegde pensionering in 1993 woonachtig in [buitenland]. Ondanks het feit dat eiser reeds in 1998 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft hij pas op 17 april 2007 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Eiser ontving echter reeds particuliere pensioenen van Delta Lloyd Levensverzekering N.V. en van Nationale Nederlandse Levensverzekering Maatschappij (Delta Lloyd resp. Nationale Nederlanden).

1.2 Eiser heeft verweerder bij brieven van 31 januari 2006 en 10 maart 2006 verzocht om een E121-formulier.

1.3 Bij brief van 2 oktober 2006 heeft verweerder het E121-formulier aan eiser verzonden.

1.4 Eiser heeft zich in april 2007 gemeld bij het bevoegde [buitenlandse] orgaan KVG. KVG heeft het recht op zorg op 4 mei 2007 met het E121-formulier bevestigd. KVG heeft eiser met ingang van 1 april 2007 ingeschreven.

1.5 Eiser heeft verweerder bij brief van 21 juni 2007 bericht dat hij, wegens de trage handelwijze van verweerder, aanleiding heeft gezien zich met ingang van mei 2006 particulier te verzekeren tegen ziektekosten. In de maanden januari tot en met april 2006 heeft eiser medische kosten moeten maken die hij zelf heeft moeten dragen. Eiser vraagt verweerder om een oplossing.

1.6 Bij brief van 13 september 2007 heeft verweerder eiser bericht dat hij bereid is de kosten van de particuliere verzekering van eiser over het jaar 2006 te vergoeden. Daarbij is eiser verzocht om de polis over het jaar 2006 aan verweerder te zenden. Verweerder is niet bereid om de gemaakte ziektekosten en de kosten van de particuliere verzekering over 2007 te voldoen.

1.7 Bij brief van 6 maart 2008 heeft verweerder herhaald dat hij bereid is de kosten van de particuliere verzekering over 2006 van eiser te vergoeden. Verweerder wijst de kosten van de particuliere verzekering over 2007 af omdat eiser pas op 23 april 2007 de E121-formulieren bij de KVG heeft ingeleverd.

1.8 Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2006 vastgesteld.

1.9 Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.10 Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken. Verweerder heeft het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit ingetrokken. Volgens verweerder was eiser eerst per 1 april 2007 een Zvw-bijdrage verschuldigd, omdat hij pas per april 2007 een AOW-uitkering toegekend heeft gekregen. Eiser was in 2006 niet verdragsgerechtigd en dus geen Zvw-bijdrage verschuldigd, aldus verweerder. Verweerder laat de toezegging om de premie voor de particuliere verzekering van eiser over 2006 te vergoeden vervallen, omdat eiser de polis niet aan verweerder heeft toegezonden.

1.11 Desgevraagd heeft eiser verklaard in het bestreden besluit II geen aanleiding te zien zijn beroep in te trekken. Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat hij schade heeft geleden door de handelwijze van verweerder.

1.12 In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser sinds

1 januari 2006 verdragsgerechtigd is en in 2006 derhalve niet onverzekerd is geweest. Verweerder ziet in het feit dat eiser pas in oktober 2006 het E121-formulier toegezonden heeft gekregen, echter aanleiding om af te zien van inning van de Zvw-bijdrage over 2006.

Ten aanzien van de door eiser gestelde schade stelt verweerder zich primair op het standpunt dat, nu eiser in 2006 niet onverzekerd is geweest, de door hem gestelde schade (premie van de particuliere verzekering) geen gevolg is van het bestreden besluit. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser nooit een verzekeringspolis aan verweerder heeft overgelegd zodat (de hoogte van) premiebetaling niet aannemelijk is gemaakt. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verweerder gehouden is de particuliere verzekeringspremie te vergoeden, dan dient daarop in mindering te worden gebracht de niet-geïnde Zvw-bijdrage over 2006.

1.13 Op 4 november 2011 heeft ten kantore van verweerder overleg plaatsgevonden tussen partijen.

1.14 Eiser heeft bij brief van 18 november 2011 aan de rechtbank doen toekomen de door hem aan verweerder ter beschikking gestelde stukken omtrent de particuliere verzekering over 2006 en de ziekenhuiskosten.

