Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4435

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
495403 / HA ZA 11-2201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Fideï-commis de residuo / op elkaar aansluitende voorwaardelijke makingen.

In het testament van X is voorzien in een ouderlijke boedelverdeling, waaruit volgt dat de dochter een rentedragende onderbedelingsvordering verkrijgt op de langstlevende (haar moeder). Verder is bepaald dat de aan de dochter van X toekomende onderbedelingsvordering aan een stichting toe zal komen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de dochter. De dochter overlijdt voordat de onderbedelingsvordering aan haar is voldaan. De stichting betoogt op verschillende gronden dat zij recht heeft op rente over de onderbedelingsvordering over een tijdvak dat is gelegen vóór het intreden van voornoemde opschortende voorwaarde (het overlijden van de dochter). De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is.

Relevante wetsartikelen onder andere: 3:216, 4:136 e.v., 4:138 lid 2 en 6:142 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 495403 / HA ZA 11-2201

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

de stichting

STICHTING VRIENDEN VAN SHERPA,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. B. Besseling te Amersfoort,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Sherpa en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 9 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2012 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sherpa is de rechtsopvolger van Stichting Steunfonds Eemeroord. Sherpa stelt zich onder meer ten doel het verlenen van financiële en andere steun aan cliënten van de zorginstelling Sherpa.

2.2. Op 16 februari 2004 is overleden [A] (hierna: de heer [A] of de erflater), bij leven de echtgenoot van [gedaagde]. De heer [A] had twee erfgenamen: [gedaagde] en [B] (hierna: de dochter).

2.3. Het testament van de heer [A] d.d. 14 augustus 2001 (hierna: het testament) bepaalde dat de dochter de legitieme portie zou erven en [gedaagde] het overige. Het testament bevatte een ouderlijke boedelverdeling, op grond waarvan de legitieme portie eerst opeisbaar was bij overlijden van [gedaagde]. De dochter had, bij leven van [gedaagde], derhalve een vordering uit hoofde van onderbedeling (hierna ook: de onderbedelingsvordering). Over de onderbedelingsvordering was, zo bepaalde het testament, [gedaagde] de dochter wettelijke rente verschuldigd. Ook die rente was eerst opeisbaar bij het overlijden van [gedaagde], tenzij [gedaagde] er voor zou kiezen de rente eerder opeisbaar te maken.

2.4. Het testament bepaalde verder dat de legitieme portie van de dochter was bezwaard ten behoeve van (de in r.o. 2.1. genoemde rechtsvoorganger van) Sherpa, die als verwachter was aangewezen. De ten behoeve van Sherpa bezwaarde onderbedelingsvordering (hier en in de stukken ook wel het ‘fideïcommissair vermogen’ of het ‘fideï-commis (de residuo)’ genoemd) was niet eerder opeisbaar dan na het overlijden van [gedaagde], tenzij [gedaagde] anders zou besluiten.

2.5. De tekst van het testament luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

“(...)

III. Erfstelling

Ik benoem (...) tot mijn enige erfgenamen:

- mijn dochter voor het gedeelte van mijn nalatenschap dat overeenkomt met de ten tijde van mijn overlijden vastgestelde legitieme portie, onder de last om, hetgeen zij als bezwaarde van mijn nalatenschap bij haar overlijden onverteerd en onvervreemd zal nalaten, uit te keren aan de hierna sub VI te noemen verwachter;

- mijn echtgenote voor het resterende gedeelte van mijn nalatenschap.

IV. Ouderlijke boedelverdeling

Ik maak de verdeling van mijn nalatenschap (...) bij deze als volgt:

A. Ik deel toe aan mijn echtgenote alle tot mijn nalatenschap behorende activa, onder verplichting voor haar:

a. (...)

b. om wegens overbedeling schuldig te erkennen aan ieder van mijn overige erfgenamen een bedrag gelijk aan de waarde van het erfdeel van de betrokken erfgenaam (...)

B. Aan mijn overige erfgename deel ik toe diens vordering wegens overbedeling op mijn echtgenote.

(…)

D. Over de voormelde vorderingen zal vanaf mijn overlijden een enkelvoudige rente verschuldigd zijn. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente. Mijn erfgenamen zijn bevoegd in gezamenlijk overleg en eenstemmig een andere rente overeen te komen, ook tijdens de looptijd van de vorderingen. Ik verleen mijn genoemde echtgenote uitdrukkelijk het recht voormeld rentepercentage te verhogen en/of de rente opeisbaar te maken ingeval zij dit voor de ongestoorde uitvoering van deze ouderlijke boedelverdeling noodzakelijk acht.

De rente zal eerst opeisbaar zijn in de gevallen onder E sub a en b vermeld.

E. Mede ter voldoening aan mijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van mijn genoemde echtgenote (...) bepaal ik dat de vorderingen wegens overbedeling uitsluitend opeisbaar zullen zijn indien mijn echtgenote:

a. komt te overlijden;

(...)

VI. Verwachters

Ik benoem tot verwachter van hetgeen de bezwaarde onvervreemd en onverteerd zal nalaten (...) Stichting Steunfonds Eemeroord (...)”

2.6. Blijkens een beschrijving en bekrachtiging ouderlijke boedelverdeling d.d. 29 juli 2005 is de onderbedelingsvordering begroot op € 1.334.026,-.

2.7. De dochter is op 18 september 2008 overleden. Zij was verstandelijk gehandicapt, verbleef in zorginstelling ‘Sherpa’ en werd bij leven vertegenwoordigd door [C], curator. De enige erfgenaam van de dochter is [gedaagde].

2.8. Na het overlijden van de dochter, heeft [gedaagde] ervoor gekozen de bezwaarde onderbedelingsvordering opeisbaar te maken en deze aan Sherpa te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2008. [gedaagde] heeft desgevraagd geweigerd Sherpa rente te vergoeden over de bezwaarde onderbedelingsvordering over de periode 16 februari 2004 tot en met 18 september 2008 (hierna ook: de rente).

2.9. [gedaagde] heeft kosten in mindering gebracht op de aan Sherpa uitbetaalde onderbedelingsvordering. Deze kosten houden enerzijds verband met een namens [gedaagde] geraadpleegde deskundige inzake het geschil over de rente en anderzijds met accountantskosten. Doordat voornoemde kosten naar rato van de waarde van het bezwaarde vermogen en de waarde van de nalatenschap van de dochter zijn verdeeld tussen [gedaagde] en Sherpa, heeft Sherpa het leeuwendeel daarvan voldaan.

3. Het geschil

3.1. Sherpa vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat Sherpa als verwachter recht heeft op de rente over de periode van 16 februari 2004 tot en met 18 september 2008;

- [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Sherpa van € 210.895,50 dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 7.500,- exclusief 19% BTW, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag;

- voor recht verklaart dat de kosten van de accountant en de deskundige niet aan Sherpa kunnen worden toegerekend, althans verklaart dat deze kosten behoren te worden getemperd met een in goede justitie vast te stellen bedrag en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van de accountant en deskundige aan Sherpa;

- [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geschil.

3.2. Sherpa betoogt op verschillende gronden dat zij de rechthebbende is op de rente. Primair stelt Sherpa dat het fideï-commis naar nieuw recht is aan te merken als op elkaar aansluitende voorwaardelijke makingen. Op grond van artikel 4:138 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat op voorwaardelijke makingen van toepassing is, geldt dat de dochter als vruchtgebruiker dient te worden gekarakteriseerd in relatie tot Sherpa als hoofdgerechtigde. Op grond van artikel 3:216 BW komen alle vruchten – waaronder de rente over de onderbedelingsvordering – die tijdens het vruchtgebruik opeisbaar worden toe aan de vruchtgebruiker. Sherpa betoogt op grond hiervan dat haar als hoofdgerechtigde de rente – die zij als burgerlijke vrucht karakteriseert – toekomt, nu de rente eerst toen [gedaagde] deze opeisbaar maakte (volgens Sherpa op 7 september 2009) en niet tijdens het leven van de dochter opeisbaar is geworden en deze dus niet de dochter is toegekomen.

Subsidiair stelt Sherpa dat de rente als een erfrechtelijke toekenning van de heer [A] dient te worden beschouwd en als zodanig op Sherpa is overgegaan, als zelfstandig onderdeel van het bezwaarde kapitaal dan wel materieel als afzonderlijk legaat. Dat de rente aan haar is toegekend blijkt volgens Sherpa uit het feit dat de heer [A] zonder daartoe verplicht te zijn rente heeft toegekend op de onderbedelingsvordering. Voorts blijkt dit uit het feit dat de heer [A] de opeisbaarheid van de rente heeft uitgesteld tot het moment van overlijden van [gedaagde], aldus Sherpa.

Meer subsidiair stelt Sherpa dat de rentevordering op haar is overgegaan als nevenrecht op grond van artikel 6:142 lid 2 BW. De rente is bedongen en was ten tijde van de overgang van de vordering op Sherpa nog niet opeisbaar.

Uiterst subsidiair stelt Sherpa, voor het geval het testament uitleg zou behoeven, dat mag worden aangenomen dat de heer [A] de verkrijging door zijn dochter tot een minimum heeft willen beperken, nu zij een verstandelijke handicap had. Uit de omstandigheid dat het erfdeel van de dochter beperkt was tot het legitieme deel, dat de rente laag was en de opeisbaarheid daarvan uitgesteld volgt dat de heer [A] heeft beoogd de rente aan Sherpa toe te laten komen – aldus steeds Sherpa.

3.3. [gedaagde] heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. De rente komt Sherpa alleen al niet toe omdat Sherpa uitsluitend rechten kan ontlenen aan het testament van de heer [A] en de rente geen onderdeel was van de nalatenschap van de heer [A], zodat de heer [A] over de rente ook niet heeft kunnen beschikken. Verder geldt dat Sherpa op grond van het testament slechts een recht had verkregen onder een opschortende voorwaarde, te weten het overlijden van de dochter. De niet opeisbare rentevordering van de dochter op [gedaagde] in verband met de ouderlijke boedelverdeling daarentegen is ontstaan in de periode voordat de opschortende voorwaarde intrad, dus vóór het moment dat Sherpa enige vordering had uit hoofde van het testament. Genoemde niet opeisbare rentevordering is vervolgens, nadat de dochter overleed, in het vermogen van [gedaagde], de enige erfgenaam van de dochter, gevloeid en is door vermenging tenietgegaan. [gedaagde] werd door deze erfenis immers niet alleen de schuldeiser van de rentevordering, maar tevens de schuldenaar. Van een ‘overgang’ van een vordering van de dochter op Sherpa is nimmer sprake geweest, vooraleerst omdat Sherpa slechts een vordering heeft verkregen uit hoofde van het intreden van de opschortende voorwaarde, maar hoe dan ook vanwege genoemde vermenging. [gedaagde] heeft betwist dat Sherpa op grond van de artikelen 3:216 en/of 6:142 lid 2 BW gerechtigd is (geworden) tot de rente.

3.4. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Heeft Sherpa recht op de rente?

4.1. In geschil is of Sherpa recht heeft op de rente over de periode 16 februari 2004 tot 18 september 2008.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat partijen zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het ‘fideï-commis de residuo’, opgemaakt naar oud BW, dient te worden beoordeeld naar nieuw BW. Dat wil zeggen dat het fideï-commis de residuo wordt gezien als twee op elkaar aansluitende voorwaardelijke makingen, waarop titel 5 afdeling 5 van boek 4 BW van toepassing is. In het licht van de stellingen van Sherpa is vooral van belang het bepaalde in artikel 4:138 lid 2 BW op grond waarvan de bepalingen van vruchtgebruik overeenkomstige toepassing vinden op de relatie bezwaarde – verwachter.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde rente niet aan Sherpa toekomt op grond van de volgende redenen.

4.4. Zou, zoals Sherpa betoogt, de rente over de onderbedelingsvordering al als vrucht kwalificeren en artikel 3:216 BW de strekking hebben dat de niet opeisbaar geworden rente aan de hoofdgerechtigde (in dit geval Sherpa als verwachter) zou toekomen, dan kan dit Sherpa om de volgende reden niet baten. Naar het oordeel van de rechtbank strekt artikel 4:138 lid 2 BW in samenhang met artikel 3:216 BW in dit geval niet zo ver. Redengevend daarvoor is de aard van het recht dat Sherpa op grond van het testament had verkregen. Op grond van het in het testament opgenomen fideï-commis verkreeg de dochter, de bezwaarde, als een gevolg van de ouderlijke boedelverdeling een niet opeisbare vordering uit hoofde van de onderbedeling onder de ontbindende voorwaarde van het overlijden van [gedaagde]. Deze onderbedelingsvordering was bezwaard ten behoeve Sherpa die als verwachter een vordering verkreeg op diezelfde onderbedelingsvordering onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de dochter. Het recht van Sherpa was aldus voorwaardelijk en de voorwaarde was, zo had de erflater bepaald, het overlijden van de dochter. Op grond hiervan neemt de rechtbank als uitgangpunt dat Sherpa geen aanspraak kan maken op enige vordering – waaronder de rente(vordering) – die ontstaan is in de periode voordat de opschortende voorwaarde intrad, dus voordat de dochter overleed.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het testament ook niet anderszins aanknopingspunten die er op wijzen dat aan Sherpa de rente erfrechtelijk is toegekend. Weliswaar vindt de rentevordering haar oorsprong in het testament (in zoverre dat deze door de heer [A] bij testament in het leven is geroepen), maar dit op zichzelf is nog geen reden om te kunnen spreken van een erfrechtelijke toekenning, al dan niet bij afzonderlijk legaat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [gedaagde] de keuze had de rente reeds voordat deze op grond van het testament opeisbaar werd te voldoen en dat gesteld noch gebleken is dat zij in dat geval verplicht was de rente uit de nalatenschap van de heer [A] te voldoen. De rente maakte dus niet zonder meer deel uit van de nalatenschap van de heer [A]. Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat de rente over de onderbedelingsvordering in het testament is toegekend onder het kopje ‘ouderlijke boedelverdeling’ en niet onder het kopje ‘erfstelling’, waar de bezwaring is opgenomen.

4.6. Er zijn voorts geen aanknopingspunten die tot het oordeel nopen dat (voor de hand ligt dat) de heer [A] heeft beoogd dat de niet-opeisbare rentevordering over de onderbedelingsvordering van de dochter op [gedaagde] aan Sherpa toe zou komen. Zonder toelichting, die ontbreekt, volgt uit het enkele feit dat de heer [A] niet verplicht was een rente toe te kennen op de onderbedelingsvordering niet dat Sherpa (de beoogd) rechthebbende op de rente zou zijn (geworden). Hetzelfde geldt voor het feit dat de heer [A] de opeisbaarheid van de rente heeft uitgesteld tot het moment van overlijden van [gedaagde] en de omstandigheid dat de dochter van de heer [A] verstandelijk gehandicapt was.

De rechtbank overweegt als volgt. De keuze van de heer [A] om de onderbedelingsvordering rentedragend te maken kan op meerdere manieren worden uitgelegd. Zo kan de rente op de onderbedelingsvordering bijvoorbeeld worden gezien als een vergoeding voor het feit dat de onderbedelingsvordering niet-opeisbaar was; een vergoeding voor het wachten op het legitieme deel en een compensatie voor geldontwaarding. Dat de rente niet-opeisbaar was kan ook worden gezien als een manier om te garanderen dat [gedaagde] er niet (als een gevolg van de onderbedelingsvordering) in levensstandaard op achteruit zou gaan. Het is ook denkbaar dat de heer [A] er om fiscale redenen voor heeft gekozen een rente toe te kennen of om uit te sluiten dat namens de dochter ooit een procedure zou kunnen worden gevoerd over het ontbreken van een rentevergoeding over haar niet-opeisbare onderbedelingsvordering. Ook nog denkbaar is dat de heer [A] geen duidelijke bedoeling voor ogen stond toen hij de rente instelde. Kortom, het is niet met zekerheid vast te stellen wat de exacte reden was voor het in het leven roepen van een rentevordering van de dochter op [gedaagde]. Sherpa, op wie ter zake de stelplicht rust, heeft in dat licht haar stelling dat wel beoogd moet zijn geweest dat zij rechthebbende op de rente zou zijn/worden onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

4.7. Aangezien het voorwaardelijk recht van Sherpa haar oorsprong vindt in het testament en afhankelijk is van een in dat testament bepaalde opschortende voorwaarde, is de rechtbank tot slot van oordeel dat er geen sprake is geweest van een overgang van vorderingen (i.c. van de onderbedelingsvordering van de dochter op Sherpa). Dit betekent dat het beroep van Sherpa op artikel 6:142 BW moet worden verworpen omdat dit artikel ziet op een situatie waarin van een overgang van een vordering sprake is.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat geen van de door Sherpa aangevoerde grondslagen tot toewijzing van de verklaring voor recht en, daarmee samenhangend, het gevorderde rentebedrag kunnen leiden. Deze vorderingen worden dan ook afgewezen.

De overige vorderingen van Sherpa

4.9. Sherpa heeft gesteld dat het onrechtmatig althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de kosten van de accountant en de kosten van de deskundige naar rato van de waarde van het bezwaarde vermogen en de waarde van de nalatenschap van de dochter is verdeeld tussen [gedaagde] en Sherpa. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Sherpa gewezen op de in haar ogen starre houding van (de vertegenwoordiger van) [gedaagde] en op de onhoudbaarheid van diens standpunten inzake de vraag of Sherpa al dan niet rechthebbende is op de rente.

4.10. [gedaagde] heeft aangevoerd dat gebruikelijk is bij de afwikkeling van een fideï-commis, dat de kosten naar rato van de waarde van het bezwaarde vermogen en de waarde van de nalatenschap worden verdeeld. Zij heeft, onder verwijzing naar haar standpunt inzake de vraag of Sherpa gerechtigd is tot de rente, bestreden dat deze verdeling in dit geval onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en de billijkheid zou zijn.

4.11. De rechtbank volgt [gedaagde] op dit punt. Aangezien Sherpa de door [gedaagde] gestelde gebruikelijke wijze om een fideï-commis af te wikkelen niet heeft betwist is er – nu de vorderingen van Sherpa worden afgewezen – geen enkele reden om te oordelen dat deze wijze van afwikkeling in dit geval onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en de billijkheid zou zijn. Dat de kosten door de houding van [gedaagde] zijn veroorzaakt kan, gelet op het oordeel in r.o. 4.8., niet worden volgehouden.

4.12. Nu de vorderingen van Sherpa worden afgewezen heeft zij evenmin recht op een vergoeding voor kosten ter verkrijging van haar vordering buiten rechte. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.

Proceskosten

4.13. Sherpa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld. Deze kosten begroot de rechtbank op € 1.400,- voor griffierechten, en € 4.000,- (2 x tarief VI) voor salaris advocaat. In totaal derhalve € 5.400,-.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Sherpa in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot op heden begroot op € 5.400,-,

5.3. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans, mr. A.B.M. Wijnveldt en mr. F.W. Pieters en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?