Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706013-12 RK nummer: 12/721
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondslag EAB: in het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel en een nog niet onherroepelijk arrest. Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat door de beslissing van the Court of Appeal het in het EAB genoemde arrestatiebevel niet is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706013-12

RK nummer: 12/721

Datum uitspraak: 13 april 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 januari 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2011 door the Chief Justice of the Court of Appeal of Naples – 4th Criminal Division (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] alias [alias],

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [1970],

volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘Zwaag’ te Zwaag;

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 24 februari 2012 en 30 maart 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft op 30 maart 20102 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak dient te doen (met terugwerkende kracht) met dertig dagen verlengd. Deze verlenging is noodzakelijk, omdat het de rechtbank door het tijdstip waarop de zaak voor behandeling is aangebracht en vanwege haar volle agenda, onmogelijk is gebleken binnen de termijn van zestig dagen uitspraak te doen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

De opgeëiste persoon heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 bevestigd dat hij in het verleden gebruik maakte van de naam [alias], maar dat hij zijn naam heeft gewijzigd in [opgeëiste persoon].

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel (Order of preliminary custody) van 17 december 2004, uitgevaardigd door the Judge of the Preliminary Custody of S.M. Capua Vetere (nr 10470/02) en een nog niet onherroepelijk arrest van 21 november 2008 van the Court of Appeal of Naples 4th Division (referentie N. 8438/08).

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wat de grondslag van het EAB is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het EAB het arrest van het Hof van Beroep van Napels van 21 november 2008 ten grondslag ligt. Uit de aanvullende informatie van 23 februari 2012 blijkt dat deze uitspraak vanwege de beperkte terugwijzing door het Hof van Cassatie naar het Hof van Beroep nog niet definitief is en dat er pas een executiebevel zal worden gegeven nadat de nog te nemen beslissing van het Hof van Beroep definitief zal zijn. Vervolgens hebben de uitvaardigende autoriteiten in de brief van 12 maart 2012 aangegeven dat er geen andere juridische grondslag dan het arrest van het Hof van Beroep van Napels is en dat het arrestatiebevel van 17 december 2004 is komen te vervallen. Gelet hierop bestaat er op dit moment geen voor tenuitvoerlegging vatbare rechtelijke beslissing en kent het EAB een ontoereikende grondslag.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag van het EAB door het schrijven van 12 maart 2012 duidelijk is geworden. De grondslag betreft het vonnis van 21 november 2008 van het Hof van Beroep en hierdoor is het arrestatiebevel uit 2004 niet meer nodig. Op basis van het vertrouwensbeginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van het EAB. Door het uitvaardigen van het EAB door Italië moet er op vertrouwd worden dat naar Italiaans recht het arrest van het hof voldoende basis biedt om de opgeëiste persoon na overlevering in hechtenis te nemen. Het feit dat er volgens de Italiaanse autoriteiten nog een execution order moet volgen na een vonnis is een tussenstap die in Italië moet worden genomen en doet niet af aan het feit dat de Italiaanse autoriteiten een verzoek tot executie van een opgelegde straf uitvaardigen. Uit de informatie blijkt dat er geen rechtsmiddelen meer open staat tegen de veroordeling voor de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd en dus kan de overlevering op basis van het vonnis van 21 november 2008 worden toegestaan, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, evenals de verdediging, van oordeel dat het arrest van 21 november 2008 van the Court of Appeal te Napels gelet op de beslissing van the Court of Cassation te Rome van 9 november 2011 nog niet onherroepelijk is en derhalve geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis betreft. Dit blijkt uit de aanvullende brief van 23 februari 2012, waarin de autoriteiten met zoveel woorden aangeven dat het arrest van 21 november 2008 nog niet definitief is en dat, wanneer het arrest definitief zal zijn, er een bevel tot tenuitvoerlegging van de straf zal worden uitgevaardigd.

Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat door de beslissing van the Court of Appeal van 21 november 2008 het in het EAB genoemde arrestatiebevel van 17 december 2004 niet is komen te vervallen. De rechtbank wijst in dit verband op de aanvullende brief van 12 maart 2012 waarin de uitvaardigende autoriteiten schrijven dat de precautionary measure heeft geleid tot (‘induced’) het arrest van the Court of Appeal van 21 november 2008. Uit deze bewoordingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de uitvaardigende autoriteiten hebben willen aangegeven dat het arrestatiebevel uit 2004 na de beslissing van 21 november 2008 is komen te vervallen. Dit is te meer niet aannemelijk vanwege het feit dat het EAB is uitgevaardigd op 29 september 2011, dus na de beslissing van the Court of Appeal, en in het EAB het arrestatiebevel (mede) als grondslag van het EAB wordt genoemd. Niet valt in te zien dat het arrestatiebevel alsnog is komen te vervallen door een beslissing na het uitvaardigen van het EAB.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de visie van de verdediging en de officier van justitie – dat het arrest van the Court of Appeal van 21 november 2008 de enige basis van het EAB is – niet deelt. De brief van de uitvaardigende autoriteiten van 12 maart 2012 dient namelijk te worden bezien in het licht van het schrijven van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van 8 maart 2012.

In deze brief heeft het IRC om opheldering verzocht over de nieuw ontstane situatie na het arrest van de Corte di Apello van 9 november 2011 en gevraagd welke court decision de legale basis van het EAB betreft. De rechtbank gaat er vanuit dat deze vraagstelling is ingegeven door de verwarring die kennelijk bij het IRC is ontstaan door een aanvankelijk onjuiste vertaling van de brief van 23 februari 2012 van de uitvaardigende autoriteiten. Daarin was immers the Court of Cassation ten onrechte vertaald als the Court of Appeal.

In antwoord op de brief van het IRC schrijven de uitvaardigende autoriteiten op 12 maart 2012 dat er geen andere arrest van the Court of Appeal in deze zaak is gewezen en dat de opgeëiste persoon bij het arrest van the Court of Appeal of Napels is veroordeeld. De laatste zin van deze brief, namelijk dat er geen ander judgement of appeal aan het EAB ten grondslag ligt, leest de rechtbank dan ook als een bevestiging dat er maar één uitspraak is van the Court of Appeal.

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat aan het EAB het arrestatiebevel van 17 december 2004, uitgevaardigd door the Judge of the Preliminary Custody of S.M. Capua Vetere, ten grondslag ligt. De rechtbank verstaat het EAB aldus dat het strekt tot strafvervolging van de opgeëiste persoon.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van Italië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in een aanvullende brief van 23 februari 2012 van de uitvaardigende autoriteiten. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van deze onderdelen zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Hoewel het onderhavige EAB naar het oordeel van de rechtbank niet strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis en artikel 12 OLW derhalve niet toepasselijk is, overweegt de rechtbank met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de opgeëiste persoon buiten zijn medeweten en bij verstek is veroordeeld het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat uit de informatie uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon weliswaar niet in persoon bij de zittingen is verschenen, maar dat hij twee door hem gekozen advocaten heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die twee advocaten ook ter terechtzitting zijn verdediging hebben gevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon daarmee zijn verdedigingsrechten heeft kunnen effectueren. Dit houdt in dat van de in artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW geschetste situatie sprake is en dat zich in ieder geval geen weigeringsgrond zoals in artikel 12 OLW voordoet.

4. Genoegzaamheid der stukken

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de feitsomschrijving in het EAB niet overeen komt met de inhoud van de beslissing van the Corte Appello di Napoli waarop het EAB is gebaseerd. De beschreven uitbuiting van een Russische dame genaamd “[naam]”, is in het geheel niet terug te vinden in het veroordelend arrest. Het is onduidelijk of het huidige EAB ziet op de (verdere) vervolging voor de feiten waarvoor de opgeëiste persoon reeds in 2008 is veroordeeld of dat het ziet op het feitencomplex zoals omschreven in het EAB (m.b.t. “[naam]”) dat nog niet eerder aan een rechter ter beoordeling is voorgelegd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie ten aanzien van de feiten duidelijk is. Er moet worden uitgegaan van de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. De opgeëiste persoon geniet de bescherming van het specialiteitsbeginsel en er is geen ruimte om hem voor andere feiten te vervolgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt dat de rechtbank van oordeel is dat de feitsomschrijving zoals die blijkt uit onderdeel e) van het EAB en uit de aanvullende informatie van 23 februari 2012, voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. Daarin zijn onder andere de tijd, de plaatsen alsmede de gedragingen van de opgeëiste persoon genoemd en is het voor hem duidelijk voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht.

Het verweer wordt verworpen.

5. Strafbaarheid

5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit een van de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van de strafbare feiten niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Italië als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 273f Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] (alias [alias]) aan the Chief Justice of the Court of Appeal of Naples – 4th Criminal Division (Italië) ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2012.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]