1.15 Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 9 december 2011 bericht dat hij, mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

16 november 2011 (LJ-nummer: BU4547, lees BU4546, Rb) van oordeel is dat eiser en zijn echtgenote in 2006 niet verdragsgerechtigd waren, zodat zij geen Zvw-premie waren verschuldigd. Het bestreden besluit II kan standhouden, aldus verweerder.

Inhoudelijke beoordeling

Ten aanzien van bestreden besluit I

2.1 De rechtbank beschouwt bestreden besluit II als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb. De rechtbank constateert dat met bestreden besluit II niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser. Daarom wordt het beroep van eiser op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.

2.2 Nu gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I, zal het beroep hiertegen niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit II.

Ten aanzien van bestreden besluit II

3.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij bestreden besluit II het bezwaar van eiser alsnog gegrond heeft verklaard en het primaire besluit heeft herroepen.

Daarmee is verweerder materieel bezien geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit. Eiser hoeft de Zvw-bijdrage over 2006 immers niet te betalen.

3.2 In een dergelijk geval komt het belang bij een beoordeling in beroep in beginsel te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. In het onderhavige geval betekent dit, dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij schade heeft geleden door de herroeping door verweerder van de definitieve Zvw-jaarafrekening 2006.

3.3 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door toedoen van verweerder over 2006 niet verzekerd is geweest voor de Zvw. Volgens eiser heeft hij, doordat verweerder hem ondanks herhaald verzoek geen E121-formulier toezond, zich genoodzaakt gezien om een particuliere verzekering af te sluiten. Over 2006 is hiermee een bedrag gemoeid van € 5.900,-, aldus eiser. Volgens eiser dient verweerder bovendien de kosten van de particuliere verzekering over 2007 te voldoen, welk bedrag door eiser op pro memorie wordt gesteld. Voorts dient verweerder de ziektekosten ad € 3.945,- te voldoen die eiser heeft gemaakt in het begin van 2006 toen hij niet was verzekerd.

3.4 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze gestelde schade niet het gevolg is van het herroepen van het primaire besluit. Er is derhalve geen causaal verband tussen de herroeping van de definitieve Zvw-jaarafrekening 2006 en de door eiser gestelde schade.

Voor de kosten van de particuliere ziektekostenverzekering over 2006 geldt dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten niet als schade kunnen worden aangemerkt omdat eiser in 2006 niet verdragsgerechtigd was en aldus aangewezen was op een particuliere verzekering. De rechtbank is voorts van oordeel dat ook de gestelde schade qua ziektekosten over 2006 niet kan worden aangemerkt als schade ten gevolge van de intrekking van de definitieve Zvw-jaarafrekening 2006. De gemachtigde van verweerder heeft erkend dat niet tijdig is gereageerd op eisers verzoeken om toezending van E121-formulieren. Bovendien heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat toendertijd aan eiser had moeten worden gezegd dat hij via een andere weg verzekerd moest raken. De rechtbank overweegt dat, voor zover hier al sprake zou zijn van verwijtbaar handelen aan de zijde van verweerder, dit feitelijk handelen van verweerder betreft. Dat betekent dat de door eiser gestelde schade geen verband houdt met een besluit tot beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd zou zijn.

3.5 De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van de herroeping van het primaire besluit. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij een oordeel over de vraag of verweerder de definitieve Zvw-jaarafrekening 2006 al dan niet terecht heeft herroepen.

3.6 Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom eveneens niet-ontvankelijk. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

3.7 De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure telkens gewijzigde standpunten heeft ingenomen, wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank is van oordeel dat de door de gemachtigde van eiser gevraagde verletkosten voor het gedeelte van zes uur (twee uur voor het bijwonen van de twee terechtzittingen en vier uur reistijd) voor vergoeding in aanmerking komen, zijnde een bedrag van € 318,54. Tevens komen de door de gemachtigde van eiser gevraagde reiskosten voor een bedrag van € 41,60 voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verlet- en reiskosten die zijn gemaakt voor het overleg ten kantore van verweerder voor vergoeding in aanmerking te laten komen, nu het geen kosten betreft die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank. Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 360,14;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 41,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB