Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4338

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
497952 HA ZA 11-2372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie? In het Parool is een artikel gepubliceerd over de slechte betalingsmoraal van een projectontwikkelaarster. Afweging van de in aanmerking komende belangen. De beschuldigingen vinden in voldoende mate steun in het beschikbare feitenmateriaal. De projectontwikkelaarster is aan te merken als een zogenaamd ‘publiek figuur’. Het Parool heeft de projectontwikkelaarster in voldoende mate in staat gesteld om te reageren op het voornemen tot publicatie van het artikel. De rechtbank oordeelt, al deze omstandigheden in aanmerking genomen, dat de publicatie niet onrechtmatig is jegens de projectontwikkelaarster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 497952 / HA ZA 11-2372

Vonnis van 21 maart 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] HOLDING B.V.,

gevestigd te Soest,

2. [B],

wonende te [plaats],

eiseressen,

advocaat mr. S. Stekhuizen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [C],

wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. C. Wildeman.

Partijen zullen hierna [B] c.s. en Het Parool c.s. genoemd worden. Daar waar eiseressen en gedaagden afzonderlijk worden genoemd zullen zij worden aangeduid als [A], [B], Het Parool en [C].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 22 en 27 juli 2011 met 7 producties,

- de conclusie van antwoord met 11 producties,

- het tussenvonnis van 30 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] is onderneemster/projectontwikkelaarster. Zij is statutair directeur van [A].

2.2. Het Parool is uitgeefster van het gelijknamige dagblad, het Parool. [C] is onderzoeksjournalist en schrijft in dat kader regelmatig artikelen die betrekking hebben op onderwerpen die zijn gerelateerd aan Amsterdam.

2.3. Op 4 november 2010 heeft [C] telefonisch contact opgenomen met [B] om haar reactie te vragen op een door hem in het Parool te publiceren artikel over [B]. [C] heeft [B] in dat gesprek te kennen gegeven dat het materiaal waarover hij beschikte geen positief beeld van haar gaf. Mr. [D], de raadsman van [B], heeft kort na dit gesprek telefonisch contact opgenomen met [C]. Mr. [D] heeft telefonisch getracht [C] ervan te overtuigen dat zijn bevindingen onjuist waren en daartoe op diezelfde dag ‘s avonds ook nog een pakket stukken aan [C] gefaxt. Op 5 november 2010 ’s ochtends heeft met betrekking tot de aan [C] gestuurde stukken nogmaals telefonisch contact plaatsgevonden tussen mr. [D] en [C].

2.4. In het Parool van 5 november 2010 is onder de kop ‘[B] wil ‘gewoon nooit betalen’ het volgende artikel (verder: het artikel) van de hand van [C] verschenen:

Lang leek de carrière van zakenvrouw [B] een aaneenschakeling van hoogtepunten, maar daar zit lelijk de klad in: ze trekt een spoor van onbetaalde rekeningen en tegen haar is aangifte gedaan van fraude.

[C]

In de media poseert de hoogblonde[B] doorgaans als een kosmopolitische, beste wel hippe, maar vooral doortastende ondernemer die geen uitdaging uit de weg gaat. “Ik doe alleen maar projecten waarvan anderen denken: dat is onmogelijk,” legde ze Het Parool uit in maart 2009, nadat zij de bekende club Marcanti in de Jan van Galenstraat (voor alle denkbare feesten) had overgenomen. “Kijk, je moet natuurlijk niet een tent overnemen om er rijk van te worden,” voegde zij daar nog aan toe. “Je moet eerst jaren bouwen.”

Achter die buitenkant gaat een heel andere werkelijkheid schuil: [B] laat een spoor na van onbetaalde rekeningen, schuldeisers en al dan niet dreigende faillissementen. Het afgelopen jaar kwam zij niet al te florissant tevoorschijn uit een Bibob-procedure van de gemeente Amsterdam, en vorige week werd aangifte tegen haar gedaan wegens fraude. “Het probleem met [B] is: ze wil gewoon nooit betalen,” zegt een ingewijde. “Geen idee wat daarvan precies de oorzaak is, maar ze spant nog liever een rechtszaak tegen je aan dan dat ze je betaalt.”

[B] (39), afkomstig uit [plaats], zat aanvankelijk vooral in het vastgoed, samen met haar (inmiddels ex-)echtgenoot [E]. Hun belangrijkste vastgoedvehikel was R&R Beheer in Soest, ook wel [B] Beheer of De Karn BV genaamd. R&R verhuurde rond 2000 alleen al in Amsterdam zo’n tweehonderd woningen en bedrijfspanden, en werd in 2003 door het Meldpunt Ongewenst Verhuurgedrag uitgeroepen tot Slechtste Verhuurder van Amsterdam vanwege chronisch achterstallig onderhoud. Typerend voor het duo achtte het meldpunt dat gerechtelijke bevelen onderhoud alsnog uit te voren, op straffe van een dwangsom, eenvoudig niet werden opgevolgd; de dwangsommen werden ook niet betaald.

Na de scheiding van [E] ging [B] in haar eentje op zakelijk avontuur, waarbij zij naar verluidt wel wat te spenderen had; in de ene versie is zij zelf van welgestelde komaf, in de andere heeft [E] haar een niet onaanzienlijke afkoopsom betaald. In elk geval staat zij nu aan het hoofd van [A] Holding, een koepel met daaronder tal van dochters als Kragenhoek BV, [B] BV, Octopussy BV, [B] Management BV, et cetera.

Met die kerstboom aan bv’s bestrijkt [B] een breed terrein. Met [A] Holding en met ontwerper [F] lanceerde [B] vijf jaar geleden ambitieuze plannen voor de aanleg in Hoorn van een ‘jachthaven met Cannes-allures’ en met achthonderd ligplaatsen. Bij de start werden pr-foto’s verspreid waarop [B] en [F] in het IJsselmeer zogenaamd de eerste paal slaan. Voor het project werd een overeenkomst gesloten met Peyler Projectontwikkeling in Avenhorn; Peyler zou de haven aanleggen, [A] zou de zaak financieren en exploiteren.

‘Marina Kaap Hoorn’ moest in 2006 in gebruik worden genomen, maar dat bleek al snel onhaalbaar. Begin dit jaar ontplofte de zaak: Peyler staakte de aanleg omdat [B] haar rekeningen niet meer betaalde; de vordering was inmiddels opgelopen tot naar verluidt zeven miljoen euro. De projectontwikkelaar dreigde [B] daarop met rechtszaken en vervolgens werd een deal gesloten: de overeenkomst tussen [B] en Peyler werd ontbonden. Sindsdien zit Peyler met de gebakken peren en is naarstig op zoek naar nieuwe financiers. De aanleg van de jachthaven ligt stil. “De grove infrastructuur is klaar, het is alleen nog een kwestie van invulling van de haven,” zegt [G] van Peyler.

Ook in de zaak van De Projectenfabriek, een andere bv van [B], draait het om onbetaalde rekeningen. De Projectenfabriek hield kantoor in het World Trade Center aan de Amsterdamse Zuidas, maar betaalde geen huur. Toen de achterstand bijna een ton beliep, vroeg het WTC het faillissement van De Projectenfabriek aan, dat in augustus 2009 werd uitgesproken.

Mr. [H] van Kennedy Van der Laan werd tot curator benoemd. Zij probeert al meer dan een jaar te achterhalen wat er precies is gebeurd. Welke activiteiten De Projectenfabriek ontplooide is nog niet helder. “Dat is steeds vaag gebleven. Ik meen het opzetten van vastgoedprojecten, ook in het buitenland. Er was sprake van projecten op Bonaire, waar ze luxevakantiewoningen wilden bouwen.”

Een boekhouding van de bv of andersoortige administratie heeft de curator niet kunnen achterhalen. Om die reden werden [B] en ene [J], die als een stroman van haar wordt beschouwd, in november 2009 verhoord door de rechter-commissaris. Daarbij beloofde [B] de curator nadere informatie over de boekhouding te zullen verstrekken, maar dat is nooit gebeurd. “Om die reden heb ik vorige week, in overleg met de rechter-commissaris tegen [B] aangifte van faillissementsfraude gedaan,” zegt [H]. De totale schuld (niet alleen WTC, maar ook de fiscus en anderen) beloopt nu ruim twee ton.

De Marcantizaak is een bijna identiek verhaal. Marcanti werd aanvankelijk (met Marcanti Beheer BV) geëxploiteerd door [K], tevens eigenaar van [café] op de Middenweg; het vastgoed is in eigendom van het Bouwfonds. In 2008 moest [K] Marcanti verkopen vanwege de crisis, en omdat het partywezen niet helemaal zijn branche is. “Ik verkoop koffie en appeltaart.” [K] verkocht Marcanti Beheer BV daarop aan [B], inclusief het huurcontract met het Bouwfonds. [B] nam een creatief bureau in de arm, van ene [L], en Marcanti werd omgetoverd tot een tempel voor grote feesten, teenage nights, et cetera. De boel moest eens stevig worden opgeschud, aldus [B] in maart 2009 tegenover deze krant. “Waar kun je nou goed stappen in Amsterdam? Vertel het me maar. Ik weet het niet.”

In 2009 en 2010 werden in Marcanti reeksen feesten georganiseerd. Aan het Bouwfonds werd echter geen huur afgedragen. Vanwege een vordering van inmiddels tonnen eiste het Bouwfonds in kort geding recent ontbinding van het huurcontract met Marcanti Beheer BV; eind vorige maand bepaalde de rechtbank dat het huurcontract mag worden ontbonden. Het Bouwfonds gaat nu trachten de vordering van tonnen te verhalen op Marcanti Beheer (directeur: stroman [J]) of [B] zelf. “Maar wij vrezen dat het een lastig traject wordt,” aldus Bouwfondswoordvoerder Jasper de Boom met gevoel voor understatement.

Voormalig Marcanti-exploitant [K] is eveneens verwikkeld in rechtszaken met [B], en ook daar draait het om tonnen. “Wat die vrouw doet, keer op keer, is onvoorstelbaar. Alles wat ik in 35 jaar heb opgebouwd, is weg.”

Tussen alle perikelen met het Bouwfonds en [K] door speelde ook nog, ook al is daar geen ruchtbaarheid aan gegeven, een Bibob-zaak: de gemeente Amsterdam liet [B] afgelopen zomer weten van plan te zijn haar geen nieuwe exploitatievergunning voor Marcanti te verstrekken op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Naar het oordeel van de gemeente bestond er in ‘ernstige mate’ gevaar dat [B] die vergunning zou gebruiken voor witwasserij van crimineel geld.

Begin oktober kreeg [B] alsnog vergunning, zij het met een strenge “financiële meldingsplicht’, maar vervolgens werd het huurcontract door de rechter ontbonden. In een persbericht op internet liet de ‘Crew Marcanti Amsterdam’ vorige week tenslotte weten dat ‘alle reeds geplande feesten per direct zijn gecanceld’. Oorzaak: het Bouwfonds eiste van Marcanti ‘een extreem hoge huur’, en Marcanti had bijgevolg geen andere keus dan ‘nu zelf de handdoek in de ring te gooien’.

En dan ligt bij de rechtbank ik Utrecht ook nog een verzoek om [B]s moedermaatschappij [A] Holding failliet te verklaren. Dat verzoek wordt 23 november behandeld. De schuldeiser die het verzoek heeft ingediend, zakenman [M], wil er in dit stadium niets over zeggen, behalve dan dat het draait om, het wordt afgezaagd, rekeningen die [B] niet heeft betaald.

Over de beweegredenen van [B] zich steeds maar weer in nieuwe projecten te storten en vervolgens rekeningen te gaan verscheuren, zijn ingewijden het redelijk eens. “Ze wil altijd meer”, zegt een van hen. “Ze heeft wel eens gezegd: ‘Ik zal jullie eens laten zien wat de macht van geld is.’ Het gaat haar om zowel het spel als om de knikkers.”

Curator [H]: “Ik heb haar gesproken bij de rechter-commissaris, en zij heeft heel goed door dat zij dingen doet die niet kunnen en mogen, maar zij denkt gewoon dat zij daar het recht toe heeft.” Vanwege één of ander bord voor haar kop, of doet zij het welbewust? “Ik denk dat dat zéér welbewust gaat. Ze heeft vaak genoeg te horen gekregen dat sommige dingen niet mogen, maar bij haar haalt dat niets uit.”

In het kader rechts naast de foto staat het volgende fragment:

‘Ik word het spuugzat’

[B], een spraakwaterval, is hoogst verbaasd over zoveel kritiek. “Ik rekeningen niet betaald? Ha! Ik ben de enige die geld kwijt is. Ik heb de bewijzen. Ik heb de documenten.”

Over de jachthaven in Hoorn zegt zij: “Dat is niet het juiste verhaal, maar hoe het wel zit, mag ik u niet vertellen.”

Dat de curator van De Projectenfabriek tegen haar aangifte van fraude heeft gedaan, verontrust haar niet. “Dat moet zij vooral doen. Daar ga ik tegen in beroep. Bovendien was ik er allang uit, uit die bv.”

Ook alle beschuldigingen in de Marcantizaak wijst zij van de hand. Ze heeft, zegt zij, wel degelijk huur betaald aan het Bouwfonds. “Dat komt ook nog wel een keer boven water. Maar het Bouwfonds en de gemeente hebben er gewoon belang bij om mij zo zwart mogelijk af te schilderen.” Binnen een paar weken publiceert [B] een boek van eigen hand met de titel De liquidatie van Marcanti door het Bouwfonds en de gemeente.

En dat het faillissement van [A] Beheer is aangevraagd: “Ach, ik kan ook van iedereen zo het faillissement aanvragen. Ik wil die schuldeiser wel betalen, maar door derdenbeslag kan ik dat niet. Echt, ik ben dit soort verhalen een beetje spuugzat aan het worden, want banken gaan natuurlijk vragen stellen.”

2.5. [B] heeft over het artikel een klacht ingediend tegen [C] en de hoofdredacteur van Het Parool bij de Raad voor de Journalistiek. De klacht bestond uit twee onderdelen, namelijk dat het artikel diverse onjuistheden bevat, waardoor een tendentieus beeld van [B] is ontstaan, en dat [B] onvoldoende gelegenheid is geboden voor wederhoor. Het Parool en [C] hebben schriftelijk laten weten niet op de klacht te zullen reageren. Op 4 april 2011 heeft de Raad voor de Journalistiek als volgt beslist:

“(…) De klacht is gegrond voor zover die betrekking heeft op het onvoldoende bieden van gelegenheid tot wederhoor. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.(…)”

3. Het geschil

3.1. [B] c.s. vordert samengevat - dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

• Het Parool zal veroordelen om binnen vier dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een rectificatie te plaatsen in het Parool, alsmede deze rectificatie te plaatsen op de website van Het Parool conform de tekst als weergegeven in de dagvaarding, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per editie dat Het Parool met deze veroordeling in gebreke blijft;

• Het Parool zal veroordelen om binnen vier dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de hierboven bedoelde rectificatie zeven dagen lang te plaatsen op de website van Het Parool, in die zin dat op de voorpagina van de website staat vermeld: “Mededeling [B]”, welke mededeling kan worden aangeklikt zodat men wordt doorgelinkt naar de tekst van de mededeling, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per dag dat Het Parool met deze veroordeling in gebreke blijft;

• Het Parool c.s. zal veroordelen tot betaling van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 11.460,- aan [B] c.s., althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

• Het Parool c.s. zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [B] c.s. legt - samengevat - het volgende aan haar vordering ten grondslag. Het artikel is grievend van aard, met als boodschap het diskwalificeren van [B] c.s., zodat haar potentiële zakenpartners gewaarschuwd zijn. De rode draad van het artikel is dat [B] een malafide onderneemster is die haar contractspartijen stelselmatig dupeert doordat zij haar rekeningen niet betaalt. Daarmee is de goede naam, eer en reputatie van [B] c.s. aangetast. Het Parool c.s. heeft met het publiceren van het artikel onzorgvuldig jegens [B] c.s. gehandeld aangezien de geuite beschuldigingen geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal en zij niet op deugdelijke wijze hoor en wederhoor heeft toegepast. Verder is van belang dat [B], anders dan Het Parool c.s. stelt, niet is aan te merken als een publiek figuur. Het Parool c.s. heeft dan ook onrechtmatig jegens [B] c.s. gehandeld en is aansprakelijk voor de als gevolg van dit handelen door haar geleden schade.

3.3. Het Parool c.s. verweert zich - samengevat - als volgt.

Er is geen sprake van lichtvaardige verdachtmakingen. Het artikel is feitelijk juist en is gebaseerd op betrouwbare bronnen, waaronder openbare faillissementsverslagen, eerdere publicaties in andere media, gerechtelijke uitspraken, gesprekken met direct betrokkenen en door [B] zelf verstrekte informatie. [B] is gevraagd om commentaar te leveren en haar reactie heeft ook een plaats gekregen in het artikel. Hiermee heeft Het Parool c.s. het beginsel van hoor en wederhoor op een juiste wijze toegepast. [B] is bovendien aan te merken als een publiek figuur die zich om die reden meer moet laten welgevallen dan een willekeurige burger. Het staat Het Parool c.s. verder vrij om een kritische en waarschuwende toon aan te slaan. Het Parool c.s. heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld, zodat alle vorderingen dienen te worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat [B] c.s. de inhoud van het artikel als een aantasting van haar reputatie kan beschouwen. In een geval als het onderhavige waarin wordt aangevoerd dat de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting nadeel toebrengt aan een anders reputatie ligt het in het stelsel van het EVRM besloten dat aan de hand van artikel 10 EVRM beoordeeld moet worden of een beperking van de vrijheid van meningsuiting is aangewezen. Dit in lid 1 van artikel 10 EVRM vastgelegde recht kan volgens lid 2 van artikel 10 EVRM slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van de daar genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam.

4.2. Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van Het Parool c.s. als onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW moeten worden beschouwd. Voor het antwoord op de vraag of Het Parool c.s. onrechtmatig jegens [B] c.s. heeft gehandeld moeten, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Het Parool c.s. heeft een belang om in het openbaar een kritisch, informerend of opiniërend commentaar te geven over misstanden in de samenleving. Het belang van [B] c.s. is dat zij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen die haar zakelijke reputatie schade kunnen toebrengen. Tegen deze achtergrond staat allereerst ter beoordeling of de in het artikel verwoorde beschuldigingen aan het adres van [B] c.s. voldoende steun vinden in beschikbare feitenmateriaal.

4.3. [B] c.s. stelt zich op het standpunt dat de rode draad van het artikel, te weten het verwijt dat zij een slechte betalingsmoraal heeft, geen steun vindt in de feiten. Dit verwijt wordt blijkens het artikel gebaseerd op de feitelijke gang van zaken bij een aantal nader in het artikel omschreven projecten waarbij [B] c.s. betrokken is (geweest). [B] c.s. betwist met name de feitelijke juistheid van hetgeen in het artikel geschreven wordt over de volgende kwesties: Marina Kaap Hoorn, De Projectenfabriek, Het Bouwfonds / Marcanti, [K] en [M]. Op ieder van deze kwesties afzonderlijk wordt hierna ingegaan. Voor de inhoud van het artikel ten aanzien van deze kwesties wordt daarbij kortheidshalve verwezen naar rechtsoverweging 2.4.

Marina Kaap Hoorn

4.4. [B] c.s. stelt dat in het artikel de onware suggestie wordt gedaan dat [B] haar zakenpartner in dit project, Peyler, heeft benadeeld. [B] voert daartoe aan dat zij een regeling heeft getroffen met deze projectontwikkelaar, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst waarin een geheimhoudingsbeding is opgenomen. [B] kreeg op basis van deze overeenkomst zélf schadevergoeding. [C] wilde niet ingaan op het aanbod van mr. [D] om [C] vertrouwelijk kennis te laten nemen van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, aldus nog steeds [B] c.s.

4.5. Vaststaat dat in de twee artikelen uit het Noordhollands dagblad van 9 en 10 april 2010 onder meer staat dat Peyler en [A] met elkaar in conflict zijn geraakt en dat [A] een rekening van € 7 miljoen te betalen had aan Peyler. [C] heeft deze informatie vervolgens - naar Het Parool c.s. onweersproken stelt - voorgehouden aan beide betrokken partijen, te weten [G] van Peyler en [B]. [G] heeft de juistheid van deze publicaties niet betwist, maar [B] (als hiervoor aangehaald) wel. Nu echter niet gebleken is dat [B] ooit eerder bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van voornoemde publicaties, kon [B] ten opzichte van [C] niet volstaan met een enkele ontkenning van de juistheid van deze informatie. Dat [B] niet meer informatie kon verschaffen als gevolg van een geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst komt voor haar risico en kan niet worden tegengeworpen aan Het Parool c.s. De conclusie is dan ook dat hetgeen met betrekking tot dit project in het artikel is verwoord in voldoende mate steun vindt in de door [C] gebruikte bronnen.

De Projectenfabriek

4.6. [B] c.s. stelt dat in het artikel ten onrechte staat dat [B] haar rekeningen niet heeft betaald en dat zij zelf juist de grootste schuldeiser is in het faillissement van de Projectenfabriek. Verder brengt zij naar voren dat onduidelijk is waarvan de curator precies aangifte heeft gedaan, zodat daarop geen beschuldiging kan worden gebaseerd. Tenslotte stelt [B] c.s. dat de curator heeft bevestigd dat haar citaten in het artikel tendentieus zijn.

4.7. [B] c.s. heeft haar hiervoor vermelde stellingen onvoldoende concreet onderbouwd. Zo is niet gebleken dat zij zelf de grootste schuldeiser is in het faillissement van De Projectenfabriek. Dat volgt niet uit de faillissementsverslagen en ook overigens heeft zij geen concrete onderbouwing van deze stelling gegeven. Ook is niet gebleken dat hetgeen overigens in het artikel over het onderwerp De Projectenfabriek is vermeld feitelijk onjuist is. Uit de faillissementsverslagen blijkt dat er sprake was van huurachterstand en dat tegen haar aangifte is gedaan van faillissementsfraude. Voorts heeft [B] c.s. te weinig gesteld, in het licht van de betwisting door Het Parool c.s., om aannemelijk te maken dat de curator heeft bevestigd dat haar citaten tendentieus waren. De conclusie is dan ook dat Het Parool c.s., dat zich heeft gebaseerd op de faillissementsverslagen van De Projectenfabriek en een toelichting daarop van de curator, zich ook hier kan beroepen op bronnen die zij redelijkerwijs voor gezaghebbend kon houden en dat [B] c.s. niet heeft aangetoond dat het artikel ten aanzien van deze kwestie feitelijk onjuiste informatie bevat.

Het Bouwfonds / Marcanti

4.8. [B] c.s. stelt dat een en ander veel genuanceerder ligt omdat een groot deel van de vorderingen op Marcanti Beheer B.V. dan wel [B] is ontstaan in de periode dat [K] (middels Marcanti Beheer B.V.) nog eigenaar was van Marcanti. Voorts is ter comparitie van de zijde van [B] c.s. naar voren gebracht dat tussen [B] en het Bouwfonds onderhandeld werd over een nieuwe huurprijs en dat de toenmalige huurachterstand van 6 maanden daarmee verband hield. Volgens [B] c.s. was [C] hier ook van op de hoogte.

4.9. [B] c.s. betwist hiermee niet dat zij een huurachterstand had bij het Bouwfonds. Haar nuancering dat een deel van de huurachterstand stamt uit de periode van de vorige eigenaar van Marcanti, neemt niet weg dat Het Parool c.s. op basis van de voor haar beschikbare bronnen mocht schrijven dat er - ook na overname door [B] c.s. (in 2008) - een huurachterstand bestond. Het Parool c.s. heeft in dit verband gewezen op een persbericht over de sluiting van Marcanti van 26 oktober 2010, waarin verwezen wordt naar een kort geding. In dat persbericht staat dat de rechter heeft bepaald dat het Bouwfonds in zijn gelijk staat en dat het Bouwfonds het pand mag laten ontruimen. Voorts heeft Het Parool c.s. - onweersproken - aangevoerd dat een woordvoerder van het Bouwfonds Het Parool c.s. heeft laten weten dat het Bouwfonds een vordering van tonnen aan achterstallige huur op Marcanti Beheer of [B] zelf probeerde te verhalen. [B] c.s. heeft dan ook onvoldoende betwist dat de in het artikel gepresenteerde feiten met betrekking tot deze kwestie steun vinden in de door [C] gehanteerde bronnen.

[K]

4.10. [B] c.s. stelt dat [C] ten onrechte [K] ten tonele brengt om steun te geven aan de stelling dat [B] een slechte betalingsmoraal heeft. [C] wist namelijk dat [K] twee procedure’s bij de rechtbank Amsterdam heeft verloren tegen [B] en dit laat hij ten onrechte onvermeld in zijn artikel.

4.11. Het Parool c.s. stelt voorop dat in het artikel slechts 2 zinnen zijn gewijd aan [K]. [C] heeft ter comparitie naar voren gebracht dat hij op grond van de van mr. [D] verkregen informatie kennis droeg van de twee rechtszaken waarop [B] c.s. doelt. De voor [B] gunstige uitkomst van deze procedures heeft hij echter niet genoemd in het artikel omdat tegen één van deze vonnissen hoger beroep was ingesteld. [C] wilde niet te diep ingaan op de vete tussen [K] en [B], maar ontkwam - naar eigen zeggen - niet aan het noemen van [K], omdat hij wilde schrijven over Marcanti.

4.12. Voorop staat dat [B] c.s. er niet in is geslaagd om aan te tonen dat er feitelijke onjuistheden staan in het artikel ten aanzien van [K]. Vaststaat immers dat [K] met [B] in rechtszaken is verwikkeld, waarbij het om veel geld gaat. Wel is [C] niet zo volledig geweest met betrekking tot dit onderwerp als hij had kunnen zijn door in het artikel alleen te vermelden dat [K] is verwikkeld in rechtszaken met [B], maar onvermeld te laten dat er twee vonnissen zijn gewezen die gunstig waren voor [B] (of aan haar verwante vennootschappen). Aan [B] c.s. kan worden toegegeven dat Het Parool c.s., gelet op de bij haar aanwezige wetenschap, deze kwestie niet had mogen gebruiken om de centrale stelling met betrekking tot de betalingsmoraal van [B] c.s. te ondersteunen. De plaats in het artikel alsmede de zin “ook daar draait het om tonnen” in combinatie met het citaat van [K] wekken de suggestie dat zij ook bij [K] ten onrechte rekeningen niet voldoet, terwijl - tot nu toe althans - dit niet wordt gesteund door de uitkomst van de daarover gevoerde procedures. Dat het artikel op dit punt onvolledig is maakt evenwel niet dat de inhoud van het artikel als geheel als onrechtmatig jegens [B] c.s. is aan te merken. Ook indien de uitkomst van de door [B] c.s. aangehaalde vonnissen wel in het artikel zou zijn vermeld, wordt de strekking van het artikel in voldoende mate gedragen door de overige hiervoor en hierna besproken kwesties.

[M]

4.13. [B] c.s. erkent dat zij een schuld heeft bij [M], maar voert daarbij aan dat hier wel een inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden, waarbij ook een element was of [M] wel aan zijn verplichtingen jegens [B] had voldaan.

4.14. Nu [B] c.s. erkent dat zij een schuld heeft aan [M], kan niet worden geoordeeld dat de inhoud van het artikel op dit punt feitelijk onjuist is. Dat er aan de schuld van [B] c.s. discussie vooraf is gegaan maakt dit niet anders.

Conclusie ten aanzien van ‘de feiten’

4.15. Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de door het Het Parool c.s. in het artikel geuite beschuldigingen aan het adres van [B] c.s. in voldoende mate steun vinden in de feiten die in het artikel worden aangehaald. Daarbij wordt nog opgemerkt dat [B] c.s. niet weerspreekt wat in het artikel is vermeld ten aanzien van de BIBOB-procedure en haar verleden als verhuurster (via R&R Beheer te Soest) van vastgoed.

Publiek figuur

4.16. Bij dit alles moet in aanmerking worden genomen dat [B] als bekende projectontwikkelaarster is aan te merken als een zogenaamd ‘publiek figuur’. Zij is verbonden aan een aantal grotere, althans bekende, vastgoedprojecten in en rond Amsterdam en was daarmee in het verleden al in de publiciteit gekomen. Vaststaat verder dat zij met de projecten Marina Kaap Hoorn en Marcanti ook zelf de publiciteit heeft gezocht. Het Parool heeft op 14 maart 2009, na de overname van Marcanti, een interview met [B] gepubliceerd, waarin zij zichzelf als doortastende en succesvolle onderneemster neerzette. Gelet op het voorgaande voert Het Parool c.s. terecht aan dat [B] moet dulden dat zij door de media kritisch wordt gevolgd. Het Parool c.s. heeft dan ook onder het licht mogen brengen dat eerdere - positieve - geluiden over [B] nuancering behoefden.

Hoor en wederhoor

4.17. [B] c.s. stelt verder dat Het Parool c.s. het beginsel van hoor en wederhoor niet op juiste wijze heeft toegepast. Hiertoe voert zij aan dat [C] slechts tien minuten heeft gesproken met [B] en dat [C] niet geïnteresseerd was in de door mr. [D] toegestuurde informatie. Volgens [B] c.s. stond voor [C] de inhoud van het artikel al vast en deed het er voor hem niet toe welke reactie daar van de kant van [B] tegenover werd gesteld.

4.18. Het Parool c.s. voert daartegen aan dat [C] een uur met [B] aan de telefoon heeft gesproken, en dat hij haar commentaar ook daadwerkelijk heeft gepubliceerd. Ook heeft [C] ter comparitie naar voren gebracht dat hij wel degelijk de stukken die [D] hem stuurde heeft bekeken en die ook heeft verwerkt in de vorm van het commentaar van [B].

4.19. De rechtbank is van oordeel dat Het Parool c.s. [B] in voldoende mate in staat heeft gesteld te reageren op het voornemen tot publicatie van het artikel. [C] heeft voorafgaand aan de publicatie telefonisch en schriftelijk contact met [B] en mr. [D] gehad en de reactie van [B] ook - zij het in een apart kader - in het artikel verwerkt. Haar standpunt over de verschillende onderwerpen die in het artikel aan de orde komen was bekend bij [C], maar behoefde, gelet op het hiervoor overwogene, voor Het Parool c.s. geen aanleiding te vormen om het artikel te herzien. Dat [B] van mening is dat het artikel haar schaadt en dat daar onjuistheden in staan, neemt niet weg dat zij wel de kans heeft gekregen haar reactie te geven. Het andersluidende oordeel van de Raad voor de Journalistiek doet aan het voorgaande niet af. Nog daargelaten dat de Raad niet hetzelfde toetsingskader hanteert als de rechtbank, geldt dat de Raad aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat de gepleegde wederhoor slechts is gebaseerd op een kort telefoongesprek met [B] op 4 november 2010, terwijl in deze procedure is komen vast te staan dat de contacten tussen [B] en [C] veel uitgebreider zijn geweest dan dat (zie hiervoor onder 2.3).

4.20. Alle hiervoor weergegeven omstandigheden in aanmerking genomen wordt, na afweging van de wederzijdse betrokken belangen, geconcludeerd dat Het Parool c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B] c.s. door het artikel te plaatsen. Dit betekent dat de vorderingen van [B] c.s. zullen worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven daarmee geen verdere bespreking.

4.21. [B] c.s. zal gezien het bovenstaande als de in het ongelijk gestelde partij - hoofdelijk, nu dit niet is bestreden - in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van de zijde van Het Parool c.s. worden begroot op:

-griffierecht € 560,-

-salaris advocaat € 904,- (2 punten x tarief € 452)

-totaal € 1.464,-

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen van [B] c.s. af,

5.2. veroordeelt [B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Het Parool c.s. tot op heden begroot op € 1.464,-,

5.3. veroordeelt [B] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [B] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. L. Voetelink en mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.(